← België

L. contra BELGISCHE STAAT, MIN JUSTITIE

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 06 juni 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2024:

Art. 32

, § 2, eerste lid - 04 ELI link Pub nr 2018030424 Thesaurus CAS: FAILLISSEMENT, FAILLISSEMENTSAKKOORD EN GERECHTELIJK AKKOORD - GEVOLGEN (PERSONEN, GOEDEREN, VERBINTENISSEN) Wettelijke bepalingen: Wet 4 februari 2018 houdende de opdrachten en de samenstelling van het Centraal Orgaan voor de Inbeslagneming en de

Art. 32

, § 2, eerste lid - 04 ELI link Pub nr 2018030424 Thesaurus CAS: SCHULDVERGELIJKING Wettelijke bepalingen: Wet 4 februari 2018 houdende de opdrachten en de samenstelling van het Centraal Orgaan voor de Inbeslagneming en de

Art. 32

, § 2, eerste lid - 04 ELI link Pub nr 2018030424 Fiches 4 - 6 Schuldvergelijking is mogelijk tussen de fiscale schulden van de gefailleerde vennootschap die vóór het faillissement zijn ontstaan en de vordering van de eiseres ten aanzien van het COIV wegens de bijzondere verbeurdverklaring met toewijzing, die ontstaan is na het faillissement van de vennootschap, maar voortvloeit uit de uitoefening van de vordering tot schadevergoeding die vóór het faillissement is ontstaan; daaraan doet geen afbreuk het gegeven dat de verbeurdverklaarde gelden niet worden toegewezen aan de gefailleerde vennootschap, maar aan de eiseres in haar hoedanigheid van curator van de gefailleerde vennootschap

