← België

A.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 11 juni 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2024:

Art. 37octies - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: STRAF - ALGEMEEN.

STRAF EN MAATREGEL. WETTIGHEID Wettelijke bepalingen:

Art. 37o

cties - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: STRAF - ANDERE STRAFFEN - Allerlei Wettelijke bepalingen:

Art. 37octies - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Tekst van de beslissing Nr.

P.24.0218.N A. A., beklaagde, aangehouden, eiser, met als raadsman mr. Siegfried De Mulder, advocaat bij de balie Brussel. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel, correctionele kamer, van 16 januari

  1. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. Raadsheer Erwin Francis heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
  2. Het middel voert schending aan van artikel 1 Eerste Aanvullend Protocol EVRM, artikel 16 Grondwet en artikel 43bis, zevende lid, Strafwetboek: het arrest beveelt lastens de eiser de bijzondere verbeurdverklaring (hierna verbeurdverklaring) per equivalent van vermogensvoordelen ten bedrage van 50.000,00 euro; gelet op eisers precaire verblijfssituatie, die het hem moeilijk maakt zich op de arbeidsmarkt te begeven, alsook zijn gebrek aan legale inkomsten en een vaste verblijfplaats, grijpt die verbeurdverklaring fundamenteel in op zijn zeer beperkte vermogen en tast het iedere toekomstige kans op re-integratie aan; aldus levert die straf voor de eiser een last op die onevenredig is met het ermee nagestreefde doel.
  3. Artikel 43bis, zevende lid, Strafwetboek bepaalt dat de rechter zo nodig het bedrag van de in artikel 42, 3°, bedoelde vermogensvoordelen of van de in het tweede lid bedoelde geldwaarde vermindert om de veroordeelde geen onredelijk zware straf op te leggen.
  4. De rechter oordeelt onaantastbaar of de verbeurdverklaring van een bepaalde geldwaarde een redelijke straf voor een beklaagde inhoudt. Daarbij kan de rechter onder meer rekening houden met de aard, de duur en de zwaarwichtigheid van de bewezen verklaarde feiten, de nagestreefde verrijking, de persoonlijkheid van de beklaagde en de vermogenstoestand van de beklaagde, zonder dat de rechter steeds al die toetsingscriteria in zijn beoordeling dient te betrekken. Het Hof gaat na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die op grond daarvan onmogelijk kunnen worden verantwoord.
  5. Het arrest (p. 7-8, nr. 4) oordeelt: “[De eiser] is in het [beroepen] vonnis onder meer schuldig bevonden aan de verkoop van cocaïne in de periode van 10 maart 2016 tot 10 maart 2021 (telastlegging B). Het openbaar ministerie heeft initieel de verbeurdverklaring gevorderd van 101.700 euro aan vermogensvoordelen lastens [de eiser] (…). De berekening van het wederrechtelijk verkregen vermogen is gebaseerd op de verklaringen van de afnemers van [de eiser] die in beeld kwamen tijdens het strafonderzoek (…). Het gaat om een minimale berekening van de vermogensvoordelen. Niet alle klanten van [de eiser] wensten een verklaring af te leggen. Ook kon een deel van de klanten niet geïdentificeerd worden. De eerste rechter heeft de vordering tot verbeurdverklaring al gematigd en het verbeurd te verklaren bedrag herleid tot 50.000 euro, rekening houdend met de precaire financiële situatie van [de eiser]. Er is geen reden om het bedrag van 50.000 euro, dat bij equivalent verbeurd werd verklaard, nog verder te matigen. [De eiser] heeft gedurende vijf jaar cocaïne gedeald en geleefd van de opbrengst van de verkoop van cocaïne, wat een bijzonder lucratieve handel is.”
  6. Op grond van die redenen kan het arrest wettig oordelen dat de verbeurdverklaring van de vermelde vermogensvoordelen, zoals reeds gematigd, geen straf uitmaakt die onredelijk zwaar is voor de eiser of die onevenredig is met de doelstellingen van de straftoemeting. Het middel kan niet worden aangenomen. Tweede middel
