id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 11 juni 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240611.2N.1 Rolnummer: P.24.0200.N Zaak: I. contra Y. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Unierecht - Internationaal publiekrecht Invoerdatum: 2024-06-20 Raadplegingen: 1013 - laatst gezien 2026-06-18 22:08 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiches 1 - 3 Artikel 3.1 e-privacy Richtlijn bepaalt dat deze richtlijn van toepassing is op de verwerking van persoonsgegevens in verband met de levering van openbare elektronische-communicatiediensten over openbare communicatienetwerken in de Gemeenschap zodat deze richtlijn en de erop gesteunde rechtspraak van het Hof van Justitie geen betrekking hebben op communicatiegegevens of verkeers- en locatiegegevens die zijn ontdekt ingevolge een rechtstreekse interceptiemaatregel op een privaat communicatienetwerk, die door een onderzoeksrechter rechtsgeldig is bevolen in het kader van de bij hem aanhangig gemaakte feiten aangezien er dan geen sprake is van een verwerking van persoonsgegevens door een openbare elektronische-communicatiedienst
(1).
(1)P. VANDENBRUWAENE, “Dataretentie: de zoektocht naar een veilige haven”, RW 2022-2023, 323-
- Cass. 30 januari 2024, AR P.23.1581.N ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240130.2N.7, AC 2024, nr.
- Thesaurus CAS: ONDERZOEK IN STRAFZAKEN - GERECHTELIJK ONDERZOEK - Onderzoeksverrichtingen Wettelijke bepalingen: Richtlijn 2002/58/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 juli 2002 betreffende de verwerking van persoonsgegevens en de bescherming van de persoonlijke levenssfeer in de sector elektronische communicatie - 12-07-2002 - Art. 3.1 Thesaurus CAS: EUROPESE UNIE - ALLERLEI Wettelijke bepalingen: Richtlijn 2002/58/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 juli 2002 betreffende de verwerking van persoonsgegevens en de bescherming van de persoonlijke levenssfeer in de sector elektronische communicatie - 12-07-2002 - Art. 3.1 Thesaurus CAS: BEWIJS - STRAFZAKEN - Bewijsvoering Wettelijke bepalingen: Richtlijn 2002/58/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 juli 2002 betreffende de verwerking van persoonsgegevens en de bescherming van de persoonlijke levenssfeer in de sector elektronische communicatie - 12-07-2002 - Art. 3.1 Fiches 4 - 6 Het doeltreffendheidscriterium zoals vooropgesteld in de rechtspraak van het Hof van Justitie houdt in dat de in een lidstaat toepasselijke bewijsuitsluitingsregeling in strafzaken de uitoefening van de door het Unierecht verleende rechten in de praktijk niet onmogelijk of uiterst moeilijk mag maken en het brengt aldus voor de nationale strafrechter de verplichting mee om informatie en bewijzen die door middel van een met het Unierecht onverenigbare algemene en ongedifferentieerde bewaring van verkeers- en locatiegegevens zijn verkregen, in het kader van een strafrechtelijke procedure tegen personen die worden verdacht van strafbare handelingen buiten beschouwing te laten indien die personen niet in de gelegenheid zijn om doeltreffend commentaar te leveren op die informatie en die bewijzen, die betrekking hebben op een gebied waarvan de rechter geen kennis heeft en een doorslaggevende invloed kunnen hebben op de beoordeling van de feiten; het doeltreffendheidscriterium verplicht de rechter evenwel niet om in strijd met het Unierecht verkregen communicatiegegevens die de speurders op het spoor van een verdachte hebben gezet, maar voor het overige niet doorslaggevend zijn voor de beslissing over diens schuldigverklaring, uit het bewijs te weren, indien de betrokkene niet is gehinderd in zijn mogelijkheid om over die gegevens tegenspraak te voeren en er is voldaan aan de andere voorwaarden van artikel 32 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering; retroactieve verkeers- en locatiegegevens, ook wanneer zij algemeen en ongedifferentieerd zijn bewaard, zijn als dusdanig niet dermate technisch of gecompliceerd dat zij noodzakelijkerwijze ontsnappen aan de kennis van de rechter of dat een beklaagde zich daarop niet nuttig of effectief kan verdedigen
(1).
(1)Cass. 30 januari 2024, AR P.23.1581.N ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240130.2N.7, AC 2024, nr. 82; Cass. 29 maart 2023, AR P.21.1422.N ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220329.2N.1, AC 2022, nr. 221; Cass. 29 maart 2022, AR P.22.0078.N ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220329.2N.15, AC 2022, nr. 226; Cass. 25 januari 2022, AR P.21.1353.N ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220125.2N.3, AC 2022, nr. 60; HvJ (Grote Kamer), 2 maart 2021, C-746/18, nr. 41-44; HvJ (Grote Kamer), 6 oktober 2020, arresten C-511/18, C-512/18 en C-520/18, nrs. 221-228. Thesaurus CAS: ONDERZOEK IN STRAFZAKEN - GERECHTELIJK ONDERZOEK - Onderzoeksverrichtingen Wettelijke bepalingen: Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Art. 32 - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Thesaurus CAS: EUROPESE UNIE - ALLERLEI Wettelijke bepalingen: Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Art. 32 - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Thesaurus CAS: RECHT VAN VERDEDIGING - STRAFZAKEN Wettelijke bepalingen: Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Art. 32 - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Fiches 7 - 9 Wanneer de beslissing over de schuldigverklaring van een beklaagde steun vindt in bewijsmateriaal dat in het buitenland is verkregen ingevolge een Belgisch internationaal rechtshulpverzoek en het strafdossier enkel stukken bevat waaruit de uitvoering van dat verzoek blijkt, kan de beklaagde op grond van artikel 13 Wet Internationale Rechtshulp vragen om de voorlegging van een gegeven waaruit blijkt dat het bewijsmateriaal voldoet aan de in het buitenland geldende wettigheidsvereisten; het recht van verdediging van de beklaagde vereist dat die gegevens hem toelaten het in het buitenland verkregen bewijsmateriaal in concreto te betwisten en de rechter oordeelt welke gegevens daarvoor eventueel nog aan het strafdossier moeten worden gevoegd en die gegevens kunnen bestaan in de beslissing van een buitenlandse rechterlijke overheid die de uitvoering van het internationaal rechtshulpverzoek heeft gemachtigd of wettig verklaard
(1).