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: FAILLISSEMENT, FAILLISSEMENTSAKKOORD EN GERECHTELIJK AKKOORD - GEVOLGEN (PERSONEN, GOEDEREN, VERBINTENISSEN) BESLAG - ALLERLEI STRAF - ANDERE STRAFFEN - Verbeurdverklaring Tekst van de beslissing Nr. C.23.0441.N S.L., advocaat, (…), in haar hoedanigheid van curator van het faillissement van Trans Co-Da bv, met zetel te 2550 Kontich, Hofstraat 8, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0434.608.104, eiseres, aan wie rechtsbijstand is verleend bij beslissing van 3 november 2023 (nr. G.23.0009.N), vertegenwoordigd door mr. Patricia Vanlersberghe, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Koloniënstraat 11, waar de eiseres woonplaats kiest, tegen BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie, met kantoor te 1000 Brussel, Kruidtuinlaan 50, verweerder, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187/302, waar de verweerder woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel van 19 september
  1. Advocaat-generaal Stijn Ravyse heeft op 6 mei 2024 een schriftelijke conclusie neergelegd. Raadsheer Sven Mosselmans heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Stijn Ravyse heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel Derde onderdeel
  2. Artikel 32, § 2, eerste lid, COIV-wet, voorheen artikel 16bis, § 2, eerste lid, COIV-wet, bepaalt dat het Centraal Orgaan elke som die moet worden teruggegeven of betaald, zonder formaliteit kan aanwenden ter betaling van bedragen, die door de begunstigde van deze teruggave of betaling verschuldigd zijn ten bate van de met invordering belaste ambtenaren, ten bate van de inningsinstellingen van de in paragraaf 1, eerste lid, bedoelde socialezekerheidsbijdragen en ten bate van de in paragraaf 1, tweede lid, bedoelde buitenlandse schulden. Krachtens het tweede lid blijft het eerste lid van toepassing in geval van beslag, overdracht, samenloop of insolvabiliteitsprocedure.
  3. De in voormelde bepaling bedoelde schuldvergelijking, die in de regel enkel mogelijk is voor schulden en schuldvorderingen die vóór een faillissement zijn ontstaan, geldt ook tussen de fiscale schulden van een gefailleerde vennootschap die vóór het faillissement zijn ontstaan en de vordering ten aanzien van het COIV wegens de bijzondere verbeurdverklaring met toewijzing, die is ontstaan na het faillissement van de vennootschap, maar voortvloeit uit de uitoefening van de vordering tot schadevergoeding die vóór het faillissement is ontstaan. De vordering ten aanzien van het COIV maakt immers deel uit van de boedel op dezelfde wijze als de vordering tot schadevergoeding die vóór het faillissement is ontstaan.
  4. De appelrechters stellen vast en oordelen dat: - de veroordeelde zaakvoerders van de vennootschap hun bestuursmandaat hebben misbruikt om via de vennootschap btw-fraude te plegen waarbij zij de door de fiscus ten onrechte uitgekeerde btw-tegoeden hebben onttrokken aan het vermogen van de vennootschap om zich persoonlijk te verrijken; - door hun strafbare handelingen zij de vennootschap hebben opgezadeld met een belangrijke schuld ten aanzien van de fiscus die de ten onrechte aan de vennootschap uitbetaalde bedragen inzake btw tracht te recupereren, en zij bijgevolg schade hebben toegebracht aan de vennootschap; - de burgerlijke vordering tot herstel van de schade van de vennootschap ingevolge de misdrijven die de veroordeelde zaakvoerders hebben gepleegd, ontstaat op het tijdstip waarop de inbreuken op de strafwet zijn gepleegd; - de vordering tot schadevergoeding die de vennootschap buiten faillissement zelf kon uitoefenen, gelet op de buitenbezitstelling na faillissement wordt uitgeoefend door de curator; - herstel van de schade ook mogelijk is door een verbeurdverklaring met toewijzing aan de burgerlijke partij; - de toewijzing aan de burgerlijke partij maar kan gebeuren in zoverre vaststaat dat de burgerlijke vordering van die partij minstens gegrond is ten belope van het toegewezen bedrag; - als de eiseres de burgerlijke vordering tot schadevergoeding uitoefent en een deel van de schade wordt geremedieerd door de verbeurdverklaring met toewijzing, is dat wegens het gemengde karakter van de verbeurdverklaring met toewijzing, ook tot vergoeding van de schade die de gefailleerde vennootschap leed; - het vorderingsrecht van de eiseres ten aanzien van de Belgische Staat wegens de bijzondere verbeurdverklaring met toewijzing dan ook volledig is geënt op de vordering tot schadevergoeding die toebehoorde aan de vennootschap vóór het faillissement en die na het faillissement door de eiseres wordt uitgeoefend voor rekening van de boedel; - het bijgevolg niet gaat om een schuldvordering van de boedel, maar om een schuldvordering in de boedel, zodat schuldvergelijking op basis van artikel 32, § 2, COIV-wet mogelijk is.
  5. De appelrechters die zodoende oordelen dat schuldvergelijking mogelijk is tussen de fiscale schulden van de gefailleerde vennootschap die vóór het faillissement zijn ontstaan en de vordering van de eiseres ten aanzien van het COIV wegens de bijzondere verbeurdverklaring met toewijzing, die ontstaan is na het faillissement van de vennootschap, maar voortvloeit uit de uitoefening van de vordering tot schadevergoeding die vóór het faillissement is ontstaan, verantwoorden hun beslissing naar recht. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. (…) Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiseres tot de kosten. Bepaalt de kosten voor de eiseres in debet op 428,61 euro en op de som van 650 euro rolrecht verschuldigd aan de Belgische Staat. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Geert Jocqué, als voorzitter, en de raadsheren Bart Wylleman, Sven Mosselmans, Myriam Ghyselen en Michael Traest, en in openbare rechtszitting van 6 juni 2024 uitgesproken door sectievoorzitter Geert Jocqué, in aanwezigheid van advocaat-generaal Stijn Ravyse, met bijstand van griffier Elien Van Isterdael. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240606.1N.9 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240606.1N.9 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.