← België

ALUPRINT NV contra BELGISCHE STAAT, MIN FINANCIEN

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 11 juni 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240611.2N.10 Rolnummer: P.24.0109.N Zaak: ALUPRINT NV contra BELGISCHE STAAT, MIN FINANCIEN Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Belastingrecht - Strafrecht - Overige Invoerdatum: 2024-06-20 Raadplegingen: 855 - laatst gezien 2026-06-18 19:01 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiche 1 Overeenkomstig de artikelen 31, tweede lid, 2°, en 32, eerste lid en tweede lid, 2°, WIB92, zijn bezoldigingen van bedrijfsleiders alle beloningen verleend of toegekend aan in artikel 32, eerste lid, 1° en 2°, WIB92 bedoelde bestuurders en leidinggevenden en behoren tot die bezoldigingen onder meer voordelen van alle aard verkregen uit hoofde of naar aanleiding van het uitoefenen van de werkzaamheid van bestuurder of leidinggevende; het voordeel dat een bestuurder verkrijgt wanneer een vennootschap of vereniging hem een renteloze lening toekent, wordt overeenkomstig artikel 18 KB/WIB92 bepaald op een referentierente die jaarlijks wordt vastgesteld en die rente is voor de bestuurder een belastbaar beroepsinkomen, op te nemen in zijn belastingaangifte

(1).
(1)Cass. 28 juni 2023, AR P.23.0352.F ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230628.2F.7, AC 2023, nr. 502. Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - PERSONENBELASTING - Beroepsinkomsten - Bezoldigingen Wettelijke bepalingen: Wetboek Inkomstenbelastingen 1992 - 12-06-1992 - Art. 31, tweede lid, 2° - 32 Link Justel databank 19920612-32 Wetboek Inkomstenbelastingen 1992 - 12-06-1992 - Art. 32, eerste lid, 1° en 2°, en tweede lid, 2° - 32 Link Justel databank 19920612-32 Koninklijk Besluit tot uitvoering van het Wetboek van Inkomstenbelastingen 1992 - 27-08-1993 - Art. 18 - 48 ELI link Pub nr 1993003537 Fiches 2 - 4 De rechter die oordeelt dat een bepaalde omschrijving van feiten vervat is in een andere omschrijving van dezelfde feiten in de akte van aanhangigmaking, zodat hij zich niet meer over de eerst bedoelde omschrijving hoeft uit te spreken, oordeelt niet over andere of anders omschreven feiten; het recht van verdediging vereist niet dat de rechter die aldus oordeelt, de partijen daarvan voorafgaandelijk in kennis stelt aangezien die partijen zich ten volle kunnen verdedigen over het voorwerp van de vervolging, dat ongewijzigd blijft en de rechter dient dat oordeel slechts uitdrukkelijk te motiveren in de mate waarin het voor hem bij conclusie wordt betwist
(1).
(1)R. DECLERCQ, Beginselen van Strafrechstpleging, Mechelen, Kluwer, 10de editie, pp.922-927, nrs. 2163-2179; M.-A. BEERNAERT, H.D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale,2021, 9de editie, t. II, pp. 1454-
  1. Thesaurus CAS: RECHT VAN VERDEDIGING - STRAFZAKEN REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - GEEN CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) RECHTBANKEN - STRAFZAKEN - Strafvordering Tekst van de beslissing Nr. P.24.0109.N I ALUPRINT nv, met zetel te 1080 Sint-Jans-Molenbeek, Edmond Machtenslaan 172/1, beklaagde, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187/302, waar de eiseres woonplaats kiest, tegen BELGISCHE STAAT, fod Financiën, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kantoor te 1000 Brussel, Wetstraat 12, burgerlijke partij, verweerder. II
  2. P. F. G. D. B., beklaagde,
  3. N. F. H., beklaagde,
  4. LILAS GROUP sarl, met zetel te L-5627 Mondorf-les-Bains (Groothertogdom Luxemburg), Avenue Lou Hemmer 15, beklaagde, eisers, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187/302, waar de eisers woonplaats kiezen, tegen BELGISCHE STAAT, reeds vermeld, verweerder. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel, correctionele kamer, van 21 december
  5. De eisers I en II voeren in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vier middelen aan. Raadsheer Erwin Francis heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Alain Winants heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
  6. Het middel voert schending aan van artikel 6.3.d EVRM, alsmede miskenning van het algemeen rechtsbeginsel dat de eerbiediging van het recht van verdediging voorschrijft: de appelrechters wijzen het verzoek van de eisers tot het horen van de bedrijfsrevisoren Frank Bloemen en Esty Maricou als getuigen à décharge af omdat het bedrijfsrevisorverslag helder is en geen verdere toelichting behoeft; de appelrechters onderzoeken echter niet of het niet-horen van deze getuigen à décharge het recht op een eerlijk proces van de eisers, in zijn geheel genomen, aantast; aldus schenden zij artikel 6.3.d EVRM, te meer daar zij vervolgens het bedrijfsrevisorverslag à charge aanwenden om onder meer de eisers II.1 en II.2 schuldig te verklaren aan de respectieve telastleggingen D.1-2 en D.3-
