← België

B. contra V.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 11 juni 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240611.2N.4 Rolnummer: P.24.0436.N Zaak: B. contra V. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Overige Invoerdatum: 2024-06-20 Raadplegingen: 688 - laatst gezien 2026-06-15 07:13 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiches 1 - 5 Indien het onderzoeksgerecht bij toepassing van de artikelen 1 en 2 van de wet van 4 oktober 1867 op de verzachtende omstandigheden een beklaagde verwijst naar de correctionele rechtbank wegens een correctionaliseerbare misdaad met aanneming van verzachtende omstandigheden, dan kan het vonnisgerecht niet nogmaals verzachtende omstandigheden aannemen; dit sluit niet uit dat een beklaagde voor het vonnisgerecht omstandigheden kan aanvoeren ter staving van zijn verzoek om een milde straftoemeting, zonder dat die evenwel kunnen leiden tot een aanpassing van de door de wetgever bepaalde minima en maxima rekening houdend met de correctionalisering en het staat dan aan het vonnisgerecht onaantastbaar te oordelen of rekening houdend met de doelstellingen van de straftoemeting en de concrete gegevens van de zaak die omstandigheden daadwerkelijk tot een milde straftoemeting moeten leiden

(1).
(1)A. DE NAUW en F. DERUYCK, Overzicht van het Belgisch algemeen strafrecht, die Keure, 2015 p.
  1. Thesaurus CAS: ONDERZOEK IN STRAFZAKEN - GERECHTELIJK ONDERZOEK - Regeling van de rechtspleging Wettelijke bepalingen: Wet 4 oktober 1867 op de verzachtende omstandigheden - 04-10-1867 - Art. 1 - 30 ELI link Pub nr 1867100450 Wet 4 oktober 1867 op de verzachtende omstandigheden - 04-10-1867 - Art. 2 - 30 ELI link Pub nr 1867100450 Thesaurus CAS: ONDERZOEKSGERECHTEN Wettelijke bepalingen: Wet 4 oktober 1867 op de verzachtende omstandigheden - 04-10-1867 - Art. 1 - 30 ELI link Pub nr 1867100450 Wet 4 oktober 1867 op de verzachtende omstandigheden - 04-10-1867 - Art. 2 - 30 ELI link Pub nr 1867100450 Thesaurus CAS: STRAF - VERZACHTENDE OMSTANDIGHEDEN. VERSCHONINGSGRONDEN Wettelijke bepalingen: Wet 4 oktober 1867 op de verzachtende omstandigheden - 04-10-1867 - Art. 1 - 30 ELI link Pub nr 1867100450 Wet 4 oktober 1867 op de verzachtende omstandigheden - 04-10-1867 - Art. 2 - 30 ELI link Pub nr 1867100450 Thesaurus CAS: RECHTBANKEN - STRAFZAKEN - Strafvordering Wettelijke bepalingen: Wet 4 oktober 1867 op de verzachtende omstandigheden - 04-10-1867 - Art. 1 - 30 ELI link Pub nr 1867100450 Wet 4 oktober 1867 op de verzachtende omstandigheden - 04-10-1867 - Art. 2 - 30 ELI link Pub nr 1867100450 Thesaurus CAS: ONAANTASTBARE BEOORDELING DOOR DE FEITENRECHTER Wettelijke bepalingen: Wet 4 oktober 1867 op de verzachtende omstandigheden - 04-10-1867 - Art. 1 - 30 ELI link Pub nr 1867100450 Wet 4 oktober 1867 op de verzachtende omstandigheden - 04-10-1867 - Art. 2 - 30 ELI link Pub nr 1867100450 Tekst van de beslissing Nr. P.24.0436.N I A. B., beklaagde, aangehouden, eiser, met als raadsman mr. Loïc Cerulus, advocaat bij de balie Antwerpen, tegen
  2. A. V. G., burgerlijke partij,
  3. L. L., burgerlijke partij,
  4. W. D. B. burgerlijke partij,
  5. J. D. K., burgerlijke partij,
  6. I. C., burgerlijke partij,
  7. J. L., burgerlijke partij,
  8. J. W., burgerlijke partij, verweerders. II Pe.-M. G., beklaagde, aangehouden, eiser, met als raadsman mr. Jürgen Millen, advocaat bij de balie Limburg, tegen
  9. A. V. G., reeds vermeld, burgerlijke partij,
  10. L. L., reeds vermeld, burgerlijke partij,
  11. W. D. B., reeds vermeld, burgerlijke partij,
