← België

BELGISCHE STAAT, MIN FINANCIEN contra T.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 06 juni 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240606.1N.10 Rolnummer: F.21.0176.N Zaak: BELGISCHE STAAT, MIN FINANCIEN contra T. Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Overige - Belastingrecht Invoerdatum: 2024-07-03 Raadplegingen: 1024 - laatst gezien 2026-06-19 00:45 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240606.1N.10 Fiches 1 - 2 Belastingen zijn van openbare orde; bijgevolg moet de rechter zelf, zowel in feite als in rechte, beslissen over het bestaan van de belastingschuld wanneer hij daartoe wordt uitgenodigd door de vorderingen die door de partijen worden gesteld; hierbij is hij niet gebonden door de juridische gronden waarop het bestuur zich bij het vestigen van de belasting heeft gebaseerd en moet hij uitspraak doen over de andere gronden die het bestuur voor hem aanvoert ter verantwoording van de heffing; dit geldt evenzeer in het kader van een subsidiaire aanslag

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: OPENBARE ORDE RECHT VAN VERDEDIGING - BELASTINGZAKEN Fiche 3 Wanneer de aan de rechter voorgelegde subsidiaire aanslag op een welbepaalde juridische grondslag is gesteund, maar het bestuur in ondergeschikte orde ook een andere juridische grond aanvoert, dient de rechter, wanneer hij de in hoofdorde aangevoerde kwalificatie verwerpt, na te gaan of de subsidiaire aanslag gewettigd is op grond van de in ondergeschikte orde aangevoerde juridische grond; stelt hij vast dat de subsidiaire aanslag op de in ondergeschikte aangevoerde juridische grond slechts ten dele gewettigd is, dan dient hij de subsidiaire aanslag ten belope van dat gedeelte geldig en uitvoerbaar te verklaren, zo nodig na de administratie de kans te hebben gegeven om de subsidiaire aanslag aan te passen
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - AANSLAGPROCEDURE - Allerlei Annotaties Publicaties: Fiscoloog-Fiscoloog: nieuwsbrief over fiscaliteit - 2024, nr. 1853, p. 12-
  1. - CB; Noot'Art. 356 wib 92 Subsidiaire aanslag: met juridische grond 'in ondergeschikte orde'' Fiscologue-Fiscologue - 2024, n° 1853, p. 12-
  2. - BUISSE, Christian; Note'Art. 356 CIR
  3. Cotisation subsidiaire: quid de l'argument invoqué 'à titre subsidiaire' ?' Tekst van de beslissing Nr. F.21.0176.N BELGISCHE STAAT, Federale Overheidsdienst Financiën, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kabinet te 1000 Brussel, Wetstraat 12, voor wie optreedt de adviseur-generaal-directeur van de Gewestelijke Directie AA BBI Antwerpen, met kantoor te 2000 Antwerpen, Italiëlei 4, bus 5, eiser, vertegenwoordigd door mr. Willy van Eeckhoutte, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 9051 Gent, Drie Koningenstraat 3, waar de eiser woonplaats kiest, tegen J.T., verweerder, met als raadsman mr. Patrick Smet, advocaat bij de balie te Brussel, met kantoor te 1150 Sint-Pieters-Woluwe, Tervurenlaan 268/A, waar de verweerder woonplaats kiest, I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel van 16 juni
  4. Advocaat-generaal Stijn Ravyse heeft op 22 februari 2024 een schriftelijke conclusie neergelegd. Raadsheer Bart Wylleman heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Stijn Ravyse heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling
  5. Het bestreden arrest oordeelt: “Artikel 28, lid 1, 2°, WIB92 omvat qua belastbaarheid niet meerwaarden die vastgesteld worden uit hoofde van of naar aanleiding van de stopzetting van de beroepswerkzaamheid, zoals belastbaar gesteld in de voorliggende subsidiaire aanslagen. Dat is ook niet zo vastgesteld in het arrest van dit hof van 18 december 2009.” Het oordeelt niet dat het arrest van 18 december 2019 niet vaststelt dat de inkomsten werden verkregen of vastgesteld na stopzetting van de beroepswerkzaamheid. In zoverre het middel miskenning aanvoert van de bewijskracht van het arrest van 18 december 2019, berust het op een onjuiste lezing van het bestreden arrest en mist het feitelijke grondslag.
  6. In zoverre het middel schending aanvoert van de artikelen 23 tot en met 28 Gerechtelijk Wetboek, is het afgeleid uit de vergeefs aangevoerde miskenning van de bewijskracht van het arrest van 18 december 2019 en is het mitsdien niet ontvankelijk.