(1)Cass. 30 januari 2024, AR P.23.1581.N ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240130.2N.7, AC 2024, nr. 82; Cass. 19 oktober 2021, AR P.21.0965.N ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211019.2N.12, AC 2021, nr. 655 met concl. van advocaat-generaal B. DE SMET. Thesaurus CAS: INTERNATIONALE RECHTSHULP Wettelijke bepalingen: Wet 9 december 2004 betreffende de internationale politiële verstrekking van gegevens van persoonlijke aard en informatie met gerechtelijke finaliteit, de wederzijdse internationale rechtshulp in strafzaken en tot wijziging van artikel 90ter van het ... - 09-12-2004 - Art. 13 - 40 ELI link Pub nr 2004009876 Thesaurus CAS: BEWIJS - STRAFZAKEN - Bewijsvoering Wettelijke bepalingen: Wet 9 december 2004 betreffende de internationale politiële verstrekking van gegevens van persoonlijke aard en informatie met gerechtelijke finaliteit, de wederzijdse internationale rechtshulp in strafzaken en tot wijziging van artikel 90ter van het ... - 09-12-2004 - Art. 13 - 40 ELI link Pub nr 2004009876 Thesaurus CAS: RECHT VAN VERDEDIGING - STRAFZAKEN Wettelijke bepalingen: Wet 9 december 2004 betreffende de internationale politiële verstrekking van gegevens van persoonlijke aard en informatie met gerechtelijke finaliteit, de wederzijdse internationale rechtshulp in strafzaken en tot wijziging van artikel 90ter van het ... - 09-12-2004 - Art. 13 - 40 ELI link Pub nr 2004009876 Tekst van de beslissing Nr. P.24.0200.N I M. I., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Johan Vangenechten, advocaat bij de balie Antwerpen, tegen R. S. Y., burgerlijke partij, verweerder. II D. M., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Nino Darsalia, advocaat bij de balie Oudenaarde, tegen R. S. Y., reeds vermeld, burgerlijke partij, verweerder. III M. R. C., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Sam Vlaminck, advocaat bij de balie Antwerpen, met kantoor te 2000 Antwerpen, Kasteelpleinstraat 30, waar de eiser woonplaats kiest, tegen ANTWERP EUROTERMINAL nv, met zetel te 9130 Beveren, Blikken – Kaai 1333, burgerlijke partij, verweerster. IV M. R. CH., reeds vermeld, beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Sam Vlaminck, advocaat bij de balie Antwerpen, met kantoor te 2000 Antwerpen, Kasteelpleinstraat 30, waar de eiser woonplaats kiest. V M. M. I., beklaagde, aangehouden, eiser, met als raadsman mr. Joke Bleys, advocaat bij de balie Antwerpen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen I, II, III en V zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 17 januari 2024 (hierna arrest I). Het cassatieberoep IV is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, kamer van inbeschuldigingstelling, van 12 augustus 2022 (hierna arrest II). De eiser I voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. De eiser II voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. De eiser III voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vier middelen aan. De eiser IV voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. De eiser V voert geen middel aan. De eiser III doet afstand van zijn cassatieberoep in zoverre het gericht is tegen de beslissing op burgerlijk gebied. Raadsheer Erwin Francis heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Alain Winants heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van de cassatieberoepen
- Het arrest I verklaart de strafvordering in de zaak II met betrekking tot de telastleggingen A en C ten aanzien van de eiser III niet ontvankelijk. In zoverre ook gericht tegen die beslissing, is het cassatieberoep III bij gebrek aan belang niet ontvankelijk.
- Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat de eiser I zijn cassatieberoep heeft laten betekenen aan de verweerder I, zoals nochtans vereist door artikel 427 Wetboek van Strafvordering.
- Uit die stukken blijkt evenmin dat de eiser II zijn cassatieberoep heeft laten betekenen aan de verweerder II.
