← België

P.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 11 juni 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240611.2N.11 Rolnummer: P.24.0125.N Zaak: P. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Unierecht - Overige Invoerdatum: 2024-06-20 Raadplegingen: 580 - laatst gezien 2026-06-15 07:13 Versie(s): Vertaling samenvatting(

  1. en)FR nog niet beschikbaar Fiches 1 - 4 Volgens artikel 3, eerste lid, Verordening 1/2005/EG van 22 december 2004 van de Raad inzake de bescherming van dieren tijdens het vervoer en daarmee samenhangende activiteiten en tot wijziging van de Richtlijnen 64/432/EEG en 93/119/EG en van Verordening (EG) nr. 1255/97 is het verboden dieren te vervoeren of te laten vervoeren op zodanige wijze dat het de dieren waarschijnlijk letsel of onnodig lijden berokkent en overtredingen van de bepalingen van de Verordening Dierenvervoer zijn strafbaar op grond van artikel 36, 17°, van de wet van 14 augustus 1986 betreffende de bescherming en het welzijn der dieren; de rechter oordeelt onaantastbaar of dieren werden vervoerd op zodanige wijze dat dit hen waarschijnlijk letsel of onnodig lijden berokkent. Thesaurus CAS: DIEREN Wettelijke bepalingen: Verordening (EG) nr. 1/2005 van de Raad van 22 december 2004 inzake de bescherming van dieren tijdens het vervoer en daarmee samenhangende activiteiten - 22-12-2004 - Art. 3, eerste lid Wet 14 augustus 1986 betreffende de bescherming en het welzijn der dieren - 14-08-1986 - Art. 36, 17° - 34 ELI link Pub nr 1986016195 Thesaurus CAS: EUROPESE UNIE - ALLERLEI Wettelijke bepalingen: Verordening (EG) nr. 1/2005 van de Raad van 22 december 2004 inzake de bescherming van dieren tijdens het vervoer en daarmee samenhangende activiteiten - 22-12-2004 - Art. 3, eerste lid Wet 14 augustus 1986 betreffende de bescherming en het welzijn der dieren - 14-08-1986 - Art. 36, 17° - 34 ELI link Pub nr 1986016195 Thesaurus CAS: BEWIJS - STRAFZAKEN - Bewijslast. Beoordelingsvrijheid Wettelijke bepalingen: Verordening (EG) nr. 1/2005 van de Raad van 22 december 2004 inzake de bescherming van dieren tijdens het vervoer en daarmee samenhangende activiteiten - 22-12-2004 - Art. 3, eerste lid Wet 14 augustus 1986 betreffende de bescherming en het welzijn der dieren - 14-08-1986 - Art. 36, 17° - 34 ELI link Pub nr 1986016195 Thesaurus CAS: ONAANTASTBARE BEOORDELING DOOR DE FEITENRECHTER Wettelijke bepalingen: Verordening (EG) nr. 1/2005 van de Raad van 22 december 2004 inzake de bescherming van dieren tijdens het vervoer en daarmee samenhangende activiteiten - 22-12-2004 - Art. 3, eerste lid Wet 14 augustus 1986 betreffende de bescherming en het welzijn der dieren - 14-08-1986 - Art. 36, 17° - 34 ELI link Pub nr 1986016195 Fiches 5 - 7 Volgens artikel 6.3 Verordening Dierenvervoer moeten de vervoerders de dieren vervoeren in overeenstemming met de technische voorschriften in bijlage I van de verordening en volgens artikel 1 van de bijlage I van de Verordening Dierenvervoer mogen alleen dieren die geschikt zijn voor het voorgenomen transport worden vervoerd en dienen de vervoersomstandigheden van dien aard zijn dat de dieren geen letsel of onnodig lijden kan worden berokkend; volgens artikel 2, a), van de bijlage I van de Verordening Dierenvervoer worden gewonde, zwakke en zieke dieren niet in staat geacht te worden vervoerd, wanneer de dieren niet in staat zijn zich op eigen kracht pijnloos te bewegen of zonder hulp te lopen en dit voorschrift moet worden gelezen als een vermoeden van overtreding van het technisch voorschrift van artikel 1 van die bijlage en van het gebod van artikel 6.3 Verordening Dierenvervoer, maar volgens artikel 3, a), van de bijlage I van de Verordening Dierenvervoer kunnen zieke of gewonde dieren in staat worden geacht te worden vervoerd wanneer het licht gewonde of zieke dieren betreft, waarvoor het vervoer geen extra lijden veroorzaakt, waarbij bij twijfel het advies van de dierenarts moet worden ingewonnen, zodat dit voorschrift moet worden gelezen als een mogelijkheid om het vermelde vermoeden te weerleggen; uit de samenlezing van de technische voorschriften van de artikelen 2,