  7. De vergeefs bekritiseerde reden dat de verweerder met reden aanvoert dat “de voorgelegde subsidiaire aanslagen niet uitgaan van hetgeen op zich werd vastgesteld in het arrest van dit hof van 18 december 2019 vermits de te belasten inkomsten in hoofde van [de verweerder] erin gekwalificeerd worden als een inkomen behaald als bedoeld in artikel 28, lid 1, 2° WIB92, er daarbij van uitgaande dat het gaat om ‘inkomsten die worden verkregen of vastgesteld na de stopzetting en die voortkomen uit de vorige beroepswerkzaamheid’”, draagt de beslissing van de appelrechters dat de subsidiaire aanslag, voor zover gebaseerd op artikel 28, eerste lid, 2° WIB92, niet uitvoerbaar kan worden verklaard.
  8. In zoverre het middel schending aanvoert van artikel 28, eerste lid, 2° WIB92, de artikelen 19, eerste lid en 23 tot 28 Gerechtelijk wetboek alsook artikel 41, 1°, WIB92, komt het op tegen overtollige redenen, kan het niet tot cassatie leiden en is het mitsdien, bij gebrek aan belang, niet ontvankelijk.
  9. Artikel 356 WIB92 bepaalt: “Wanneer tegen een beslissing van de adviseur-generaal van de administratie belast met de vestiging van de inkomstenbelastingen of van de door hem gedelegeerde ambtenaar een vordering in rechte is ingesteld en de rechter de aanslag geheel of ten dele nietig verklaart, om een andere reden dan verjaring, blijft de zaak gedurende een termijn van zes maanden te rekenen vanaf de rechterlijke beslissing ingeschreven op de rol. Gedurende die termijn van zes maanden die de termijnen om verzet of hoger beroep aan te tekenen of om een voorziening in cassatie in te dienen schorst, kan de administratie een subsidiaire aanslag door middel van conclusies aan het oordeel van de rechter onderwerpen op naam van dezelfde belastingschuldige en op grond van alle of een deel van dezelfde belastingelementen als de initiële aanslag.”
  10. Belastingen zijn van openbare orde. Bijgevolg moet de rechter zelf, zowel in feite als in rechte, beslissen over het bestaan van de belastingschuld wanneer hij daartoe wordt uitgenodigd door de vorderingen die door de partijen worden gesteld. Hierbij is hij niet gebonden door de juridische gronden waarop het bestuur zich bij het vestigen van de belasting heeft gebaseerd en moet hij uitspraak doen over de andere gronden die het bestuur voor hem aanvoert ter verantwoording van de heffing. Dit geldt evenzeer in het kader van een subsidiaire aanslag. Wanneer derhalve de aan de rechter voorgelegde subsidiaire aanslag op een welbepaalde juridische grondslag is gesteund, maar het bestuur in ondergeschikte orde ook een andere juridische grond aanvoert, dient de rechter, wanneer hij de in hoofdorde aangevoerde kwalificatie verwerpt, na te gaan of de subsidiaire aanslag gewettigd is op grond van de in ondergeschikte orde aangevoerde juridische grond. Stelt hij vast dat de subsidiaire aanslag op de in ondergeschikte aangevoerde juridische grond slechts ten dele gewettigd is, dan dient hij de subsidiaire aanslag ten belope van dat gedeelte geldig en uitvoerbaar te verklaren, zo nodig na de administratie de kans te hebben gegeven om de subsidiaire aanslag aan te passen.
  11. Uit de stukken waarop het Hof acht kan slaan, blijkt dat de eiser de aan de appelrechters voorgelegde subsidiaire aanslag heeft gebaseerd op artikel 28, eerste lid, 2° WIB92, ervan uitgaande dat de door de verweerder ontvangen sommen dienden te worden gekwalificeerd als “inkomsten die worden verkregen of vastgesteld na de stopzetting en voortkomen uit de vorige beroepswerkzaamheid” in de zin van deze bepaling, en dat hij in ondergeschikte orde heeft aangevoerd dat het gaat om stopzettingsmeerwaarden in de zin van artikel 28, eerste lid, 1°, WIB
  12. Na het standpunt van de eiser dat het gaat om inkomsten verkregen of vastgesteld na de stopzetting van de beroepswerkzaamheid in de zin van artikel 28, eerste lid, 2°, WIB92 te hebben verworpen, oordelen de appelrechters in verband met het in ondergeschikte orde gedane verzoek om de subsidiaire aanslagen minstens op grond van artikel 28, eerste lid, 1°, WIB92 geldig te verklaren dat op deze vordering niet kan worden ingegaan aangezien “terzake een verschil in tarief zou voorliggen”, dat “de voorgelegde subsidiaire aanslagen aldus niet zijn opgesteld” en “artikel 356 WIB92 geen (beperkte) geldigverklaring toestaat middels een ‘ontheffing’ van voorgelegde subsidiaire aanslagen”.