- In zoverre gericht tegen de beslissingen op de burgerlijke rechtsvorderingen van de verweerder I-II, zijn de cassatieberoepen I en II niet ontvankelijk. Ontvankelijkheid van de memorie van de eiser I
- Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat de eiser I zijn memorie ter kennis van de verweerder I heeft gebracht, zoals nochtans vereist door artikel 429 Wetboek van Strafvordering. In zoverre gericht tegen de beslissing op de burgerlijke rechtsvordering van de verweerder I, is de memorie van de eiser I niet ontvankelijk. Eerste middel van de eiser II Eerste onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet, alsmede miskenning van de motiveringsplicht in strafzaken: eensdeels motiveert het arrest I de schuldigverklaring van de eiser II aan de telastleggingen A (poging afpersing met verzwarende omstandigheden) en C (wederrechtelijke en willekeurige gevangenhouding) van de zaak II door de overname van de redenen van het beroepen vonnis (p. 30-37, nr. 3.3, 3.4 en 3.5); die redenen zijn echter niet nauwkeurig en gebrekkig; het arrest I houdt bovendien geen rekening met de grieven en het verweer dat de eiser II tegen die redenen heeft aangevoerd; het oordeelt ten onrechte dat de eiser II die redenen niet heeft aangevochten; anderdeels verklaart het arrest I met eigen redenen de verklaringen van het slachtoffer geloofwaardig louter op basis van de communicatie gevoerd via SKY ECC, maar zonder enige verwijzing naar een specifiek bericht of een bepaalde afgebakende communicatie; daarentegen heeft de eiser II zijn aanwezigheid bij de feiten betwist aan de hand van onder meer SKY-communicaties; het arrest I beantwoordt dat verweer niet.
- Het arrest I (p. 126) oordeelt niet dat de eiser II de redenen die het arrest overneemt van het beroepen vonnis niet heeft aangevochten, maar wel dat de eiser II die redenen niet heeft weerlegd. In zoverre berust het onderdeel op een onjuiste lezing van het arrest I en mist het feitelijke grondslag.
- Het onderdeel preciseert niet op welke kritiek of op welk verweer, die de eiser II voor de appelrechters heeft aangevoerd, het arrest I niet antwoordt. In zoverre is het onderdeel onduidelijk en bijgevolg niet ontvankelijk.
- De appelrechter mag zijn beslissing motiveren door de overname van de redenen van het beroepen vonnis die hij nog steeds passend acht om het voor hem gevoerde verweer te beantwoorden, ook al worden die redenen betwist of wordt voor hem een nieuw verweer gevoerd.
- De verplichting van artikel 149 Grondwet elk vonnis met redenen te omkleden, houdt niet in dat de rechter moet antwoorden op elk argument dat een partij in conclusie louter ter ondersteuning van zijn verweer aanwendt, maar dat zelf geen zelfstanding verweer uitmaakt.
- In zoverre het onderdeel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
- Met redenen die het overneemt van het beroepen vonnis en met eigen redenen steunt het arrest I (p. 123-135) de schuld van de eiser II aan de feiten van de telastleggingen A en C van de zaak II onder meer op het volgende: - de verklaring van de eisers I en II dat zij samen naar Portugal zijn gereisd louter om te bemiddelen en dat zij dezelfde dag zijn teruggekeerd nadat de partijen zich op straat hadden verzoend, evenals de verklaring dat de ontvoering en poging tot afpersing in scène zouden zijn gezet, is ongeloofwaardig gelet op de spraakberichten en de verklaringen van het slachtoffer en van getuigen; - het slachtoffer verklaart gedetailleerd hoe hij werd ontvoerd en vastgehouden in de houten chalet in Portugal en hij duidt onder meer de eisers I en II aan als betrokkenen. Hij werd geslagen, vastgebonden aan een stoel en geblinddoekt en er werden sigaretten uitgeduwd op zijn lichaam. Zijn verklaring wordt integraal ondersteund door de communicatie gevoerd via de SKY-toestellen; - de eisers I en II zijn alleszins mededaders van de feiten van de telastleggingen A en C. Zij waren immers actief betrokken bij het “terugeisen” van de beweerdelijk gestolen gelden en zij hebben ook geweld gebruikt, hetgeen blijkt uit de gedetailleerde verklaring van het slachtoffer; - de eisers I en II hebben de eiser V twee weken voor de ontvoering vergezeld bij een bezoek aan de verweerder I-II, dit is de oom van het slachtoffer, om geld te eisen dat het slachtoffer van hen zou hebben gestolen; - ter gelegenheid van SKY-gesprekken van 12 en 13 januari 2021 heeft de eiser V aan de eiser III de betrokkenheid van de eisers I en II bij de feiten bevestigd; - het staat vast dat alle betrokkenen naar Lissabon gegaan zijn, niet op vakantie maar wel om met het nodige geweld ervoor te zorgen dat de door het slachtoffer van de organisatie gestolen gelden zouden kunnen worden gerecupereerd; - wat betreft de driestheid en de brutaliteit van het geweld waar deze criminele organisatie niet voor terugdeinst en het gewelddadige karakter van de strafexpeditie ten overstaan van het slachtoffer, verwijst het hof van beroep bij wijze van voorbeeld naar de inhoud van een aantal gesprekken die tussen andere beklaagden werden gevoerd via SKY ECC; - gelet op alle voorliggende dossiergegevens hecht het hof van beroep geloof aan de verklaring van het slachtoffer, die uitvoerig details weergaf van de feiten waarvan hij het slachtoffer is geworden in Lissabon en die integraal worden ondersteund door de communicatie gevoerd via SKY ECC. Met die redenen, die niet louter steunen op SKY-communicaties, vermeldt het arrest I de precieze gegevens op grond waarvan het oordeelt dat de eiser II wel degelijk aanwezig was bij de feiten van de telastleggingen A en C en dat hij heeft deelgenomen aan die feiten. Aldus motiveert het arrest I eisers schuldigverklaring aan die feiten en is de beslissing regelmatig met redenen omkleed, zonder dat het arrest moet antwoorden op argumenten die de eiser II enkel heeft aangevoerd tot staving van zijn verweer, maar die geen zelfstandig verweer uitmaakten. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Tweede onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet, alsmede miskenning van de motiveringsplicht in strafzaken: het arrest I verklaart de eiser II schuldig aan de feiten van de telastlegging D.1 van de zaak II (betrokkenheid bij een criminele organisatie); het verwijst daarvoor naar de redenen van het beroepen vonnis (p. 30-37, nr. 3.3, 3.4 en 3.5); het beroepen vonnis vermeldt echter niets over de eiser II voor wat betreft de telastlegging D.1; het arrest I beantwoordt eisers kritiek op dat gebrek aan motivering niet; ook met eigen redenen motiveert het arrest I niet waarom de eiser II zich boven elke redelijke twijfel schuldig heeft gemaakt aan alle constitutieve bestanddelen van de telastlegging D.
