id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 06 juni 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240606.1N.5 Rolnummer: C.23.0395.N Zaak: FINANCIA nv contra BANK NAGELMACKERS nv Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2024-07-03 Raadplegingen: 776 - laatst gezien 2026-06-15 04:35 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240606.1N.5 Fiche Wanneer een cassatie met verwijzing is uitgesproken, worden de partijen voor het verwijzingsgerecht geplaatst in de toestand waarin zij zich bevinden voor de rechter wiens beslissing werd vernietigd. De omvang van de verwijzing na cassatie is niet beperkt tot het onderzoek van het vernietigde dictum, maar betreft het gehele geschil voor zover het nog moet worden beslecht
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: CASSATIE - VERNIETIGING. OMVANG - Burgerlijke zaken Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 1110, eerste lid - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Tekst van de beslissing Nr. C.23.0395.N FINANCIA nv, in vereffening, met zetel te 2900 Schoten, Schijnparklaan 31, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0461.272.909, vertegenwoordigd door haar vereffenaar, R.C., eiseres, vertegenwoordigd door mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1170 Brussel, Terhulpensesteenweg 177/7, waar de eiseres woonplaats kiest, tegen BANK NAGELMACKERS nv, met zetel te 1000 Brussel, Montoyerstraat 14, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0404.140.107, verweerster, vertegenwoordigd door mr. Paul Lefebvre, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1050 Brussel, Louizalaan 251/10, waar de verweerster woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 14 juni 2023, na verwijzing bij arrest van het Hof van 22 november 2021. Advocaat-generaal Stijn Ravyse heeft op 6 mei 2024 een schriftelijke conclusie neergelegd. Raadsheer Michael Traest heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Stijn Ravyse heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling (…) Tweede middel (…) Derde onderdeel 11. In het dictum van haar appelconclusie heeft de eiseres een schadevergoeding gevorderd op grond van artikel 21 Handelsagentuurwet ten bedrage van 2.122.605,07 euro in hoofdsom bestaande uit: - 250.886,72 euro ten titel van vergoeding voor de beëindiging van de samenwerking inzake kredieten en verzekeringen; - 628.168,22 euro ten titel van vergoeding voor het verlies aan inkomsten uit haar krediet en verzekeringsactiviteit; - 58.154,99 euro ten titel van terugbetaling van huurwaarborgen en ten onrechte aangerekende boeterente; - 570.295 euro ten titel van operationele kosten tijdens de vereffening; - 465.100,14 euro ten titel van gerechts- en advocatenkosten door de eiseres gemaakt om de schade te vorderen; - 150.000 euro ten titel van reputatieschade. In de appelconclusie heeft de eiseres voorts onder de titel “IV.A.3 Financia is gerechtigd op de schadevergoeding voorzien in artikel 21 Handelsagentuurwet (thans art. X.19 WER)” het punt “
- b)De terbeschikkingstellingsovereenkomst” opgenomen en heeft ze aangevoerd dat het “evident was dat een schadevergoeding voor het verlies aan cliënteel in het kader van de Terbeschikkingstellingsovereenkomst (naast de schadevergoeding voor de stopzetting van de bankagentuur) in deze zaak aan de orde is.” De appelrechters die vaststellen dat de eiseres “de vordering op grond van artikel 1.4 van de terbeschikkingstellingsovereenkomst voor de bijkomende vergoeding voor de marktwaarde van de ter beschikking gestelde portefeuille niet als dusdanig herneemt in deze stand van het geding na verwijzing ingevolge de gedeeltelijke vernietiging van het arrest van het hof van beroep te Brussel van 9 juni 2020” en aansluitend uit pagina 28 van de appelconclusie na cassatie afleiden dat de eiseres de vergoeding voor het verlies aan cliënteel integreert in haar vordering voor bijkomende schadevergoeding wegens het verlies aan inkomsten uit haar krediet- en verzekeringsactiviteiten, miskennen niet de bewijskracht van de appelconclusie van de eiseres. Het onderdeel mist in zoverre feitelijke grondslag. 12. In zoverre het onderdeel miskenning van het beschikkingsbeginsel aanvoert omdat de appelrechters zich uitspreken over een vordering die niet werd gesteld, is het afgeleid uit de in dit onderdeel vergeefs aangevoerde miskenning van de bewijskracht van de appelconclusie van de eiseres. Het onderdeel is in zoverre niet ontvankelijk. 