id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 17 juni 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240617.3N.7 Rolnummer: C.23.0144.N Zaak: Stad Gent contra W. Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Overige - Constitutioneel recht Invoerdatum: 2024-07-05 Raadplegingen: 1198 - laatst gezien 2026-06-17 13:13 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240617.3N.7 Fiches 1 - 2 De rechter aan wie gevraagd wordt een administratieve sanctie te toetsen die een repressief karakter heeft in de zin van artikel 6 EVRM, mag de wettigheid van die sanctie onderzoeken en mag in het bijzonder nagaan of die sanctie verzoenbaar is met de dwingende eisen van internationale verdragen en van het interne recht, met inbegrip van de algemene rechtsbeginselen; dit toetsingsrecht moet in het bijzonder aan de rechter toelaten na te gaan of de straf niet onevenredig is met de inbreuk, zodat de rechter mag onderzoeken of het bestuur naar redelijkheid kon overgaan tot het opleggen van een administratieve geldboete van zodanige omvang; de rechter mag hierbij in het bijzonder acht slaan op de zwaarte van de inbreuk, de hoogte van reeds opgelegde sancties, de wijze waarop in gelijkaardige zaken werd geoordeeld en de weerslag van de sanctie voor de betrokkene, maar moet hierbij in acht nemen in welke mate het bestuur zelf gebonden is in verband met de sanctie, in welk geval de rechter een grotere terughoudendheid moet in acht nemen; dt toetsingsrecht houdt niet in dat de rechter op grond van een subjectieve appreciatie van wat hij redelijk acht, om loutere redenen van opportuniteit en tegen wettelijke regels in, boeten kan kwijtschelden of verminderen
(2)Cass. 24 maart 2023, AR F.21.0056.N ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230324.1N.3, AC 2023, nr. 230, met concl. van advocaat-generaal J. Van der Fraenen; Cass. 10 februari 2023, AR C.22.0184.N ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230210.1N.8, AC 2023, nr. 111, met concl. van advocaat-generaal E. Herregodts en Cass. 11 maart 2010, AR C.09.0096.N ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100311.1, AC 2010, nr. 174, met concl. van advocaat-generaal D. Thijs. Thesaurus CAS: RECHTBANKEN - ALGEMEEN Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Decreet 27 november 2015 betreffende lage-emissiezones - 27-11-2015 - Art. 10, § 1 - 09 ELI link Pub nr 2015036551 Reglement van 23 april 2019 voor een lage-emissiezone (LEZ) in Gent - 23-04-2019 - Art. 6, § 2 Thesaurus CAS: GEMEENTE Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Decreet 27 november 2015 betreffende lage-emissiezones - 27-11-2015 - Art. 10, § 1 - 09 ELI link Pub nr 2015036551 Reglement van 23 april 2019 voor een lage-emissiezone (LEZ) in Gent - 23-04-2019 - Art. 6, § 2 Tekst van de beslissing Nr. C.23.0144.N STAD GENT, vertegenwoordigd door haar college van burgemeester en schepenen, met burelen te 9000 Gent, Botermarkt 1, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0207.451.227, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Beatrix Vanlerberghe, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187/302, waar de eiseres woonplaats kiest, tegen B. W., verweerder. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in laatste aanleg van de politierechtbank Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, van 8 december
- De zaak is bij beschikking van de eerste voorzitter van 21 mei 2024 verwezen naar de derde kamer. Advocaat-generaal Henri Vanderlinden heeft op 21 mei 2024 een schriftelijke conclusie neergelegd. Sectievoorzitter Geert Jocqué heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Henri Vanderlinden heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel in zijn geheel
- Artikel 10, § 1, van het decreet van 17 (lees: 27) november 2015 betreffende lage-emissiezones, hierna LEZ-decreet, bepaalt dat de gemeenteraad administratieve geldboeten kan bepalen voor de inbreuken op zijn reglementen die in toepassing van dit decreet werden vastgesteld. Deze administratieve geldboete komt voor rekening van de overtreder. Het bedrag van de administratieve geldboete bedraagt minimaal 15 euro en maximaal 60 euro. Het voormelde bedrag wordt vermeerderd met de opdeciemen die van toepassing zijn voor de strafrechtelijke geldboeten.