- In zoverre het onderdeel het arrest I verwijt zijn verweer in verband met zijn schuld aan de telastlegging D.1 niet te beantwoorden, zonder dat verweer te preciseren, is het onduidelijk en bijgevolg niet ontvankelijk.
- Eensdeels oordeelt het arrest I dat de criminele organisatie vanuit Antwerpen actief was in de internationale drughandel. Anderdeels leidt het (p. 128) uit de deelname van de eisers I en II aan de feiten van de telastleggingen A en C van de zaak II af dat “Ook wat betreft [de eisers I en II] het hof (van beroep) dan ook overtuigd [is] dat zij zich meteen hebben laten inschakelen in voormelde criminele organisatie om de gestolen gelden en cocaïne te kunnen terugkrijgen.” Aldus oordeelt het arrest I dat de eiser II wetens en willens betrokken was bij de vermelde criminele organisatie, waarvan hij wist dat die gebruik maakte van geweld, zoals bepaald in artikel 324ter, § 1, Strafwetboek. Die beslissing is regelmatig met redenen omkleed. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Tweede middel van de eiser II
- Het middel voert schending aan van de artikelen 1319 en 1320 oud Burgerlijk Wetboek, thans de artikelen 8.17 en 8.18 Burgerlijk Wetboek, alsmede miskenning van de bewijskracht van akten: het arrest I verklaart de eiser II schuldig aan de feiten van de telastleggingen A en C van de zaak II op grond van de vaststelling dat de eiser II aanwezig was bij de gijzeling van 27 januari 2021; het baseert die vaststelling op de verklaring van het slachtoffer, “dewelke integraal ondersteund worden door de communicatie gevoerd via SKY ECC”; de SKY ECC-communicatie die de eiser II in zijn appelconclusie heeft geciteerd, toont echter net aan dat hij niet bij de feiten aanwezig was, zoals uiteengezet in zijn appelconclusie; aldus miskent het arrest I de bewijskracht van de door de eiser II aangehaalde SKY ECC-berichten.
- Het arrest I geeft geen uitlegging van de door de eiser II aangehaalde SKY ECC-berichten, maar het beoordeelt enkel de bewijswaarde ervan. Het middel mist feitelijke grondslag. Middel van de eiser I
- Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het arrest I verklaart de eiser I schuldig aan de feiten van de telastleggingen A (poging afpersing met verzwarende omstandigheden), C (wederrechtelijke en willekeurige gevangenhouding), D.1 (betrokkenheid bij een criminele organisatie) en E (opzettelijke slagen met verzwarende omstandigheden) van de zaak II; het motiveert die schuldigverklaring met een verwijzing naar de redenen van het beroepen vonnis (p. 30-37, nr. 3.3, 3.4 en 3.5) en het voegt, met verwijzing naar SKY-communicaties, daaraan toe dat de criminele organisatie actief was in de internationale drughandel; met die redenen motiveert het arrest I niet specifiek en individueel waarom de eiser I betrokken zou zijn bij een criminele organisatie, terwijl de eiser I dat heeft betwist; eisers betrokkenheid blijkt in elk geval niet louter uit zijn schuldigverklaring aan de andere telastleggingen van de zaak II.
- Met de redenen die het overneemt van het beroepen vonnis en de eigen redenen die het (p. 123-135) bevat, waaronder de redenen vermeld onder het eerste middel van de eiser II, oordeelt het arrest I dat de eiser I betrokken was bij de criminele organisatie, die vanuit Antwerpen actief was in de internationale drughandel, omdat de eiser I zich met het plegen van de feiten van de telastleggingen A, C en E van de zaak II in die organisatie heeft laten inschakelen om de gestolen gelden en cocaïne te kunnen terugkrijgen. Aldus motiveert het arrest I wel degelijk specifiek en individueel waarom de eiser I betrokken was bij de criminele organisatie en is de beslissing regelmatig met redenen omkleed. Het middel kan niet worden aangenomen. Eerste middel van de eiser III
- Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 780 Gerechtelijk Wetboek: het arrest I oordeelt dat de via het SKY ECC-netwerk onderschepte gegevens niet in strijd met de artikelen 7 en 8 Handvest Grondrechten EU zijn bewaard en dienvolgens geen onregelmatig verkregen bewijs uitmaken; het motiveert deze beslissing louter met de reden dat de verzameling en bewaring van de desbetreffende via het SKY ECC-netwerk onderschepte data niet onder het toepassingsgebied van de richtlijn 2002/58/EG van 12 juli 2002 betreffende de verwerking van persoonsgegevens en de bescherming van de persoonlijke levenssfeer in de sector elektronische communicatie (hierna e-privacy Richtlijn) vallen; daarmee beantwoordt het arrest I niet eisers standpunt, dat steunt op de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie, zoals verwoord in het arrest Digital Rights Ireland (arrest I nr. C-293/12 en C-594/12 van 8 april 2014, nr. 58 en 59), die ruimer is dan de loutere vraag naar de toepasbaarheid van die richtlijn.
