Obsah (4)
Art. 525Art. 526Art. 528Art. 528bisid="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 11 juni 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2024:
Art. 525
- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek
Art. 526
- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek
Art. 528
- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek
Art. 528bis
- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: CASSATIE - BEVOEGDHEID VAN HET HOF - Algemeen Wettelijke bepalingen: Wetboek
Art. 525
- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek
Art. 526
- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek
Art. 528
- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek
Art. 528bis- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Tekst van de beslissing Nr.
P.24.0768.N D. O., verzoeker tot regeling van rechtsgebied, beklaagde, met als raadsman mr. Joachim Meese, advocaat bij de balie Gent, met kantoor te 9880 Aalter, Beukenpark 111, waar de verzoeker woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het op 16 mei 2024 ter griffie van het Hof ingediende verzoek strekt ertoe om op grond van de artikelen 526 en volgende Wetboek van Strafvordering het rechtsgebied te regelen met betrekking tot twee strafzaken hangende, respectievelijk voor: - het hof van beroep te Antwerpen, 5C-kamer, rolnummer C2024/CO/384 (hierna de Antwerpse zaak); - het hof van beroep te Gent, achtste kamer, rolnummer 2024/NT/43 (hierna de Gentse zaak). Voorzitter Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Alain Winants heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling
- De verzoeker zet in zijn verzoekschrift samengevat uiteen wat volgt: - F. D’H. werd samen met de verzoeker vervolgd in de Antwerpse zaak; - hij wordt ook vervolgd in de Gentse zaak. F. D’H. heeft in de Gentse zaak aangevoerd dat hij sinds jaren werkt voor de Drug Enforcement Administration (Amerikaanse opsporingsdienst) (hierna DEA) en door de leden van de FGP Kortrijk wordt ingeschakeld als burgerinfiltrant, waarbij hij werd aangestuurd om misdrijven te plegen waarvoor hij werd vervolgd en waarbij hij onder aansturing van zijn politionele opdrachtgevers communiceerde met het criminele milieu; - de betrokkene heeft op grond daarvan de vrijspraak gevraagd, subsidiair dat getuigen à décharge zouden worden gehoord op de rechtszitting, onder meer zijn runner bij de DEA en onderzoekers van de FGP West-Vlaanderen; - bij tussenvonnis van 2 januari 2024 heeft de correctionele rechtbank West-Vlaanderen, afdeling Kortrijk geoordeeld dat de aanvoeringen van F. D’H. niet aannemelijk werden gemaakt en dat er geen reden was over te gaan tot het verhoor van getuigen. Tegen dat vonnis hebben de verzoeker en meerdere medebeklaagden hoger beroep ingesteld; - het Gentse hof van beroep heeft de behandeling van de zaak uitgesteld naar de rechtszitting van 19 juni 2024 om door de FGP Oost-Vlaanderen te laten overgaan tot een grondig herverhoor van F. D’H. en dit gelet op een proces-verbaal van een gerechtsdeurwaarder opgenomen verklaring; - de goede rechtsbedeling vereist dat beide zaken samen worden behandeld; - uit de verklaring van F. D’H. zou blijken dat deze gedurende de incriminatieperiode in beide zaken mogelijk op onwettige wijze werd ingeschakeld als burgerinfiltrant zonder dat deze strafdossiers daar maar enig gegeven over bevatten; - uit die verklaring zou ook blijken dat de rol van de verzoeker in beide zaken minimaal is, terwijl hij wordt vervolgd als leider van een criminele organisatie; - het recht op een eerlijk proces van de verzoeker zou vereisen dat beide dossiers samen zouden worden behandeld, zodat de appelrechters die in de Antwerpse zaak uitspraak moeten doen, ook kennis zouden hebben van wat door F. D’H. wordt voorgehouden en van de resultaten van het bijkomend onderzoek bevolen in de Gentse zaak of dat nog zou worden bevolen; - het recht op een eerlijk proces van de verzoeker zou ook vereisen dat de verzoeker in de gelegenheid wordt gesteld om op de rechtszitting in de Antwerpse zaak vragen te doen stellen aan F. D’H. en aan eventueel andere getuigen die in de Gentse zaak zullen worden gehoord; - de goede rechtsbedeling zou ook nog vereisen dat beide dossiers samen worden behandeld teneinde dubbele getuigenverhoren te vermijden; - alleen op die manier zou daadwerkelijk onderzoek door de bodemrechter mogelijk zijn naar de rol van F. D’H. en de eventuele procedurele gevolgen daarvan voor de beide dossiers met inbegrip van het onderzoek naar de gebeurlijke provocatie van de verzoeker; - het recht op een eerlijk proces van de verzoeker zou ten slotte ook vereisen dat hij op daadwerkelijke wijze aan de strafrechter kan voorleggen dat zijn dubbele vervolging in twee onderscheiden dossiers betrekking heeft op een collectief misdrijf. De verzoeker houdt voor dat de feiten in de Gentse zaak en in de Antwerpse zaak, zo bewezen, een collectief misdrijf opleveren en hij verwijst daarvoor naar een aantal feitelijke gegevens betreffende telastleggingen, tijdsperiodes, plaats van de feiten, betrokkenheid van F. D’H. en onderlinge verwijzingen in de stukken van beide dossiers. Bij een gelijktijdige vervolging van de zaken voor een ander hof van beroep bestaat volgens de verzoeker het risico dat artikel 65, tweede lid, Strafwetboek, dat vereist dat in één van de vervolgingen er een definitieve veroordeling voorligt, niet kan worden toegepast.