  13. Door aldus te weigeren om te onderzoeken of de subsidiaire aanslag ten dele gewettigd is op de in ondergeschikte orde aangevoerde juridische grond, verantwoorden de appelrechters hun beslissing niet naar recht. In zoverre is het middel gegrond.
  14. Krachtens artikel 19 Gerechtelijk Wetboek is het vonnis een eindvonnis in zover daarmee de rechtsmacht van de rechter over een geschilpunt uitgeput is, behoudens de rechtsmiddelen bij de wet bepaald. De rechter die zijn rechtsmacht over een geschilpunt heeft uitgeput, kan terzake niet meer geadieerd worden, behoudens de bij dit wetboek bepaalde uitzonderingen.
  15. In het arrest van 18 december 2019 stellen de appelrechters vast en oordelen zij dat: - de verweerder aanvoert dat de certificaten geen activa betreffen gebruikt voor de beroepswerkzaamheid omdat de voorwaarden daartoe als vermeld in artikel 41 WIB92 niet zijn vervuld, in het bijzonder niet omdat de activa niet als dusdanig door hem zijn geboekt; - vermits de verweerder echter geen inkomsten aangaf uit de voornoemde beroepsactiviteit als adviseur in de adviesraad, dit argument niet dienstig kan zijn tot het besluit dat het niet ging om beroepsactiva vermits, indien het hof van beroep tot de vaststelling zou komen dat de meerwaarden op de bewuste activa, de baat uit die beroepswerkzaamheid zijn op grond van artikel 27, tweede lid, 3°, WIB92, die activa wel degelijk hadden moeten worden geboekt; - vermits de verweerder verkeerdelijk van mening was dat het ging om activa die louter deel uitmaakten van zijn privé patrimonium, hij ze blijkbaar niet boekte als “gebruikt” in het kader van de beroepswerkzaamheid, doch dit niet belet dat alsdan alsnog vastgesteld moet worden dat het gaat om activa precies in het kader van de beroepswerkzaamheid in de adviesraad aangeschaft in de zin van artikel 41, 1°, WIB92; - de omstandigheid dat hij niet tot de boeking of het houden van enige boekhouding overging en ook geen waardeverminderingen boekte op het verkregen activum, dan ook niet leidt tot de vaststelling dat het daarom niet zou gaan om activa in het kader van de werkzaamheid aangeschaft; - het bovendien niet gaat om een afschrijfbaar activum; - de verweerder verder niet aantoont dat het op enig ogenblik per aangehouden pakket certificaten noodzakelijk zou zijn geweest een waardevermindering te boeken, die hij overwogen heeft, maar niet geboekt heeft; - hij in het kader van de beroepswerkzaamheid als adviseur gewoon geen enkele boekhouding voerde, ook geen vereenvoudigde; - van een weloverwogen, bewezen afwezigheid van boeking van een waardevermindering in de zin van artikel 41, 2°, WIB92 dus geen sprake is. De appelrechters oordelen aldus dat de omstandigheid dat de certificaten niet werden geboekt, niet eraan in de weg staat dat het gaat om activa in de zin van artikel 41, 1°, WIB
  16. Door in het bestreden arrest te oordelen dat de verweerder “daarenboven” met reden aanvoert dat in ieder geval een boeking bewezen moet zijn gelet op de duidelijke bepaling van artikel 41, 1°, WIB92 oordelen de appelrechters opnieuw over een geschilpunt waarover zij hun rechtsmacht al hadden uitgeput, en schenden zij artikel 19 Gerechtelijk Wetboek. In zoverre is het middel eveneens gegrond. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het oordeelt over het verzoek tot uitvoerbaarverklaring van de subsidiaire aanslag op grond van artikel 28, eerste lid, 1°, WIB92 en het uitspraak doet over de kosten. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest. Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent over aan de feitenrechter. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Gent. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Geert Jocqué, als voorzitter, en de raadsheren Bart Wylleman, Ilse Couwenberg, Myriam Ghyselen en Michael Traest, en in openbare rechtszitting van 6 juni 2024 uitgesproken door sectievoorzitter Geert Jocqué, in aanwezigheid van advocaat-generaal Stijn Ravyse, met bijstand van griffier Elien Van Isterdael. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240606.1N.10 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240606.1N.10 geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2026:CONC.20260327.1F.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.