- Artikel 780 Gerechtelijk Wetboek is niet van toepassing in strafzaken. In zoverre het middel schending van dat artikel aanvoert, faalt het naar recht.
- Het arrest I (p. 102-103) oordeelt: - “In het algemeen wordt opgemerkt dat wanneer een reguliere gebruiker toegang wil krijgen tot het netwerk dit gebeurt via een publieke APN-verbinding (APN of ‘Acces Point Name’ is de naam van de toegangspoort waarmee een smartphone toegang tot het internet krijgt) van de provider. De providers hebben dan zicht op de verkeers- en lokalisatiegegevens van de gebruiker. In geval van SKY ECC echter werd er gebruik gemaakt van een private APN-instelling die de SKY-smartphone rechtstreeks verbond met het eigen SKY ECC-netwerk (servers die gehost werden in Frankrijk bij de Franse provider OVH te Roubaix). Zo werden private datasessies tot stand gebracht overheen de reguliere zendmasten, weze het dat deze ontsnapten aan de reguliere interceptiemogelijkheden. SKY ECC is dan ook niet te beschouwen als een publieke provider”; - “Van een verwerking van de werkelijke persoonsgegevens door een elektronische communicatiedienst via een openbaar communicatienetwerk was dan ook geen sprake bij de interceptie van deze SKY-data. De activiteiten van SKY ECC vallen niet onder de werkingssfeer van Richtlijn 2002/58 met betrekking tot de privacy en elektronische communicatie. Hogervermelde dataretentieprincipes hebben immers enkel betrekking op de gegevens die gegenereerd of verwerkt werden door de openbare providers of communicatienetwerken. Deze dataretentieregels slaan evenmin op de inhoud van de geïntercepteerde SKY-berichten zelf gezien deze afkomstig zijn van de Franse tapbevelen in een autonoom Frans onderzoek, (…). In het licht van hogervermelde rechtspraak van het Hof van Justitie en het Grondwettelijk Hof dat de Wet van 29 mei 2016 betreffende de elektronische communicatie gedeeltelijk heeft vernietigd, gaat het dan ook enkel om deze door de openbare providers beperkte opgevraagde en bewaarde data gegevens die werden bewaard in strijd met het Unierecht en de artikelen 7 en 8 van het Handvest Grondrechten EU en zijn dus enkel deze als onregelmatig verkregen te beschouwen.”
- Met die redenen oordeelt het arrest I dat de e-privacy Richtlijn en de artikelen 7 en 8 Handvest Grondrechten EU, alsook de op die richtlijn en die artikelen gesteunde rechtspraak van het Hof van Justitie inzake dataretentie, niet van toepassing zijn op de in het middel vermelde communicatie. Aldus verwerpt en beantwoordt het arrest I eisers verweer over de draagwijdte van de artikelen 7 en 8 Handvest Grondrechten EU, zonder dat het dient te antwoorden op alle tot staving van dat verweer aangevoerde argumenten die geen zelfstandig verweer uitmaken. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Tweede middel van de eiser III
- Het middel voert schending aan van de artikelen 6.1 en 8 EVRM en de artikelen 7 en 8 Handvest Grondrechten EU, alsmede miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging: het arrest I oordeelt ten onrechte dat de onderschepte gegevens, in het bijzonder de communicatie die over het SKY ECC-netwerk werd gevoerd, niet onderworpen was aan de toen geldende dataretentiewetgeving aangezien SKY ECC geen publieke provider of communicatienetwerk was in de zin van de e-privacy Richtlijn; het oordeelt vervolgens dat de gedeeltelijke vernietiging van de betreffende dataretentiewetgeving niet tot gevolg heeft dat die gegevens onregelmatig verkregen bewijs uitmaken, noch nietig dienen te worden verklaard of dienen te worden geweerd; uit de rechtspraak van het Hof van Justitie, meer bepaald het arrest Digital Rights Ireland, volgt echter dat het verzamelen van alle communicatie van alle gebruikers van een bepaalde software, alsook de bijhorende bewaring van en toegang tot die persoonsgegevens, zonder beperking naar periode, geografische zone en kring van bepaalde personen die op een of andere wijze betrokken kunnen zijn bij zware criminaliteit, een inbreuk vormt op de artikelen 7 en 8 Handvest Grondrechten EU.
- Het arrest I oordeelt niet dat andere dan over het SKY ECC-netwerk gevoerde communicatie geen onregelmatig verkregen bewijs uitmaakt. Het oordeelt integendeel dat dit wel onregelmatig verkregen bewijs uitmaakt, maar dat het niet dient te worden nietig verklaard of dient te worden geweerd uit het bewijs op grond van de criteria bepaald in artikel 32 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering, rekening houdend met de beginselen van doeltreffendheid en evenredigheid zoals vooropgesteld in de rechtspraak van het Hof van Justitie. In zoverre berust het middel op een onjuiste lezing van het arrest I en mist het feitelijke grondslag.