  2. a)en 3, a), van de bijlage I van de Verordening Dierenvervoer volgt echter niet dat het enkele feit dat een dier zelfstandig een vrachtwagen op kan gaan, impliceert dat men dit dier vervoert of laat vervoeren op zodanige wijze dat het vervoer dit dier waarschijnlijk geen letsel of onnodig lijden berokkent. Thesaurus CAS: DIEREN Wettelijke bepalingen: Verordening (EG) nr. 1/2005 van de Raad van 22 december 2004 inzake de bescherming van dieren tijdens het vervoer en daarmee samenhangende activiteiten - 22-12-2004 - Art. 6.3 Verordening (EG) nr. 1/2005 van de Raad van 22 december 2004 inzake de bescherming van dieren tijdens het vervoer en daarmee samenhangende activiteiten - 22-12-2004 - Art. 1 van bijlage I Verordening (EG) nr. 1/2005 van de Raad van 22 december 2004 inzake de bescherming van dieren tijdens het vervoer en daarmee samenhangende activiteiten - 22-12-2004 - Art. 2,
  3. a)van bijlage I Verordening (EG) nr. 1/2005 van de Raad van 22 december 2004 inzake de bescherming van dieren tijdens het vervoer en daarmee samenhangende activiteiten - 22-12-2004 - Art. 3,
  4. a)van bijlage I Thesaurus CAS: EUROPESE UNIE - ALLERLEI Wettelijke bepalingen: Verordening (EG) nr. 1/2005 van de Raad van 22 december 2004 inzake de bescherming van dieren tijdens het vervoer en daarmee samenhangende activiteiten - 22-12-2004 - Art. 6.3 Verordening (EG) nr. 1/2005 van de Raad van 22 december 2004 inzake de bescherming van dieren tijdens het vervoer en daarmee samenhangende activiteiten - 22-12-2004 - Art. 1 van bijlage I Verordening (EG) nr. 1/2005 van de Raad van 22 december 2004 inzake de bescherming van dieren tijdens het vervoer en daarmee samenhangende activiteiten - 22-12-2004 - Art. 2,
  5. a)van bijlage I Verordening (EG) nr. 1/2005 van de Raad van 22 december 2004 inzake de bescherming van dieren tijdens het vervoer en daarmee samenhangende activiteiten - 22-12-2004 - Art. 3,
  6. a)van bijlage I Thesaurus CAS: BEWIJS - STRAFZAKEN - Vermoedens Wettelijke bepalingen: Verordening (EG) nr. 1/2005 van de Raad van 22 december 2004 inzake de bescherming van dieren tijdens het vervoer en daarmee samenhangende activiteiten - 22-12-2004 - Art. 6.3 Verordening (EG) nr. 1/2005 van de Raad van 22 december 2004 inzake de bescherming van dieren tijdens het vervoer en daarmee samenhangende activiteiten - 22-12-2004 - Art. 1 van bijlage I Verordening (EG) nr. 1/2005 van de Raad van 22 december 2004 inzake de bescherming van dieren tijdens het vervoer en daarmee samenhangende activiteiten - 22-12-2004 - Art. 2,
  7. a)van bijlage I Verordening (EG) nr. 1/2005 van de Raad van 22 december 2004 inzake de bescherming van dieren tijdens het vervoer en daarmee samenhangende activiteiten - 22-12-2004 - Art. 3,
  8. a)van bijlage I Tekst van de beslissing Nr. P.24.0125.N 1. P. bv, beklaagde, eiseres, 2. M. P., beklaagde, eiser, beiden met als raadsman mr. Damienne Dubois, advocaat bij de balie West-Vlaanderen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 29 december 2023. De eisers voeren in een memorie die aan dit arrest is gehecht, negen middelen aan. Raadsheer Jos Decoker heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Alain Winants heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van de cassatieberoepen 1. Het arrest spreekt de eisers voor het hen ten laste gelegde feit B.1 vrij voor wat betreft de zeug met klopnummer 68A4, die liep op drie poten. In zoverre de cassatieberoepen ook zijn gericht tegen die beslissing, zijn ze bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Eerste, tweede en derde middel 2. De middelen voeren schending aan van de artikelen 154 tot 156 en 189 Wetboek van Strafvordering, alsmede miskenning van het algemeen beginsel van de bewijslast in strafzaken: de appelrechters miskennen het algemeen beginsel van de bewijslast in strafzaken door te beslissen dat de grote navelbreuk