  7. Het middel voert schending aan van artikel 6.1 en 6.3 EVRM: aan de eiser, die zowel voor de eerste rechter als voor de appelrechters in persoon aanwezig was, werd tot tweemaal toe het recht op bijstand van een advocaat ontnomen doordat er niet op de aankomst van zijn advocaat werd gewacht en de zaak evenmin werd uitgesteld; aldus heeft de eiser niet genoten van voldoende tijd en faciliteiten om zijn verdediging voor te bereiden; de appelrechters hebben, terwijl zij kennis hadden van deze situatie, op geen enkele manier andere strafalternatieven met de eiser besproken, waaronder een autonome probatie, die mogelijk was gezien de achtergrond van de drugproblematiek en eisers specifieke situatie; dit houdt een manifeste miskenning in van het recht op een eerlijk proces en het recht van verdediging, aangezien de eiser dit niet zelf kon weten; het arrest legt ook niet uit waarom dergelijk alternatief onmogelijk zou zijn.
  8. In zoverre het middel aanvoert dat de appelrechters hebben geweigerd te wachten op de aankomst van eisers advocaat ter rechtszitting, dan wel eisers zaak uit te stellen, verplicht het tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft en is het bijgevolg niet ontvankelijk.
  9. Volgens artikel 2 van de wet van 29 april 1806 waarbij maatregelen worden voorgeschreven met betrekking tot de procedure in criminele en correctionele zaken, kan de beklaagde, in correctionele zaken, als cassatiemiddel geen nietigheden aanvoeren die in eerste aanleg zijn gepleegd en die hij voor het hof van beroep niet heeft opgeworpen. De enige uitzondering hierop is de nietigheid wegens onbevoegdheid.
  10. Uit de stukken van de rechtspleging blijkt niet dat de eiser voor de appelrechters een onregelmatigheid in de procedure in eerste aanleg heeft aangevoerd. In zoverre het middel een onregelmatigheid in de procedure voor de eerste rechter aanvoert, is het evenmin ontvankelijk.
  11. Ongeacht of een beklaagde ter rechtszitting wordt bijgestaan door een advocaat, vereisen het recht op een eerlijk proces en het recht van verdediging niet dat de rechter overleg pleegt met die beklaagde over de hem eventueel op te leggen straffen of te verlenen gunstmaatregelen.
  12. Een beklaagde kan geen recht op het opleggen van een autonome probatiestraf laten gelden, zelfs als hij voldoet aan de wettelijke voorwaarden ervoor. Het staat aan de rechter om te oordelen of het licht van de doelstellingen van de straftoemeting het opleggen van die straf aangewezen is.
  13. Artikel 37octies, § 3, Strafwetboek bepaalt dat indien een autonome probatiestraf door de rechter wordt overwogen, door het openbaar ministerie wordt gevorderd of door de beklaagde wordt gevraagd, de rechter deze laatste voor de sluiting van de debatten inlicht over de draagwijdte van een dergelijke straf en hij hem in zijn opmerkingen hoort.
  14. De rechter voor wie deze straf niet wordt gevraagd of gevorderd en die ze zelf niet overweegt, miskent het recht van verdediging en het recht op een eerlijk proces van een beklaagde niet doordat hij ze niet ambtshalve ter sprake brengt op de rechtszitting of in zijn beslissing niet uitlegt waarom ze onmogelijk is.
  15. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
  16. Voor het overige preciseert het middel niet welke andere bestraffing of alternatief daarvoor de appelrechters met de eiser hadden moeten overleggen. In zoverre is het middel onduidelijk en bijgevolg eveneens niet ontvankelijk. Derde middel
  17. Het middel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM, de artikelen 36 en 149 Grondwet en de Probatiewet. Eerste onderdeel
  18. Het onderdeel verwijt het arrest te oordelen dat het opleggen van probatiemaatregelen niet mogelijk is omdat de eiser niet over een geldig verblijfsstatuut beschikt en nergens is ingeschreven; het arrest kan dat oordeel niet afleiden uit de feitelijke gegevens; bovendien is het beschikken over een geldig verblijfsstatuut en een inschrijving geen voorwaarde voor het opleggen van een probatiemaatregel; met het niet-verduidelijkte oordeel dat de eiser nergens is ingeschreven, is het arrest ook tegenstrijdig, minstens dubbelzinnig gemotiveerd; door het vereisen van een niet-bestaande wettelijke voorwaarde voor het toekennen van een probatiemaatregel meten de appelrechters zich de bevoegdheid van de wetgever toe.