- Artikel 3.1 e-privacy Richtlijn bepaalt dat deze richtlijn van toepassing is op de verwerking van persoonsgegevens in verband met de levering van openbare elektronische-communicatiediensten over openbare communicatienetwerken in de Gemeenschap. Bijgevolg hebben noch deze richtlijn noch de artikelen 7 en 8 Handvest Grondrechten EU, evenmin als de daarop gesteunde rechtspraak van het Hof van Justitie, betrekking op communicatiegegevens of verkeers- en locatiegegevens die zijn ontdekt ingevolge een door de onderzoeksrechter bevolen rechtstreekse interceptiemaatregel op een privaat communicatienetwerk. Er is dan immers geen sprake van een verwerking van persoonsgegevens door een openbare elektronische-communicatiedienst. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. Derde middel van de eiser III
- Het middel voert schending aan van de artikelen 6.1 en 8 EVRM en de artikelen 7 en 8 Handvest Grondrechten EU, alsmede miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging: het arrest I oordeelt dat er gegevens in strijd met het recht van de Europese Unie en met de artikelen 7 en 8 Handvest Grondrechten EU werden bewaard en aldus onregelmatig verkregen bewijs uitmaken, maar oordeelt vervolgens ten onrechte dat dit bewijs en het op basis daarvan verder verkregen bewijs niet uit het debat dienen te worden geweerd op grond van artikel 32 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering; overeenkomstig het doeltreffendheidsbeginsel in de context van het recht op een eerlijk proces moet tot bewijsuitsluiting worden beslist indien een beklaagde niet in de mogelijkheid is om doeltreffend commentaar te leveren op onregelmatig verkregen bewijs, dat betrekking heeft op een gebied waarvan de rechter geen kennis heeft en dat een doorslaggevende invloed kan hebben op de beoordeling van de feiten; het louter voorleggen van telecomgegevens volstaat niet ter voldoening van het doeltreffendheidsbeginsel; de onregelmatig verkregen telecomgegevens zijn wel degelijk doorslaggevend geweest aangezien de identificatie van de eiser III als gebruiker van SKY ECC PINS integraal wordt gebaseerd op die gegevens en de cascade van informatie die erdoor is opgeleverd; het gaat hier bovendien om complexe en technische gegevens, die voor meerdere interpretaties vatbaar zijn.
- Het doeltreffendheidscriterium zoals vooropgesteld in de rechtspraak van het Hof van Justitie houdt in dat de in een lidstaat toepasselijke bewijsuitsluitingsregeling in strafzaken de uitoefening van de door het Unierecht verleende rechten in de praktijk niet onmogelijk of uiterst moeilijk mag maken. Aldus brengt het doeltreffendheidscriterium voor de nationale strafrechter de verplichting mee om informatie en bewijzen die door middel van een met het Unierecht onverenigbare algemene en ongedifferentieerde bewaring van verkeers- en locatiegegevens zijn verkregen, in het kader van een strafrechtelijke procedure tegen personen die worden verdacht van strafbare handelingen buiten beschouwing te laten indien die personen niet in de gelegenheid zijn om doeltreffend commentaar te leveren op die informatie en die bewijzen, die betrekking hebben op een gebied waarvan de rechter geen kennis heeft en die een doorslaggevende invloed kunnen hebben op de beoordeling van de feiten.
- Het doeltreffendheidscriterium verplicht de rechter evenwel niet om in strijd met het Unierecht verkregen communicatiegegevens die de speurders op het spoor van een verdachte hebben gezet, maar voor het overige niet doorslaggevend zijn voor de beslissing over diens schuldigverklaring, uit het bewijs te weren, indien de betrokkene niet is gehinderd in zijn mogelijkheid om over die gegevens tegenspraak te voeren en er is voldaan aan de andere voorwaarden van artikel 32 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering.
- Retroactieve verkeers- en locatiegegevens, ook wanneer zij algemeen en ongedifferentieerd zijn bewaard, zijn als dusdanig niet dermate technisch of gecompliceerd dat zij noodzakelijkerwijze ontsnappen aan de kennis van de rechter of dat een beklaagde zich daarop niet nuttig of effectief kan verdedigen.
- Het Hof gaat wel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die niet te verenigen zijn met het doeltreffendheidscriterium.