van het varken dat de eisers op 7 mei 2019 vervoerden van die aard was dat aangepast vervoer noodzakelijk was, dat uit niets blijkt dat de eisers in dergelijk aangepast vervoer hebben voorzien en dat het vervoer het varken onnodig lijden berokkende; het is niet aan de eisers om te bewijzen dat het varken een navelbreuk had, kleiner dan 15 tot 20 centimeter, maar wel aan het openbaar ministerie om te bewijzen dat het varken een navelbreuk had, groter dan 15 tot 20 centimeter; het is niet aan de eisers om te bewijzen dat zij in aangepast vervoer hebben voorzien maar aan het openbaar ministerie om te bewijzen dat zij niet in aangepast vervoer hebben voorzien (eerste middel); de appelrechters miskennen het algemeen beginsel van de bewijslast in strafzaken door te beslissen dat de abcessen bij een van de varkens getuigen van een slechte algemene gezondheidstoestand die ook tot uiting komt in een manke voorpoot, waardoor dit varken niet pijnvrij zelfstandig kon bewegen en tijdens het vervoer onnodig heeft geleden; zij kunnen de eisers niet enerzijds vrijspreken voor een kreupele voorpoot en anderzijds beslissen dat de slechte algemene gezondheid van het dier wordt afgeleid uit de abcessen die ook tot uiting komt in een manke voorpoot; zij kunnen niet uit de enkele aanwezigheid van abcessen afleiden dat het dier een slechte algemene gezondheid had en onnodig leed door het vervoer (tweede middel); de appelrechters miskennen het algemeen beginsel van de bewijslast in strafzaken ook door te beslissen dat het varken met rectumprolaps en ataxie van de achterpoten niet pijnvrij zelfstandig kon bewegen en het vervoer onnodig leed berokkende aan dit varken; noch uit de informatieformulieren, noch uit het proces-verbaal die beiden slechts ten titel van inlichting gelden kan worden afgeleid of het dier zelfstandig en pijnvrij kon bewegen; de appelrechters oordelen ten onrechte dat een varken met rectumprolaps en ataxie zich niet pijnvrij zelfstandig kan bewegen en het vervoer dit varken onnodig leed bezorgde (derde middel). 3. De middelen verduidelijken niet hoe en waarom het arrest de artikelen 154 tot 156 en 189 Wetboek van Strafvordering schendt. In zoverre zijn de middelen bij gebrek aan nauwkeurigheid niet ontvankelijk. 4. Volgens artikel 3, eerste lid, Verordening 1/2005/EG van 22 december 2004 van de Raad inzake de bescherming van dieren tijdens het vervoer en daarmee samenhangende activiteiten en tot wijziging van de Richtlijnen 64/432/EEG en 93/119/EG en van Verordening (EG) nr. 1255/97 (hierna Verordening Dierenvervoer) is het verboden dieren te vervoeren of te laten vervoeren op zodanige wijze dat het de dieren waarschijnlijk letsel of onnodig lijden berokkent. Overtredingen van de bepalingen van de Verordening Dierenvervoer zijn strafbaar op grond van artikel 36, 17°, van de wet van 14 augustus 1986 betreffende de bescherming en het welzijn der dieren. 5. De rechter oordeelt onaantastbaar of dieren werden vervoerd op zodanige wijze dat dit hen waarschijnlijk letsel of onnodig lijden berokkent. Het Hof gaat enkel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die op grond daarvan onmogelijk kunnen worden verantwoord. In zoverre de middelen uitgaan van een andere rechtsopvatting, falen ze naar recht. 6. Het arrest (nr. 4.2) oordeelt voor de bewezenverklaring van de telastlegging B.1 onder meer dat bij het informatieformulier van de BMO-dierenarts van 7 mei 2019 foto’s zijn gevoegd van de vier varkens die in de telastlegging B.1 worden vermeld en dat deze foto’s de inhoud van het informatieformulier bevestigen, dat de eisers niet betwisten dat zij op 7 mei 2019 een varken hebben vervoerd met een bijna over de grond slepende navelbreuk en dat deze grote navelbreuk van die aard was dat aangepast vervoer noodzakelijk was om dierenleed te vermijden. 