13. Artikel 1110, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat, in geval van vernietiging, het Hof van Cassatie, indien daartoe aanleiding bestaat, de zaak verwijst, hetzij naar het gerecht in hoogste feitelijke aanleg van dezelfde rang als datgene dat de bestreden beslissing gewezen heeft, hetzij naar hetzelfde gerecht, anders samengesteld. Wanneer een cassatie met verwijzing is uitgesproken, worden de partijen voor het verwijzingsgerecht geplaatst in de toestand waarin zij zich bevinden voor de rechter wiens beslissing werd vernietigd. De omvang van de verwijzing na cassatie is niet beperkt tot het onderzoek van het vernietigde dictum, maar betreft het gehele geschil voor zover het nog moet worden beslecht. In zoverre het onderdeel ervan uitgaat dat de vordering op grond van artikel 1.4 van de terbeschikkingstellingsovereenkomst dient te worden beoordeeld door het hof van beroep te Brussel wiens arrest van 9 juni 2020 werd vernietigd door het arrest van het Hof van 22 november 2021, kan het niet worden aangenomen. Derde middel 14. De werkelijk geleden schade waarvoor de handelsagent van de principaal met toepassing van artikel 21 Handelsagentuurwet, zoals op het geschil van toepassing, een bijkomende schadevergoeding kan verkrijgen, die verschilt van de schade die gedekt wordt door de uitwinningsvergoeding, kan slechts betrekking hebben op kosten die de handelsagent op grond van een contractuele verplichting of op advies van de principaal ten behoeve van de uitvoering van de overeenkomst op zich heeft genomen en niet op de kosten die hij vrijwillig en op eigen initiatief heeft gemaakt. Krachtens artikel 1022, zesde lid, Gerechtelijk Wetboek kan geen partij boven het bedrag van de rechtsplegingsvergoeding worden aangesproken tot betaling van een vergoeding voor de tussenkomst van de advocaat van een andere partij. 15. In zoverre het middel ervan uitgaat dat de handelsagent, in een geschil betreffende de vergoedingen waarop hij lastens de principaal recht heeft, op grond van artikel 21 Handelsagentuurwet, zoals van toepassing op het geschil, aanspraak kan maken op een vergoeding voor gerechts- en advocatenkosten boven de rechtsplegingsvergoeding waarop hij volgens artikel 1022 Gerechtelijk Wetboek recht heeft indien het (maximum)bedrag van de rechtsplegingsvergoeding geen redelijke vergoeding uitmaakt die evenredig is aan de kosten die de handelsagent objectief heeft moeten maken om een vordering tegen de principaal in te stellen, zonder dat vereist is dat de gerechts- en advocatenkosten krachtens een contractuele verplichting of op advies van de principaal en niet vrijwillig zijn gemaakt, faalt het naar recht. 16. De appelrechters stellen vast dat de eiseres de gerechts- en advocatenkosten vrijwillig heeft gemaakt en niet krachtens een contractuele verplichting of op advies van de verweerster en deze kosten niet in oorzakelijk verband staan met de beëindiging van de agentschapsovereenkomst. De appelrechters die op deze gronden oordelen dat de met toepassing van artikel 21 Handelsagentuurwet, zoals van toepassing op het geschil, ingestelde vordering tot bijkomende schadevergoeding van 465.100,14 euro voor de gerechts- en advocatenkosten die door haar werden gemaakt om de schade in te vorderen, ongegrond is, verantwoorden hun beslissing naar recht. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. 17. In zoverre het middel voorts ervan uitgaat dat de vordering van de eiseres grotendeels gegrond werd verklaard terwijl de appelrechters vaststellen dat in hoger beroep beide partijen deels in het ongelijk gesteld werden “vermits de vorderingen van (de eiseres) slechts gedeeltelijk worden toegekend. De bijkomende schadevergoeding die zij na cassatie vordert wordt slechts voor een klein deel gegrond verklaard”, berust het op een onjuiste lezing van het arrest en mist het feitelijke grondslag. 18. Het hof van Justitie van de Europese Unie heeft in het arrest van 28 juli 2016 (HvJ 28 juli 2016, 57/15,1 United Video Properties, r.o. 25 en 32) geoordeeld dat een regeling met forfaitaire tarieven voor de vergoeding van erelonen van advocaten in beginsel gerechtvaardigd zou kunnen zijn, mits zij ertoe strekt de redelijkheid van de te vergoeden kosten te verzekeren, in het licht van factoren zoals het voorwerp van het geding, de waarde ervan of het werk dat nodig is voor de verdediging van het betrokken recht en artikel 14 van richtlijn 2004/48 aldus moet worden uitgelegd dat het zich niet verzet tegen een nationale regeling op grond waarvan de verliezende partij in de proceskosten van de in het gelijk gestelde partij wordt verwezen, die de rechter die deze verwijzing in de kosten moet uitspreken de mogelijkheid biedt om rekening te houden met de specifieke kenmerken van de bij hem aanhangig gemaakte zaak en die een systeem van forfaitaire tarieven behelst voor vergoeding van de kosten voor de bijstand van een advocaat, mits die tarieven waarborgen dat de kosten die de verliezende partij moet dragen, redelijk zijn, hetgeen aan de verwijzende rechter staat om na te gaan. Het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft voorts in het arrest van 7 april 2022 (HvJ 7 april 2022, 385-20, EL en TP t Caixabank SA, r.o. 52 en 56-57) gepreciseerd