- In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
- Het arrest I (p. 103-106) oordeelt dat het rekening houdt met de door het Hof van Justitie bepaalde vereisten met het oog op het vrijwaren van de gelijkwaardigheid en de doeltreffendheid van de door het Unierecht geboden rechtsbescherming, alsook onder meer: “Het hof (van beroep) stelt vast dat het recht op een eerlijk proces ten allen tijde is gewaarborgd gebleven, dit eveneens in het licht van de hoger vermelde preciseringen door het Hof van Justitie. a. De verdediging heeft in de loop van de debatten ten gronde ruimschoots de gelegenheid gekregen om doeltreffend commentaar te leveren omtrent alle in dit dossier verkregen bewijselementen, inclusief de beperkt verkregen dataretentiegegevens. Omtrent deze gedane vaststellingen kon vrij tegenspraak gevoerd worden en alle middelen konden aangevoerd worden die nuttig werden geacht voor hun verdediging. Alle zendmastbepalingen die het onderzoek heeft opgeleverd zijn ter beschikking van alle partijen. b. Het aldus voorliggende bewijs heeft naar het oordeel van het hof (van beroep) geen betrekking op een gebied waarvan de rechter geen kennis heeft. De bij de telecomoperatoren bewaarde en opgevraagde gegevens betreffen objectieve vaststaande gegevens die geen nader wetenschappelijk onderzoek of expertise vergen. Bovendien zijn zij door hun aard, namelijk een zuivere opsomming van gegevens, niet voor meerdere interpretaties vatbaar. Deze zijn eenvoudig te raadplegen door eenieder en vereisen geen bijzondere technische of wetenschappelijke kennis, gezien deze net als andere voorliggende dossierelementen eenvoudigweg te raadplegen zijn. Het gegeven dat deze onderzoeksgegevens nadien verder worden geanalyseerd en verwerkt in het licht van de andere dossierelementen door de onderzoekers is een stap verder in het speurwerk van de onderzoekers en staat op zich los van de zuivere bewaring en toegang tot de bewaarde telecommunicatiegegevens. c. Verder dient het hof (van beroep) op basis van alle voorliggende dossiergegevens vast te stellen dat deze opgevraagde bewaarde zendmastgegevens in casu geenszins doorslaggevend zijn bij de beoordeling van het bewijs van de feiten. Deze zoals reeds aangegeven beperkte datagegevens betreffen in het kader van voorliggend dossier immers slechts één van de elementen die geleid hebben tot enkel de identificaties van beklaagden als houder van welbepaalde PINS. De schuld zelf is hoofdzakelijk gesteund op de inhoud van de door hen gevoerde communicaties via SKY ECC.”
- Op grond van die redenen, die niet worden tegengesproken door andere redenen van het arrest I, kunnen de appelrechters wettig oordelen dat door het gebruik van de betwiste communicatiegegevens het recht op een eerlijk proces van de eiser III niet wordt miskend. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.
- In zoverre het middel voor het overige opkomt tegen het onaantastbare oordeel van de appelrechters over de feiten of verplicht tot een onderzoek van feiten, waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft, is het niet ontvankelijk. Vierde middel van de eiser III
- Het middel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM en artikel 13 van de wet van 9 december 2004 betreffende de internationale politiële verstrekking van gegevens van persoonlijke aard en informatie met gerechtelijke finaliteit, de wederzijdse internationale rechtshulp in strafzaken en tot wijziging van artikel 90ter van het Wetboek van Strafvordering (hierna Wet Internationale Rechtshulp), alsmede miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging: het arrest I oordeelt ten onrechte dat niet dient te worden besloten tot de wering van de via het zogenaamde moederdossier uit Frankrijk verkregen bewijselementen, tot enige miskenning van het recht van verdediging of het recht op een eerlijk proces of tot de niet-ontvankelijkheid van de strafprocedure; aan het voorliggende dossier zijn slechts in beperkte mate stukken toegevoegd van het moederdossier, dit is het gerechtelijk onderzoek 2019/80 onder leiding van onderzoeksrechter Van Linthout; die gegevens laten niet toe de regelmatigheid, rechtmatigheid en betrouwbaarheid van het in het buitenland vergaarde bewijs, waarop de veroordeling van de eiser III steunt, te controleren en in concreto te betwisten; het recht van verdediging vereist dat die gegevens zouden worden voorgelegd die het aan de beklaagde toelaten om het in het buitenland verkregen bewijsmateriaal concreet te betwisten; in tegenstelling tot wat het arrest I oordeelt, moet een beklaagde daarvoor niet eerst aannemelijk maken dat het bewijs op een onregelmatige wijze is verkregen.
- Wanneer de beslissing over de schuldigverklaring van een beklaagde steun vindt in bewijsmateriaal dat vanuit een buitenlands onderzoeksdossier is overgemaakt, heeft een beklaagde op grond van artikel 13 Wet Internationale Rechtshulp het recht te vragen om de voorlegging van een gegeven waaruit blijkt dat dit bewijsmateriaal voldoet aan de in het buitenland geldende wettigheidsvereisten. Daarvoor moet de beklaagde niet eerst aannemelijk maken dat het bewijs op onregelmatige wijze is verkregen.
- Het recht van verdediging van de beklaagde vereist bovendien dat het vermelde gegeven hem toelaat het vermelde bewijsmateriaal in concreto te betwisten.
- Dit verleent aan de beklaagde echter nog niet het recht om de voeging te vragen van het ganse buitenlandse onderzoeksdossier, om de enkele reden dat hij de regelmatigheid van alle in het buitenland verkregen bewijsmateriaal wil nagaan. Daarvoor moet de beklaagde wel eerst een onregelmatigheid aannemelijk maken in minstens één bewijselement dat belang heeft voor de beslissing in verband met zijn schuld.
- De rechter oordeelt op grond van het hem voorgelegde strafdossier onaantastbaar welke gegevens eventueel nog aan dat dossier moeten worden gevoegd ter vrijwaring van de voormelde rechten van de beklaagde. Dat gegeven moet niet noodzakelijk bestaan uit een buitenlandse rechterlijke machtiging tot het uitvoeren van een bepaalde onderzoekshandeling. Het Hof gaat wel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen niet te verantwoorden gevolgen afleidt.