  7. Het arrest (p. 28-29) oordeelt als volgt: - de eisers hebben zelf bedrijfsrevisor Frank Bloemen aangesteld met het oog op de bespreking van de boekhouding van de geviseerde rechtspersonen en de onderliggende realiteit van de geldstromen; - de eisers vragen deze deskundige als getuige à decharge te horen; - de belastingadministratie betwist formeel de bewijswaarde van het door de eisers overgelegde bedrijfsrevisorverslag. Dat verslag kadert in hun verweer dat in essentie verband houdt met de fiscale kwalificatie van bepaalde geldstromen ten gunste van de bankrekeningen van de eisers II (telastleggingen D); - voor de beoordeling van de telastleggingen D is een analyse van de volledige boekhouding van alle betrokken vennootschappen en vzw's irrelevant. De kwestie is immers beperkt tot de fiscale kwalificatie van de voormelde geldstromen, die de eisers op zich niet betwisten; - hoewel het verslag van bedrijfsrevisor Bloemen een eenzijdig stuk betreft, maken de eisers het thans aannemelijk dat de betrokken geldbewegingen via de lopende rekeningen van de eiser II.1 werden verwerkt; - naar het oordeel van het hof van beroep is het bedrijfsrevisorverslag wel degelijk relevant bij de beoordeling van de grond van de zaak; - het verslag is helder en behoeft geen verdere toelichting; - het is niet noodzakelijk bedrijfsrevisor Bloemen, noch de door de eiseres II.2 gevraagde bedrijfsrevisor Esty Maricou, als getuigen te horen.
  8. Met die redenen, in het bijzonder dat binnen de concrete context van de zaak het bedrijfsrevisorverslag helder is en geen verdere toelichting behoeft, geven de appelrechters te kennen dat door het niet-horen van de vermelde bedrijfsrevisoren als getuigen à décharge het recht van verdediging van de eisers, in zijn geheel genomen, niet wordt miskend.
  9. Daaraan wordt geen afbreuk gedaan door het feit dat de appelrechters gegevens die zijn vermeld in of gevoegd bij het bedrijfsrevisorverslag en die zij juist en accuraat achten, bij de beoordeling van de zaak betrekken en uit die beoordeling de schuld van de eisers II aan de feiten van de telastleggingen D afleiden. Het middel kan niet worden aangenomen. Tweede middel
  10. Het eerste onderdeel voert schending aan van de artikelen 5.64, 8.17 en 8.18 Burgerlijk Wetboek: het arrest verklaart de eiser II.1 schuldig aan de telastleggingen D.1 en D.2 en verklaart de eiseres II.2 schuldig aan de telastleggingen D.3 tot D.5 wegens het niet-betalen van belastingen op voordelen van alle aard, te berekenen op grond van artikel 18 KB/WIB92, wegens het toekennen aan de eiser II.1 van renteloze leningen door de vennootschappen of verenigingen waarvan die eiser bestuurder was; de eisers II.1 en II.2 zijn echter niet vervolgd voor het niet-betalen van belastingen op dergelijke voordelen, maar wel voor het niet-betalen van belastingen op inkomsten uit de jaren 2012 tot 2015 an sich; aldus geeft het arrest van de akte van aanhangigmaking een uitlegging die met de bewoordingen ervan onverenigbaar is en miskent het zodoende de bewijskracht ervan. Het tweede onderdeel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM, artikel 149 Grondwet en de artikelen 305 tot 311 en 449, eerste lid, WIB92, alsmede miskenning van het algemeen rechtsbeginsel dat de eerbiediging van het recht van verdediging voorschrijft: het arrest heromschrijft het materieel voorwerp van de telastleggingen D.l tot D.5 van “inkomsten die in 2013 en 2014 op de persoonlijke rekeningen van [de eisers II.1 en II.2] werden geïnd (D.l-D.4)” en “inkomsten uit de jaren 2012 tot en met 2015, waarmee uitgaven werden gefinancierd door kredietkaarten (D.5)” naar “voordelen van alle aard te berekenen op grond van artikel 18 KB/WIB92 wegens het toekennen van renteloze leningen”; het arrest stelt echter niet vast dat de bewezen verklaarde feiten, zoals heromschreven, dezelfde zijn als deze waarop de vervolging was gegrond of dat zij daarin waren begrepen; evenmin hebben de appelrechters de eisers II.1 en II.2 de mogelijkheid geboden om standpunt in te nemen over de heromschrijving van het materieel voorwerp van de telastleggingen D.1 tot D.