  19. Het arrest (p. 6-7) oordeelt: “De bewezen feiten onder de telastleggingen A en B in zaak I en het bewezen feit onder de enige telastlegging in zaak II zijn ernstig en zwaarwichtig. [De eiser] geeft blijk van een gebrek aan normbesef en een gebrek aan respect voor de fysieke en psychische integriteit van meestal jeugdige gebruikers van de illegale drugs. Het mangelt betrokkene aan verantwoordelijkheidszin. [De eiser] heeft op de zitting van 5 december 2023 voor het hof (van beroep) toegelicht dat hij geen inkomen en geen woonst heeft. Hij zou beroep doen op de opvang van het Rode Kruis. Het openbaar ministerie heeft het hof (van beroep) gevraagd om een effectieve straf op te leggen en geen probatie-uitstel toe te staan. Het opleggen van probatiemaatregelen is ook niet mogelijk omdat [de eiser] niet over een geldig verblijfsstatuut beschikt en nergens is ingeschreven. Het hof (van beroep) is van oordeel dat een strenge en effectieve gevangenisstraf noodzakelijk is om [de eiser] het ontoelaatbare van zijn handelen te doen inzien en de maatschappij veilig te stellen tegen zijn crimineel gedrag. Het gevaar op herhaling in hoofde van betrokkene is reëel. Het hof (van beroep) legt een gevangenisstraf op van 37 maanden en een geldboete van 1.000 euro, te verhogen met opdeciemen. Bij het bepalen van de hoogte van de straf houdt het hof (van beroep) rekening met de aard en de ernst van de feiten, met de lange tijdsperiode waarin [de eiser] zich schuldig heeft gemaakt aan het bezit en de handel in cocaïne, de nadelige maatschappelijke impact van dergelijke feiten en zijn gunstig strafverleden.” Aldus steunt het arrest de beslissing om aan de eiser geen probatie-uitstel toe te kennen niet louter op de in het onderdeel vermelde reden over eisers verblijfsstatuut en inschrijving, maar ook op de zelfstandige redenen dat een dergelijke gunstmaatregel ingevolge de aard en de ernst van de feiten en de persoonlijkheid van de eiser niet aangewezen is. Het onderdeel dat niet opkomt tegen die zelfstandige redenen, kan niet tot cassatie leiden en is bijgevolg niet ontvankelijk. Tweede onderdeel
  20. Het onderdeel verwijt het arrest dat het niet motiveert waarom het de door de eerste rechter opgelegde bestraffing aanzienlijk verzwaart door het opleggen van zeven extra maanden gevangenisstraf en het niet-toestaan van probatie-uitstel; de redenen vermeld onder het eerste onderdeel betreffen louter een stijlformule; het arrest houdt geen rekening met eisers concrete situatie.
  21. Het staat aan de rechter te oordelen of in het licht van de doelstellingen van de straftoemeting het verlenen van een probatie-uitstel aangewezen is. Uit het enkele feit dat een beklaagde voldoet aan de wettelijke voorwaarden voor deze maatregel, volgt niet dat de rechter de maatregel moet uitspreken. Een beklaagde kan immers geen recht laten gelden op een probatie-uitstel.
  22. De appelrechter moet de door hemzelf uitgesproken straf motiveren. Hij moet niet motiveren waarom hij een zwaardere straf oplegt dan de eerste rechter.
  23. In zoverre het onderdeel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
  24. Met de onder het eerste onderdeel vermelde redenen motiveert het arrest op een concrete en aan de feiten en de persoonlijkheid van de eiser aangepaste wijze waarom het hem onder meer een effectieve hoofdgevangenisstraf van 37 maanden oplegt. Aldus steunt de beslissing niet op een stereotiepe motivering, maar is zij regelmatig met redenen omkleed. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen.
  25. Voor het overige komt het onderdeel op tegen het onaantastbare oordeel van de appelrechters over de aan de eiser op te leggen bestraffing en is het bijgevolg niet ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek
  26. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Onmiddellijke aanhouding
  27. Gelet op de verwerping van het cassatieberoep, verkrijgt het arrest kracht van gewijsde. Hieruit volgt dat in zoverre ingesteld tegen de beslissing over eisers onmiddellijke aanhouding, het cassatieberoep geen bestaansreden meer heeft. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 84,21 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, de raadsheren Erwin Francis, Eric Van Dooren, Steven Van Overbeke en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 11 juni 2024 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Alain Winants, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240611.2N.17 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.