dat het in beginsel niet in strijd is met het doeltreffendheidsbeginsel dat de in het gelijk gestelde consument niet het volledige bedrag van de door hem betaalde advocatenhonoraria van de in het ongelijk gestelde partij vergoed krijgt en het aan de lidstaten staat om, indien zij in het kader van hun procedurele autonomie voorzien in een regeling voor de vergoeding van advocatenhonoraria die het bedrag dat de in de kosten veroordeelde beroepsbeoefenaar moet betalen beperkt, een maximumbedrag vast te stellen dat de consument in staat stelt een redelijk bedrag te verhalen dat evenredig is aan de kosten van de gerechtelijke procedure betreffende het oneerlijke karakter van een contractueel beding en het een zaak van de nationale rechter is om na te gaan of dit het geval is. Uit die rechtspraak volgt klaarblijkelijk dat een systeem van forfaitaire tarieven met een maximumbedrag voor vergoeding van de kosten voor de bijstand van een advocaat in beginsel gerechtvaardigd is en niet in strijd is met het doeltreffendheidsbeginsel mits die tarieven waarborgen dat de kosten die de verliezende partij moet dragen, redelijk zijn en het maximumbedrag ervan evenredig is aan de kosten van de gerechtelijke procedure, hetgeen de nationale rechter dient na te gaan. 19. De appelrechters stellen vast en oordelen dat: - de eiseres verzoekt de verweerster te veroordelen tot de kosten van het geding en zij subsidiair ten aanzien van haar vordering tot betaling van de volledige gerechts- en advocatenkosten verzoekt de verweerster te veroordelen tot betaling van de maximale rechtsplegingsvergoeding van 45.000 euro; - in hoger beroep de beide partijen deels in het ongelijk worden gesteld vermits de vorderingen van de eiseres slechts gedeeltelijk worden toegekend; - de bijkomende schadevergoeding die de eiseres na cassatie vordert slechts voor een klein deel gegrond wordt verklaard; - de beide partijen dan ook gehouden zijn tot betaling van de gerechtskosten in de beide aanleggen, in de verhouding van één vijfde voor de eiseres en vier vijfden voor de verweerster; - de eiseres verzoekt de rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep te bepalen op het verhoogde bedrag van 45.000 euro indien haar vordering tot betaling van de volledige gerechts- en advocatenkosten niet wordt toegekend en zij dit verzoek tot vermeerdering steunt op de complexiteit van de zaak, de omvang van het debat en de initiële weigering van de verweerster om bepaalde documenten spontaan voor te leggen; - de eiseres daarenboven van oordeel is dat de verweerster zich kennelijk onredelijk gedragen heeft doordat zij onrechtmatig is opgetreden en haar weigering om minstens een opzeg- en uitwinningsvergoeding te betalen ertoe geleid heeft dat de eiseres zich in vereffening moest stellen. De appelrechters oordelen dat: - de door de eiseres aangehaalde redenen de toekenning van het maximumbedrag van de rechtsplegingsvergoeding niet rechtvaardigen; - de zaak niet dermate complex is; - het loutere gegeven dat de verweerster daarenboven de agentschapsovereenkomst zonder naleving van een opzegtermijn en zonder betaling van een opzegvergoeding heeft beëindigd niet betekent dat zij zich kennelijk onredelijk gedragen heeft; - de eiseres niet aantoont dat de ontbinding en invereffeningstelling het gevolg was van de weigering van de verweerster tot betaling van een opzeg- en uitwinningsvergoeding; - in hoger beroep bijgevolg het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding wordt toegekend. Met deze redenen stellen de appelrechters, rekening houdend met het feit dat in hoger beroep de beide partijen deels in het ongelijk worden gesteld vermits de vorderingen van de eiseres slechts gedeeltelijk worden toegekend, impliciet maar zeker vast dat het bedrag van de rechtsplegingsvergoeding een redelijke vergoeding uitmaakt evenredig aan de kosten die de eiseres objectief heeft moet maken om haar vorderingen tegen de verweerster te stellen. Het middel kan in zoverre niet worden aangenomen. De door de eiseres voorgestelde prejudiciële vraag dient niet te worden gesteld. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiseres tot de kosten. Bepaalt de kosten voor de eiseres op 345,27 euro en op de som van 650 euro rolrecht verschuldigd aan de Belgische Staat. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Geert Jocqué, als voorzitter, en de raadsheren Bart Wylleman, Sven Mosselmans, Myriam Ghyselen en Michael Traest, en in openbare rechtszitting van 6 juni 2024 uitgesproken door sectievoorzitter Geert Jocqué, in aanwezigheid van advocaat-generaal Stijn Ravyse, met bijstand van griffier Elien Van Isterdael. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240606.1N.5 Gerelateerde publicatie(
- s)Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240606.1N.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div