7. In zoverre het eerste middel de appelrechters verwijt ook te hebben verwezen naar niet juridisch bindende praktische richtsnoeren voor het bepalen van de geschiktheid voor vervoer van varkens, waarin onder meer wordt geadviseerd om een varken met een navelbreuk, groter dan 15 tot 20 centimeter, ook zonder zweren, te isoleren en als laatste te laden, terwijl het niet aan de eisers zou zijn om te bewijzen dat het varken een navelbreuk had, kleiner dan 15 tot 20 centimeter, komt het op tegen een overtollige reden, kan het niet tot cassatie leiden en is het bijgevolg niet ontvankelijk. 8. De appelrechters leggen de eisers geen bewijslast op met de overweging dat “Uit niets blijkt dat de [eisers] in dergelijk aangepast vervoer hebben voorzien”. In zoverre het eerste middel de appelrechters verwijt met deze reden het algemeen beginsel van de bewijslast in strafzaken te hebben miskend, mist het bijgevolg feitelijke grondslag. 9. Het arrest (nr. 4.2) oordeelt eensdeels dat de meerdere abcessen bij een van de varkens getuigen van een slechte algemene gezondheidstoestand die ook tot uiting komt in de manke voorpoot en dat dit varken tijdens het vervoer onnodig heeft geleden. De appelrechters verklaren de telastlegging B.1 daarom bewezen voor wat betreft de zeug met klopnummer 68A4 met meerdere abcessen. Het arrest oordeelt anderdeels dat niet kan worden uitgesloten dat de tweede zeug met klopnummer 68A4 kreupel is geworden tijdens het vervoer. Daarom spreken de appelrechters de eisers hiervoor vrij. 10. In zoverre het tweede middel de appelrechters verwijt aldus tegenstrijdig te hebben gemotiveerd, ontwaart het Hof de aangevoerde tegenstrijdigheid niet en mist het feitelijke grondslag. 11. Voor het overige kunnen de appelrechters met de vermelde redenen wettig oordelen dat het varken met meerdere abcessen werd vervoerd op zodanige wijze dat dit het varken waarschijnlijk letsel of onnodig lijden berokkent. In zoverre kan het tweede middel niet worden aangenomen. 12. Het arrest (nr. 4.2) oordeelt tevens dat ook het varken met rectumprolaps en ataxie onnodig heeft geleden tijdens het vervoer, dat het ongeloofwaardig is dat die beide aandoeningen zouden zijn ontstaan tijdens de korte verplaatsing van de veehouder naar het slachthuis en dit varken in die toestand niet pijnvrij zelfstandig kon bewegen. 13. Met deze redenen kunnen de appelrechters wettig oordelen dat het varken, met rectumprolaps en ataxie, werd vervoerd op zodanige wijze dat dit het varken waarschijnlijk letsel of onnodig lijden berokkent. In zoverre kan ook het derde middel niet worden aangenomen. 14. Voor het overige verplichten de middelen tot een onderzoek van feiten, waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft, en zijn ze niet ontvankelijk. Vierde en vijfde middel 15. De middelen voeren schending aan van artikel 6.1 EVRM: de appelrechters miskennen het recht van verdediging door te beslissen dat de grote navelbreuk van het varken dat de eisers op 7 mei 2019 vervoerden van die aard was dat aangepast vervoer noodzakelijk was, dat uit niets blijkt dat de eisers in dergelijk aangepast vervoer hebben voorzien en het vervoer het varken onnodig lijden berokkende; zij verwijzen naar geen enkel element in het strafdossier met betrekking tot de wijze waarop het dier met de navelbreuk werd vervoerd en hierover werd geen tegenspraak gevoerd (vierde middel); de appelrechters miskennen het recht van verdediging ook door te beslissen dat het varken met rectumprolaps en ataxie van de achterpoten niet pijnvrij zelfstandig kan bewegen en het vervoer onnodig leed berokkende aan dit varken; zij hebben hun beslissing gesteund op persoonlijke kennis om te oordelen dat een rectumprolaps niet kan ontstaan tijdens de korte verplaatsing naar het slachthuis en hierover werd geen tegenspraak gevoerd (vijfde middel). 16. Uit het arrest blijkt dat de eisers wel degelijk tegenspraak hebben kunnen voeren over de gegevens waarop de door de middelen bekritiseerde oordelen zijn gebaseerd. In zoverre berusten de middelen op een onjuiste lezing van het arrest en missen zij feitelijke grondslag. 