- Het arrest I (p. 47-55), dat oordeelt in dezelfde zin zoals vermeld, verwerpt het verzoek van de eiser III tot voeging van het ganse moederdossier. Het verwijst daarvoor onder meer naar de nood tot bescherming van het privéleven van in dat dossier genoemde personen, de vermoede loyaliteit van het openbaar ministerie en het feit dat de eiser III geen onregelmatigheid aannemelijk maakt. Het somt eveneens de aan het strafdossier gevoegde stukken op die aan de eiser III toelaten de regelmatigheid van het in het buitenland verkregen bewijsmateriaal in concreto te betwisten, waaronder “Afschriften van alle 36 vorderingen overeenkomstig artikel 88bis Sv uitgevaardigd in dit zogenaamde ‘moederdossier’/onderzoek 080/2019 (…)” en “Alle Franse bevelschriften, machtigingen en vorderingen tot onderschepping van de communicatie (…) waaruit vastgesteld kan worden dat gedurende de ganse periode de interceptie regelmatig plaatsvond” (p. 54).
- Op grond van die redenen en de erin vermelde stukken kan het arrest I wettig oordelen dat het strafdossier de nodige procedurestukken bevat opdat de eiser III de regelmatigheid van de in Frankrijk verkregen bewijsgegevens in concreto kan controleren en derhalve zijn recht van verdediging naar behoren kan uitoefenen. Het middel kan niet worden aangenomen. Middel van de eiser IV
- Het middel voert schending aan van de artikelen 127 en 135 Wetboek van Strafvordering: het arrest II verwerpt het verweer van de eiser IV dat de laattijdigheid van zijn hoger beroep tegen de beschikking tot verwijzing van de raadkamer te wijten is aan overmacht en verklaart dat hoger beroep niet ontvankelijk; de eiser IV was ingeschreven in de Verenigde Arabische Emiraten; hij heeft zijn oproeping voor de rechtszitting van de raadkamer en de beschikking tot verwijzing pas na de termijn voor het instellen van hoger beroep ontvangen; de eiser IV vernam namelijk pas op 8 juli 2022 dat hij op 20 juni 2022 naar de correctionele rechtbank was verwezen en heeft zijn advocaat dan ook pas op 8 juli 2022 kunnen mandateren om hoger beroep in te stellen, wat op dezelfde datum is gebeurd; uit de enkele vaststelling dat de eiser IV zich vrijwillig in de Verenigde Arabische Emiraten heeft gevestigd, kan het arrest niet wettig de afwezigheid van overmacht afleiden.
- Overmacht die alsnog de ontvankelijkheid verantwoordt van een laattijdig ingesteld hoger beroep, kan enkel voortvloeien uit een omstandigheid buiten de wil van de appellant en die door hem onmogelijk kon worden voorzien of vermeden.
- De rechter oordeelt onaantastbaar of de aangevoerde omstandigheden bij het instellen van hoger beroep een geval van overmacht uitmaken. Het Hof gaat enkel na of de rechter uit de omstandigheden die hij in aanmerking neemt, al dan niet wettig overmacht heeft kunnen afleiden. De rechter kan het bestaan van overmacht uitsluiten op grond van de vaststelling dat de betrokkene niet de nodige voorzorgen heeft genomen om de toestand die hij als overmacht aanvoert, te voorkomen.
- Het arrest II oordeelt dat de eiser IV op grond van artikel 127, § 2, Wetboek van Strafvordering regelmatig is opgeroepen voor de rechtszitting van de raadkamer voor de regeling van de rechtspleging, dat de wet enkel een termijn voor de kennisgeving door de griffier bepaalt, maar geen termijn bepaalt waarbinnen de kennisname door de geadresseerde dient te geschieden en dat het trage verloop van de aangetekende zending geen overmacht voor de eiser IV uitmaakt aangezien hij zich geheel vrijwillig heeft gevestigd in de Verenigde Arabische Emiraten.
- Op grond van die redenen, waaruit blijkt dat de eiser IV niet de nodige voorzorgen heeft genomen om tijdig in kennis te worden gesteld van zijn oproeping voor de raadkamer, kan het arrest II wettig oordelen dat de aangevoerde omstandigheid geen geval van overmacht uitmaakt en dat eisers hoger beroep wegens laattijdigheid niet-ontvankelijk is. Het middel kan niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen. Onmiddellijke aanhouding
- Gelet op de verwerping van de cassatieberoepen van de eisers III en V, verkrijgt het arrest I wat hen betreft kracht van gewijsde. Hieruit volgt dat in zoverre ingesteld tegen de beslissingen over de onmiddellijke aanhouding van die eisers, hun cassatieberoepen geen bestaansreden meer hebben. Dictum Het Hof, Verleent akte aan de eiser III van de afstand van zijn cassatieberoep tegen de beslissing op burgerlijk gebied. Verwerpt de cassatieberoepen voor het overige. Veroordeelt de eisers tot de kosten van hun cassatieberoep. Bepaalt de kosten in het geheel op 795,92 euro, waarvan de eisers I en II elk 179,15 euro zijn verschuldigd, de eiser III 182,45 euro is verschuldigd, de eiser IV 72,72 euro is verschuldigd, en de eiser V 185,45 euro is verschuldigd. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, de raadsheren Erwin Francis, Eric Van Dooren, Steven Van Overbeke en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 11 juni 2024 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Alain Winants, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240611.2N.1 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211019.2N.12 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220125.2N.3 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220329.2N.1 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220329.2N.15 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240130.2N.7 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250121.2N.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div