- Uit artikel 526 Wetboek van Strafvordering volgt dat er grond is tot regeling van rechtsgebied door het Hof van Cassatie wanneer onderscheidene hoven van beroep kennis nemen van eenzelfde misdrijf of samenhangende misdrijven.
- Artikel 525 Wetboek van Strafvordering bepaalt dat ieder verzoek tot regeling van rechtsgebied summier en op enkele memorie wordt behandeld en uitgewezen. Uit de artikelen 528 en 528bis Wetboek van Strafvordering volgt dat het Hof onmiddellijk uitspraak kan doen over een verzoek tot regeling van rechtsgebied.
- Het staat aan het Hof te oordelen of het gegeven dat twee hoven van beroep dezelfde of samenhangende misdrijven onderzoeken, een geschil van rechtsmacht doet ontstaan dat de rechtsgang belemmert. Dat kan het geval zijn wanneer het gelet op de goede rechtsbedeling en meer bepaald de vrijwaring van de doelmatigheid van de waarheidsvinding en het recht van verdediging, noodzakelijk voorkomt dat de zaken verder worden behandeld door eenzelfde hof van beroep. Bij die beoordeling kunnen ook de stand van de rechtspleging in de beide zaken en de beheersbaarheid van de zaken na een eventuele voeging worden betrokken.
- Het Hof stelt vast dat: - in de Antwerpse zaak de verzoeker bij vonnis van 18 december 2020 door de Nederlandstalige correctionele rechtbank Brussel en vervolgens bij arrest van het hof van beroep te Brussel van 6 september 2021 werd veroordeeld wegens drugmisdrijven en feiten inzake criminele organisatie. Dit arrest werd bij arrest van het Hof van 11 januari 2022 vernietigd en de zaak werd verwezen naar het hof van beroep te Antwerpen. Bij arrest van 26 mei 2023 van het hof van beroep te Antwerpen werd de eiser opnieuw veroordeeld. Dit arrest werd vernietigd bij arrest van het Hof van 23 januari 2024 en de zaak werd verwezen naar het hof van beroep te Antwerpen, anders samengesteld. In deze zaak heeft het hof van beroep te Antwerpen enkel nog te oordelen met betrekking tot de verzoeker; - in de Antwerpse zaak op de rechtszitting van 8 mei 2024 conclusietermijnen werden bepaald en de zaak voor behandeling werd vastgesteld op de rechtszitting van 23 oktober 2024, zonder dat enig andere beslissing werd genomen; - in de Gentse zaak de vervolging betrekking heeft op drugmisdrijven en witwassen; - de Gentse zaak op de rechtszitting van 17 april 2024 werd uitgesteld naar de rechtszitting van 19 juni 2024, met het verzoek aan het openbaar ministerie over te laten gaan door de FGP Oost-Vlaanderen tot een grondig herverhoor van F. D’H. gelet op het proces-verbaal van vaststelling van de gerechtsdeurwaarder van 5 februari
- Daaruit volgt dat in de Gentse zaak het appelgerecht enkel een verzoek heeft gericht aan het openbaar ministerie om te laten overgaan tot een verhoor van F. D’H. Er blijkt niet dat in de Antwerpse of in de Gentse zaak enige beslissing werd genomen met betrekking tot andere onderzoekshandelingen of over het horen van getuigen op de rechtszitting.
- In de huidige stand van de rechtspleging in de beide zaken en ermee rekening houdend dat het resultaat nog niet is gekend van het herverhoor van F. D’H., kan uit de loutere mogelijkheid dat bijkomend onderzoek of het verhoren van getuigen zou kunnen worden bevolen, niet worden afgeleid dat de goede rechtsbedeling vereist dat de beide zaken door eenzelfde appelgerecht moeten worden behandeld.
- Daaraan moet worden toegevoegd dat de verzoeker steeds de mogelijkheid heeft om het verweer dat hij voert in de Gentse zaak ook te voeren in de Antwerpse zaak. Hij kan alle elementen die worden verkregen in de Gentse zaak ook aanwenden in de Antwerpse zaak of verzoeken om bijkomend onderzoek of het horen van getuigen op de rechtszitting ook formuleren in de Antwerpse zaak. Het recht op een eerlijk proces en het recht van verdediging van de verzoeker vereisen dan ook geenszins de behandeling van beide zaken door eenzelfde appelgerecht.
- Uit het enkele feit dat de verzoeker voorhoudt dat de feiten voorwerp van de Antwerpse zaak en de feiten voorwerp van de Gentse zaak, voor zover bewezen, wat hem betreft, een collectief misdrijf opleveren, kan niet worden afgeleid dat de vervolging in beide zaken aan eenzelfde appelgerecht moet worden toevertrouwd. Die aanvoering gaat immers uit van de loutere veronderstelling dat een appelgerecht de aanvoering van de verzoeker over het collectief misdrijf zal bijtreden, alsook dat bij een afzonderlijke vervolging van beide zaken de verzoeker zich niet op de toepassing van artikel 65, tweede lid, Strafwetboek zou kunnen beroepen omdat de beslissing in de andere zaak nog niet in kracht van gewijsde zal zijn gegaan.
- Er is dan ook geen grond tot regeling van rechtsgebied. Dictum Het Hof, Verwerpt het verzoek tot regeling van rechtsgebied. Veroordeelt de verzoeker tot de kosten. Bepaalt de kosten tot op heden op 0 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, de raadsheren Erwin Francis, Eric Van Dooren, Steven Van Overbeke, en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 11 juni 2024 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Alain Winants, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240611.2N.9 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:1999:ARR.19990511.6 ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20010508.19 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241231.2N.23 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div