17. In zoverre de middelen voor het overige dezelfde strekking hebben als het eerste en derde middel moeten zij om de in het antwoord op die middelen vermelde redenen worden verworpen. Zesde middel 18. Het middel voert schending aan van artikel 3 Verordening Dierenvervoer: de appelrechters beslissen ten onrechte dat het zelfstandig de vrachtwagen kunnen oplopen geen voldoende criterium is om uit te maken of een varken geschikt is voor vervoer en vereisen ten onrechte bijkomend dat het vervoer geen onnodig lijden veroorzaakt; bijlage I van de Verordening Dierenvervoer bepaalt dat een gewond, zwak en ziek dier niet in staat wordt geacht te worden vervoerd wanneer het dier niet in staat is zich op eigen kracht pijnloos te bewegen of zonder hulp te lopen; bijlage I van de Verordening Dierenvervoer bepaalt ook dat een ziek of gewond dier wel in staat wordt geacht te worden vervoerd wanneer het zieke of licht gewonde zieke dieren betreft waarvoor het vervoer geen extra lijden veroorzaakt; door te oordelen dat een dier niet pijnvrij en zelfstandig kan bewegen en dat het vervoer onnodig lijden veroorzaakt, miskennen de appelrechters de voorwaarden van artikel 3 Verordening Dierenvervoer; een dier dat zelfstandig de vrachtwagen op kan gaan, komt in aanmerking voor vervoer. 19. Volgens artikel 6.3 Verordening Dierenvervoer moeten de vervoerders de dieren vervoeren in overeenstemming met de technische voorschriften in bijlage I van de verordening. Volgens artikel 1 van de bijlage I van de Verordening Dierenvervoer mogen alleen dieren die geschikt zijn voor het voorgenomen transport worden vervoerd, en de vervoersomstandigheden moeten van dien aard zijn dat de dieren geen letsel of onnodig lijden kan worden berokkend. Volgens artikel 2, a), van de bijlage I van de Verordening Dierenvervoer worden gewonde, zwakke en zieke dieren niet in staat geacht te worden vervoerd, wanneer de dieren niet in staat zijn zich op eigen kracht pijnloos te bewegen of zonder hulp te lopen. Dit voorschrift moet worden gelezen als een vermoeden van overtreding van het technisch voorschrift van artikel 1 van die bijlage en van het gebod van artikel 6.3 Verordening Dierenvervoer. Volgens artikel 3, a), van de bijlage I van de Verordening Dierenvervoer kunnen zieke of gewonde dieren echter in staat worden geacht te worden vervoerd wanneer het licht gewonde of zieke dieren betreft, waarvoor het vervoer geen extra lijden veroorzaakt. Bij twijfel moet het advies van de dierenarts worden ingewonnen. Dit voorschrift moet worden gelezen als een mogelijkheid om het vermelde vermoeden te weerleggen. 20. Uit de samenlezing van de technische voorschriften van de artikelen 2,
  9. a)en 3, a), van de bijlage I van de Verordening Dierenvervoer volgt echter niet dat het enkele feit dat een dier zelfstandig een vrachtwagen op kan gaan, impliceert dat men dit dier vervoert of laat vervoeren op zodanige wijze dat het vervoer dit dier waarschijnlijk geen letsel of onnodig lijden berokkent. Het middel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht. Zevende middel 21. Het middel voert schending aan van artikel 11.1 Universele Verklaring voor de Rechten van de Mens, artikel 6.2 EVRM, artikel 14.2 IVBPR en artikel 48 Handvest Grondrechten Europese Unie, alsmede miskenning van het vermoeden van onschuld: de appelrechters miskennen het vermoeden van onschuld door te beslissen dat de grote navelbreuk van het varken dat de eisers op 7 mei 2019 vervoerden van die aard was dat aangepast vervoer noodzakelijk was, dat uit niets blijkt dat de eisers in dergelijk aangepast vervoer hebben voorzien en het vervoer het varken onnodig lijden berokkende. 22. In zoverre het middel een schending aanvoert van de Universele Verklaring voor de Rechten van de Mens, die geen wet is in de zin van artikel 608 Gerechtelijk Wetboek, is het onontvankelijk. 23. In zoverre het middel dezelfde strekking heeft als het eerste middel, moet het om de in het antwoord op dat middel vermelde redenen worden verworpen. Achtste middel 24. