id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 06 juni 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240606.1N.8 Rolnummer: C.23.0431.N Zaak: FRIGERA nv contra D.E.C. srl Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Internationaal publiekrecht Invoerdatum: 2024-07-03 Raadplegingen: 836 - laatst gezien 2026-06-16 14:01 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240606.1N.8 Fiche 1 Voor een eenvormige invulling van de leemten moet in eerste instantie aansluiting worden gezocht bij de algemene beginselen waarop het Verdrag berust
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: INTERNATIONALE VERDRAGEN Wettelijke bepalingen: Verdrag der Verenigde Naties inzake Internationale Koopovereenkomsten betreffende Roerende Zaken, gedaan te Wenen op 11 april 1980 - 11-04-1980 - Art. 7.1 - 33 Link Justel databank 19800411-33 Verdrag der Verenigde Naties inzake Internationale Koopovereenkomsten betreffende Roerende Zaken, gedaan te Wenen op 11 april 1980 - 11-04-1980 - Art. 7.2 - 33 Link Justel databank 19800411-33 Fiche 2 Hoewel het Weens Koopverdrag geen alomvattende regeling van de bewijslastregeling vooropstelt, valt de vraag naar de bewijslastverdeling onder de werkingssfeer van het Verdrag en stelt het Verdrag als bewijslastbeginsel voorop dat degene die iets beweert, dit moet bewijzen
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: INTERNATIONALE VERDRAGEN Wettelijke bepalingen: Verdrag der Verenigde Naties inzake Internationale Koopovereenkomsten betreffende Roerende Zaken, gedaan te Wenen op 11 april 1980 - 11-04-1980 - Art. 7.1 - 33 Link Justel databank 19800411-33 Verdrag der Verenigde Naties inzake Internationale Koopovereenkomsten betreffende Roerende Zaken, gedaan te Wenen op 11 april 1980 - 11-04-1980 - Art. 7.2 - 33 Link Justel databank 19800411-33 Verdrag der Verenigde Naties inzake Internationale Koopovereenkomsten betreffende Roerende Zaken, gedaan te Wenen op 11 april 1980 - 11-04-1980 - Art. 79.1 - 33 Link Justel databank 19800411-33 Fiche 3 Het komt in beginsel aan de koper toe het bewijs van het gebrek of niet-conformiteit te leveren en het komt aan de verkoper die de laattijdigheid van de kennisgeving als verweer aanvoert, toe om het bewijs te leveren van het ogenblik waarop de koper kennis had of behoorde te hebben van het gebrek of de niet-conformiteit en, in het kader daarvan, van het zichtbaar karakter ervan
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: INTERNATIONALE VERDRAGEN Wettelijke bepalingen: Verdrag der Verenigde Naties inzake Internationale Koopovereenkomsten betreffende Roerende Zaken, gedaan te Wenen op 11 april 1980 - 11-04-1980 - Art. 38.1 - 33 Link Justel databank 19800411-33 Verdrag der Verenigde Naties inzake Internationale Koopovereenkomsten betreffende Roerende Zaken, gedaan te Wenen op 11 april 1980 - 11-04-1980 - Art. 39.1 - 33 Link Justel databank 19800411-33 Fiche 4 Wanneer de koper heeft nagelaten de goederen te keuren, komt het hem toe om te bewijzen dat het gebrek of de niet-conformiteit op het ogenblik van de levering niet-zichtbaar was
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: INTERNATIONALE VERDRAGEN Tekst van de beslissing Nr. C.23.0431.N FRIGERA nv, met zetel te 3680 Maaseik, Gremelsloweg 1044, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0461.415.043, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187/302, waar de eiseres woonplaats kiest, tegen D.E.C. Srl, vennootschap naar Italiaans recht, met zetel te 43022 Montecharugolo (Italië), Via Parma 14/TER, Basilicagoiana, verweerster, vertegenwoordigd door mr. Werner Derijcke, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1050 Brussel, Louizalaan 65/11, waar de verweerster woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 28 juni
- Advocaat-generaal Stijn Ravyse heeft op 6 mei 2024 een schriftelijke conclusie neergelegd. Raadsheer Michael Traest heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Stijn Ravyse heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste onderdeel
- Artikel 7.1 van het Verdrag der Verenigde Naties van 11 april 1980 inzake internationale koopovereenkomsten betreffende roerende zaken, opgemaakt te Wenen, hierna Weens Koopverdrag, bepaalt dat voor de uitleg van dit Verdrag rekening dient te worden gehouden met het internationale karakter ervan en met de noodzaak eenvormigheid in de toepassing ervan en naleving van de goede trouw in de internationale handel te bevorderen. Artikel 7.2 bepaalt dat vragen betreffende de door dit Verdrag geregelde onderwerpen, die hierin niet uitdrukkelijk zijn beslist, worden opgelost aan de hand van de algemene beginselen waarop dit Verdrag berust, of bij ontstentenis van zodanige beginselen, in overeenstemming met het krachtens de regels van internationaal privaatrecht toepasselijke recht. Voor een eenvormige invulling van de leemten moet aldus in eerste instantie aansluiting worden gezocht bij de algemene beginselen waarop het Verdrag berust. Krachtens artikel 79.1 Weens Koopverdrag is een partij niet aansprakelijk voor een tekortkoming in de nakoming van een van haar verplichtingen, indien zij aantoont dat de tekortkoming werd veroorzaakt door een verhindering die buiten haar macht lag en dat van haar redelijkerwijs niet kon worden verwacht dat zij bij het sluiten van de overeenkomst met die verhindering rekening zou hebben gehouden of dat zij deze of de gevolgen ervan zou hebben vermeden of te boven zou zijn gekomen. Uit de voormelde verdragsbepalingen volgt dat, hoewel het Weens Koopverdrag geen alomvattende regeling van de bewijslastregeling vooropstelt, de vraag naar de bewijslastverdeling onder de werkingssfeer van het Verdrag valt en het Verdrag als bewijslastbeginsel vooropstelt dat degene die iets beweert, dit moet bewijzen.