  11. Het derde onderdeel voert schending aan van de artikelen 305 tot 311 en 449, eerste lid, WIB92: het arrest stelt bij de beoordeling van de telastleggingen D.l tot D.5 niet vast dat specifiek het voordeel van alle aard, te berekenen op grond van artikel 18 KB/WIB92 wegens het toekennen van renteloze leningen, niet of onjuist werd aangegeven met het oog op het betalen van belastingen.
  12. Overeenkomstig de artikelen 31, tweede lid, 2°, en 32, eerste lid en tweede lid, 2°, WIB92, zoals van toepassing, zijn bezoldigingen van bedrijfsleiders alle beloningen verleend of toegekend aan in artikel 32, eerste lid, 1° en 2°, WIB92 bedoelde bestuurders en leidinggevenden en behoren tot die bezoldigingen onder meer voordelen van alle aard verkregen uit hoofde of naar aanleiding van het uitoefenen van de werkzaamheid van bestuurder of leidinggevende.
  13. Het voordeel dat een bestuurder verkrijgt wanneer een vennootschap of vereniging hem een renteloze lening toekent, wordt overeenkomstig artikel 18 KB/WIB92 bepaald op een referentierente die jaarlijks wordt vastgesteld. Die rente is voor de bestuurder een belastbaar beroepsinkomen, op te nemen in zijn belastingaangifte.
  14. De eiser II.1 is onder de telastleggingen D.1-D.2 en de eiseres II.2 is onder de telastleggingen D.3-D.5 vervolgd om, bij inbreuk op de artikelen 305 tot 311 en artikel 449, eerste lid, WIB92, met het oogmerk om de bepalingen van het WIB92 of van de ter uitvoering ervan genomen besluiten bedrieglijk te overtreden, als belastingplichtige, geen belastingen te hebben betaald door geen of onjuiste aangiftes te hebben ingediend, meer bepaald door inkomsten te hebben verzwegen die de eisers II.1 en II.2 hebben ontvangen op hun bankrekeningen of waarmee zij uitgaven met kredietkaarten hebben gefinancierd in de loop van de inkomstenjaren 2012 tot en met
  15. Die telastleggingen beperkten de appelrechters niet in hun fiscaaltechnische kwalificatie van de beweerdelijk verzwegen bedragen, noch in het bepalen van de gevolgen daarvan voor de berekening van de beweerdelijk ontdoken inkomstenbelastingen. Die telastleggingen lieten de appelrechters dan ook toe om, aansluitend bij het verweer van de eisers II.1 en II.2 en het door hen bijgebrachte bedrijfsrevisorverslag, te oordelen dat de verzwegen inkomsten in werkelijkheid het voorwerp uitmaakten van renteloze leningen die de betrokken vennootschappen of verenigingen aan de eiser II.1 hadden toegestaan en die boekhoudkundig waren ingeschreven als schulden van de eiser II.1 in de rekeningen-courant die hij als bestuurder bij die vennootschappen of verenigingen aanhield. Aldus lieten die telastleggingen de appelrechters toe om de door de eisers II.1 en II.2 niet-aangegeven beroepsinkomsten en vervolgens ontdoken inkomstenbelastingen te bepalen op de bedragen verkregen door de toepassing van de wettelijk bepaalde debetrentes op de openstaande saldi van de leningen.