  12. J. D. K., reeds vermeld, burgerlijke partij,
  13. I. C., reeds vermeld, burgerlijke partij, verweerders. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 29 februari
  14. De eiser I voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. De eiser II voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Voorzitter Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Alain Winants heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van de cassatieberoepen en de memories
  15. Door bevestiging van het beroepen vonnis veroordeelt het arrest de eiser I tot betaling aan de verweerders I.6 en I.7 van een provisionele schadevergoeding, het beveelt een deskundigenonderzoek, het houdt de beslissing over de kosten van eerste aanleg en de rechtsplegingsvergoeding in eerste aanleg en in hoger beroep aan en het verwijst de zaak terug naar de eerste rechter voor verdere afhandeling van deze burgerlijke rechtsvordering.
  16. Dit zijn geen eindbeslissingen in de zin van artikel 420, eerste lid, Wetboek van Strafvordering. Het zijn evenmin, behoudens wat betreft de beslissing over het beginsel van aansprakelijkheid, beslissingen als bedoeld door het tweede lid van die bepaling. In zoverre ook gericht tegen deze beslissingen op de burgerlijke rechtsvorderingen van de verweerders I.6 en I.7 tegen de eiser I, is zijn cassatieberoep wegens voorbarigheid niet ontvankelijk.
  17. Door bevestiging van het beroepen vonnis veroordeelt het arrest de eisers I en II tot betaling aan de verweerder I.3-II.3 van provisionele schadevergoedingen, het beveelt een deskundigenonderzoek, het houdt de beslissing over de kosten van eerste aanleg en de rechtsplegingsvergoeding in eerste aanleg en in hoger beroep aan en het verwijst de zaak terug naar de eerste rechter voor verdere afhandeling van deze burgerlijke rechtsvordering.
  18. Dit zijn geen eindbeslissingen in de zin van artikel 420, eerste lid, Wetboek van Strafvordering. Het zijn evenmin, behoudens wat betreft de beslissing over het beginsel van aansprakelijkheid, beslissingen als bedoeld door het tweede lid van die bepaling. In zoverre ook gericht tegen deze beslissingen op de burgerlijke rechtsvorderingen van de verweerder I.3-II.3 tegen de eisers I en II, zijn hun cassatieberoepen wegens voorbarigheid niet ontvankelijk.
  19. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat de eisers I en II hun cassatieberoep hebben laten betekenen aan de verweerders, zoals vereist door artikel 427, eerste lid, Wetboek van Strafvordering, noch dat ze hun memories aan de verweerders hebben ter kennis gebracht zoals vereist door artikel 429 Wetboek van Strafvordering. In zoverre de cassatieberoepen ook zijn gericht tegen de beslissingen op de burgerlijke rechtsvorderingen van de verweerders I-1-II.1, I-2-II.2, I.4-II.4 en I.5-II.5 tegen de eisers I en II, tegen de beslissing over het beginsel van aansprakelijkheid voor wat betreft de burgerlijke rechtsvorderingen van de verweerder I-3-II.3 tegen de eisers I en II en wat betreft de burgerlijke rechtsvordering van de verweerders I.6 en I.7 tegen de eiser I, zijn de cassatieberoepen niet ontvankelijk. Dat geldt ook voor de memories in zoverre die op deze beslissingen betrekking hebben. Middelen van de eiser I Eerste middel
  20. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het arrest verklaart de eiser I schuldig aan de telastlegging A, omdat hij de enige dader is die Nederlands spreekt, zonder dat dit op objectieve wijze kan worden afgetoetst bij gebrek aan identificatie van andere daders, die eventueel Nederlands spreken.