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: de appelrechters miskennen het algemeen beginsel van de bewijslast in strafzaken door te beslissen dat de grote navelbreuk van het varken dat de eisers op 7 mei 2019 vervoerden van die aard was dat aangepast vervoer noodzakelijk was, dat uit niets blijkt dat de eisers in dergelijk aangepast vervoer hebben voorzien en het vervoer het varken onnodig lijden berokkende; de appelrechters hebben niet geantwoord op een argumentatie in de appelconclusie van de eisers, namelijk “Een varken dat een navelbreuk (hernia) heeft is geschikt voor vervoer indien er geen zweren (letsels) aanwezig zijn (zie p. 26 stuk 1). In casu blijken er geen letsels op de foto aanwezig te zijn, zodat het dier dus geschikt is voor vervoer. Uit de foto’s is ook niet op te maken hoe groot deze navelbreuk is. Zolang de navelbreuk kleiner is dan 20 cm, mag het zondermeer vervoerd worden. Indien de navelbreuk groter is dan 20 cm en er geen zweren aanwezig zijn, mag het dier eveneens vervoerd worden. Een dier met een grote navelbreuk mag vervoerd worden, zolang er geen zweren aanwezig zijn. In casu is nergens vermeld dat er zweren aanwezig zouden zijn op deze navelbreuk.” 25. Artikel 149 Grondwet verplicht de rechter het verweer dat de partijen bij conclusie voor hem aanvoeren, te beantwoorden. Deze verplichting houdt echter niet in dat de rechter moet antwoorden op elk argument dat tot staving van een verweer is aangevoerd, maar zelf geen afzonderlijk verweer vormt. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. 26. Met de in het antwoord op het eerste middel vermelde redenen van het arrest (nr. 4.2) beantwoorden en verwerpen de appelrechters het verweer van de eisers dat het varken met de navelbreuk geschikt was voor vervoer, zonder dat zij hoeven te antwoorden op elk argument van de eisers dat zelf geen zelfstandig verweer vormt. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. 27. In zoverre het middel dezelfde strekking heeft als het eerste middel, moet het om de in het antwoord op dat middel vermelde redenen worden verworpen. Negende middel 28. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: de appelrechters miskennen het recht van verdediging door te beslissen dat het varken met rectumprolaps en ataxie van de achterpoten niet pijnvrij zelfstandig kan bewegen en het vervoer onnodig leed berokkende aan dit varken; de appelrechters hebben niet geantwoord op een argumentatie in de appelconclusie van de eisers, namelijk “zelfs een varken met een omkeerbare prolaps komt wel in aanmerking voor vervoer”. 29. Artikel 149 Grondwet verplicht de rechter het verweer dat de partijen bij conclusie voor hem aanvoeren, te beantwoorden. Deze verplichting houdt echter niet in dat de rechter moet antwoorden op elk argument dat tot staving van een verweer is aangevoerd, maar zelf geen afzonderlijk verweer vormt. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. 30. Met de in het antwoord op het derde middel vermelde redenen van het arrest (nr. 4.2) beantwoorden en verwerpen de appelrechters het verweer van de eisers dat het varken met rectumprolaps en ataxie van de achterpoten in aanmerking kwam voor vervoer, zonder dat zij hoeven te antwoorden op elk argument van de eisers dat zelf geen zelfstandig verweer vormt. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. 31. In zoverre het middel dezelfde strekking heeft als het derde middel, moet het om de in het antwoord op dat middel vermelde redenen worden verworpen. Ambtshalve onderzoek 32. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt de cassatieberoepen. Veroordeelt de eisers tot de kosten van hun cassatieberoep. Bepaalt de kosten op 87,51 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, de raadsheren Erwin Francis, Eric Van Dooren, Steven Van Overbeke en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 11 juni 2024 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Alain Winants, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240611.2N.11 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.