  16. Het arrest (p. 29 en 42-45) oordeelt onder meer als volgt: - de eisers II.1 en II.2 maken thans aannemelijk dat de betrokken geldbewegingen via de lopende rekeningen van de eiser II.1 werden verwerkt; - die eisers II.1 en II.2 hebben wel degelijk aan te geven belastbare inkomsten genoten onder de vorm van voordelen van alle aard, te berekenen op grond van artikel 18 KB/WIB92 wegens het toekennen van renteloze leningen; - deze voordelen van alle aard die door de eisers II.1 en II.2 in 2013 en 2014 als echtpaar werden genoten, kwalificeren als beroepsinkomsten; - artikel 32 WIB92 bevat een weerlegbaar vermoeden dat alle inkomsten die een vennootschap of vzw aan een bedrijfsleider toekent, hun oorzaak vinden in de uitoefening van de beroepswerkzaamheid en aldus belastbare bezoldigingen van bedrijfsleiders uitmaken, ongeacht de aard van deze inkomsten; - de eisers II.1 en II.2 deden wetens en willens geen of een onjuiste aangifte voor de aanslagjaren 2013 en 2014 in de personenbelasting. Zij hadden het bedrieglijk oogmerk de Belgische Staat te benadelen; - de rekening waarop de afbetalingen van de kredietkaarten gebeurden, werd gefinancierd met inkomsten die door de eiser II.1 werden geboekt op de rekening-courant van de vennootschappen of vzw's waarvan ze afkomstig waren, zodat de uitgaven met kredietkaarten eveneens aan te geven belastbare beroepsinkomsten waren. Met die redenen geven de appelrechters van de akte van aanhangigmaking een uitlegging die met de bewoordingen daarvan niet onverenigbaar is, verklaren zij de eisers II.1 en II.2 niet schuldig aan andere telastleggingen dan de telastleggingen D.1 tot D.5 in de akte van aanhangigmaking en stellen zij wel degelijk vast dat de eisers II.1 en II.2 de voordelen van alle aard, berekend op grond van artikel 18 KB/WIB92, fiscaal niet hebben aangegeven en dienvolgens de erop verschuldigde inkomstenbelastingen hebben ontdoken. Aldus is de beslissing regelmatig met redenen omkleed en naar recht verantwoord. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Derde middel Eerste onderdeel
  17. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM, alsmede miskenning van het algemeen rechtsbeginsel dat de eerbiediging van het recht van verdediging voorschrijft: het arrest oordeelt dat de feiten onder de telastlegging E.14 (misbruik van vennootschapsgoederen) in wezen het voorwerp uitmaken van de telastleggingen F.2 en G.2 (tweede en derde witwasmisdrijf), waaraan het de eiser II.1 schuldig verklaart; de appelrechters hebben evenwel de eiser II.1 niet de gelegenheid gegeven zijn standpunt hierover uiteen te zetten; een beklaagde moet in staat zijn geweest zich te verdedigen op de gewijzigde vorm van de telastlegging.
  18. De rechter die oordeelt dat een bepaalde omschrijving van feiten vervat is in een andere omschrijving van dezelfde feiten in de akte van aanhangigmaking, zodat hij zich niet meer over de eerst bedoelde omschrijving hoeft uit te spreken, oordeelt niet over andere of anders omschreven feiten. Het recht van verdediging vereist niet dat de rechter die aldus oordeelt, de partijen daarvan voorafgaandelijk in kennis stelt. De partijen kunnen zich immers ten volle verdedigen over het voorwerp van de vervolging, dat ongewijzigd blijft. Het onderdeel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht. Tweede onderdeel
  19. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en de artikelen 492bis en 505, eerste lid, 3° en 4°, Strafwetboek: het arrest stelt niet concreet de redenen vast waarom de feiten van witwassen dezelfde zijn als die welke eerst als misbruik van vennootschapsgoederen werden omschreven.
  20. De rechter die oordeelt dat een bepaalde omschrijving van feiten vervat is in een andere omschrijving van dezelfde bij hem aanhangige feiten, dient dat oordeel slechts uitdrukkelijk te motiveren in de mate waarin het voor hem bij conclusie wordt betwist. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  21. Met de redenen die het onderdeel vermeldt, beantwoordt het arrest (p. 48-52) het verweer van de eiser II.1 in zoverre dat verband houdt met de vereenzelviging van de feiten van de telastlegging E.14 met de feiten van de telastleggingen F.2 en G.2 en is de beslissing regelmatig met redenen omkleed. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Vierde middel
  22. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 1138, 4°, Gerechtelijk Wetboek: enerzijds vermeldt het arrest (p. 54) de redenen voor de beslissing om aan de eiseres II.2 een bestuurdersverbod voor een termijn van zes jaar op te leggen; anderzijds legt het arrest in het dictum aan de eiseres II.2 een bestuurdersverbod voor een termijn van tien jaar op; aldus is het arrest tegenstrijdig gemotiveerd en bevat het tegenstrijdige beschikkingen.
  23. Het arrest dat de vermelde tegenstrijdigheid bevat, bevat een tegenstrijdigheid in de motivering en schendt bijgevolg artikel 149 Grondwet. Het middel is in zoverre gegrond. Ambtshalve onderzoek voor het overige
  24. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het de eiseres II.2 het verbod oplegt om de functies en het beroep bepaald in artikel 1 Wet Beroepsuitoefeningsverbod uit te oefenen. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest. Verwerpt de cassatieberoepen voor het overige. Veroordeelt de eiseres II.2 tot vier vijfden van de kosten van haar cassatieberoep. Veroordeelt de overige eisers tot de kosten van hun cassatieberoep. Houdt de beslissing over de overige kosten aan en laat die over aan de rechter op verwijzing. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Brussel, anders samengesteld. Bepaalt de kosten in het geheel op 1.696,51 euro, waarvan de eiseres I en de eisers II elk 273,30 euro zijn verschuldigd. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, de raadsheren Erwin Francis, Eric Van Dooren, Steven Van Overbeke en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 11 juni 2024 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Alain Winants, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240611.2N.10 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2026:CONC.20260127.2N.18 precedenten: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230628.2F.7 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250318.2N.12 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.