  21. Het middel dat formeel een motiveringsgebrek aanvoert, verplicht in werkelijkheid tot een onderzoek van feiten, waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft en is dan ook niet ontvankelijk. Tweede middel
  22. Het middel voert schending aan van artikel 473 Strafwetboek: het arrest verantwoordt niet naar recht het bewezen zijn van de verzwarende omstandigheid dat het gebruikte geweld of de bedreigingen ten aanzien van het slachtoffer hebben geleid tot een ongeschiktheid tot het verrichten van persoonlijke arbeid van meer dan vier maanden, bij gebrek aan de weergave van objectieve periodes van ongeschiktheden en feitelijkheden die in oorzakelijk verband tot de daden van de eiser I staan.
  23. Het middel dat geheel opkomt tegen de beoordeling van de feiten door de rechter of verplicht tot een onderzoek van feiten, waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft, is niet ontvankelijk. Middelen van de eiser II Eerste middel
  24. Het middel voert schending aan van artikel 204 Wetboek van Strafvordering: de appelrechters laten na ambtshalve op te werpen dat ook de schuld aan de telastleggingen B, J en F.1, wat de verzwarende omstandigheid betreft, in het debat moest worden gebracht om het recht op toegang tot de rechter te waarborgen; de omstandigheid dat de eiser II geen grieven heeft geformuleerd tegen die telastleggingen doet hieraan geen afbreuk.
  25. Het staat aan het appelgerecht te oordelen of er grond is om bij toepassing van artikel 210, tweede lid, Wetboek van Strafvordering ambtshalve een grief aan te voeren.
  26. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat het appelgerecht ertoe gehouden was ambtshalve een dergelijke grief op te werpen. Het middel kan niet worden aangenomen. Tweede middel
  27. Het middel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM en artikel 14 IVBPR, alsmede miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het recht op een eerlijk proces door een onafhankelijke en onpartijdige rechter: het arrest weigert ten onrechte verzachtende omstandigheden aan te nemen met het oog op strafvermindering omdat reeds verzachtende omstandigheden werden aangenomen om de zaak te correctionaliseren.
  28. Indien het onderzoeksgerecht bij toepassing van de artikelen 1 en 2 van de wet van 4 oktober 1867 op de verzachtende omstandigheden een beklaagde verwijst naar de correctionele rechtbank wegens een correctionaliseerbare misdaad met aanneming van verzachtende omstandigheden, dan kan het vonnisgerecht niet nogmaals verzachtende omstandigheden aannemen.
  29. Dit sluit niet uit dat een beklaagde voor het vonnisgerecht omstandigheden kan aanvoeren ter staving van zijn verzoek om een milde straftoemeting, zonder dat die evenwel kunnen leiden tot een aanpassing van de door de wetgever bepaalde minima en maxima rekening houdend met de correctionalisering. Het staat dan aan het vonnisgerecht onaantastbaar te oordelen of rekening houdend met de doelstellingen van de straftoemeting en de concrete gegevens van de zaak die omstandigheden daadwerkelijk tot een milde straftoemeting moeten leiden.
  30. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
  31. De aangevoerde miskenning van het recht op een onafhankelijke en onpartijdige rechter is afgeleid uit de voormelde vergeefs aangevoerde onwettigheden en is bijgevolg niet ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek
  32. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt de cassatieberoepen. Veroordeelt de eisers tot de kosten van hun cassatieberoep. Bepaalt de kosten in het geheel op 370,21 euro, waarvan de eiser I 185,10 euro is verschuldigd en de eiser II 185,11 euro is verschuldigd. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, de raadsheren Erwin Francis, Eric Van Dooren, Steven Van Overbeke en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 11 juni 2024 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Alain Winants, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240611.2N.4 Gerelateerde publicatie(s) zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250610.2N.27 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.