- Artikel 38.1 Weens Koopverdrag bepaalt dat de koper de zaken binnen een, gelet op de omstandigheden zo kort mogelijke, termijn moet keuren of doen keuren. Artikel 39.1 Weens Koopverdrag bepaalt dat de koper het recht verliest om zich erop te beroepen dat de zaken niet aan de overeenkomst beantwoorden, indien hij niet binnen een redelijke termijn nadat hij dit heeft ontdekt of had behoren te ontdekken de verkoper hiervan in kennis stelt, onder opgave van de aard van de tekortkoming.
- Uit de artikelen 38.1 en 39.1 Weens Koopverdrag en het aan het Verdrag ten grondslag liggend bewijsbeginsel volgt dat het, in beginsel, aan de koper toekomt het bewijs van het gebrek of niet-conformiteit te leveren en dat het aan de verkoper die de laattijdigheid van de kennisgeving als verweer aanvoert, toekomt om het bewijs te leveren van het ogenblik waarop de koper kennis had of behoorde te hebben van het gebrek of de niet-conformiteit en, in het kader daarvan, van het zichtbaar karakter ervan. Wanneer evenwel de koper heeft nagelaten de goederen te keuren, komt het hem toe om te bewijzen dat het gebrek of de niet-conformiteit op het ogenblik van de levering niet-zichtbaar was.
- De appelrechter stelt vast en oordeelt dat: - de hambotten op 16 en 18 januari 2019 bij de klant van de eiseres werden geleverd; - de eiseres niet aantoont en zelfs niet beweert dat zij de hambotten na de aflevering bij haar klant aan een visuele controle heeft onderworpen, minstens bij wijze van steekproef om eventuele zichtbare non-conformiteiten vast te stellen, wat nochtans gemakkelijk kon gebeuren middels een visuele controle aangezien de hambotten in een transparante folie waren verpakt; - de eiseres terecht stelt dat de keuring waarvan sprake in artikel 38.1 Weens Koopverdrag enkel betrekking heeft op zichtbare gebreken of niet-conformiteiten; - de eiseres evenwel, vermits zij in het geheel geen keuring heeft uitgevoerd, niet aantoont dat de gist op het ogenblik van de levering bij haar klant niet zichtbaar was; - de eiseres de verweerster pas op 11 februari 2019 in kennis stelde van het feit dat haar klant had gemeld dat de hambotten in de verpakking “beschimmeld” waren, hetzij respectievelijk 26 en 24 dagen na de levering, wat niet redelijk is gelet op de aard van de goederen (diervoeder) en de vastgestelde niet-conformiteiten waarvan de deskundige niet uitsluit dat ze zichtbaar waren op het ogenblik van de levering.
- Door aldus, na te hebben vastgesteld dat de eiseres de goederen niet had gekeurd, de bewijslast van het niet-zichtbaar karakter van het gebrek op het ogenblik van de levering bij de eiseres te leggen, verantwoordt de appelrechter zijn beslissing naar recht. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. (…) Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiseres tot de kosten. Bepaalt de kosten voor de eiseres op 656,23 euro en op de som van 650 euro rolrecht verschuldigd aan de Belgische Staat. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Geert Jocqué, als voorzitter, en de raadsheren Bart Wylleman, Sven Mosselmans, Myriam Ghyselen en Michael Traest, en in openbare rechtszitting van 6 juni 2024 uitgesproken door sectievoorzitter Geert Jocqué, in aanwezigheid van advocaat-generaal Stijn Ravyse, met bijstand van griffier Elien Van Isterdael. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240606.1N.8 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240606.1N.8 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div