- Artikel 6, § 2, van het Reglement van 23 april 2019 voor een lage-emissiezone (LEZ) in Gent bepaalt dat een overtreding wordt gesanctioneerd met een administratieve geldboete of onmiddellijke inning zoals bedoeld in artikel 10 LEZ-decreet die ten laste wordt gelegd van de overtreder. Artikel 6, § 3, van hetzelfde Reglement bepaalt dat de administratieve geldboete 150 euro per overtreding bedraagt.
- De rechter aan wie gevraagd wordt een administratieve sanctie te toetsen die een repressief karakter heeft in de zin van artikel 6 EVRM, mag de wettigheid van die sanctie onderzoeken en mag in het bijzonder nagaan of die sanctie verzoenbaar is met de dwingende eisen van internationale verdragen en van het interne recht, met inbegrip van de algemene rechtsbeginselen. Dit toetsingsrecht moet in het bijzonder aan de rechter toelaten na te gaan of de straf niet onevenredig is met de inbreuk, zodat de rechter mag onderzoeken of het bestuur naar redelijkheid kon overgaan tot het opleggen van een administratieve geldboete van zodanige omvang. De rechter mag hierbij in het bijzonder acht slaan op de zwaarte van de inbreuk, de hoogte van reeds opgelegde sancties, de wijze waarop in gelijkaardige zaken werd geoordeeld en de weerslag van de sanctie voor de betrokkene, maar moet hierbij in acht nemen in welke mate het bestuur zelf gebonden is in verband met de sanctie, in welk geval de rechter een grotere terughoudendheid moet in acht nemen. Dit toetsingsrecht houdt niet in dat de rechter op grond van een subjectieve appreciatie van wat hij redelijk acht, om loutere redenen van opportuniteit en tegen wettelijke regels in, boeten kan kwijtschelden of verminderen.
- De rechter stelt vast dat de eiseres vijf geldboeten van elk 150 euro aan de verweerder heeft opgelegd wegens een inbreuk op de lage-emissiezone van de eiseres op vijf opeenvolgende dagen van 19 april tot en met 23 april
- De rechter stelt vast en oordeelt dat: - de boetetarieven op zich niet kennelijk onevenredig zijn maar de opeenvolging van de boeten op korte termijn zonder consequent waarschuwingsbeleid en verwittigingsbeleid van de eiseres dit wel is en tot een disproportioneel karakter van de boeten leidt; - de verweerder trouwens op 26 november 2021 wel een waarschuwing in zijn mailbox mocht ontvangen met de melding dat de vergunning voor zijn voertuig niet meer geldig is na 25 december 2021 en aldus tijdig werd verwittigd dat zijn vergunning zou verlopen en zo tijdig zijn vergunning kon verlengen; - hij begrip heeft voor het doel dat de aan de verweerder opgelegde administratieve boete nastreeft, waarbij niet alleen een repressieve, maar ook een preventieve werking wordt beoogd, maar van oordeel is dat men door het opeenvolgend opleggen van de boeten op korte termijn zonder consequent verwittigings- en communicatiebeleid tot bedragen komt die niet proportioneel zijn en kennelijk onevenredig zijn met het nagestreefde doel en de gehanteerde tarieven van de toelatingen; - hij zich dan ook aansluit bij het standpunt van de verweerder dat de opeenstapeling en cumulatie van de administratieve geldboeten eerder buitenproportioneel is en door een snellere communicatie en feedback van de eiseres kon vermeden worden; - de verweerder terecht verwijst naar het jaarverslag 2021 van de ombudsvrouw van de eiseres waarin werd bevestigd dat de termijn tussen de inbreuk en het versturen van de eerste administratieve GAS/LEZ boete veel korter moet kunnen en dat dit zorgt voor een disproportionele opeenstapeling van boeten tussen de eerste overtreding en de eerste kennisgeving ervan; - het bedrag van de opeenvolgende boeten moet worden herleid tot 200 euro gelet op deze vaststellingen, de omstandigheden waarin de overtredingen werden begaan en het gegeven dat de verweerder ondertussen de situatie heeft geregulariseerd.
- Met deze redenen toetst de rechter de boeten aan het evenredigheidsbeginsel zonder te oordelen op grond van een subjectieve appreciatie van wat hij redelijk acht, om loutere redenen van opportuniteit en tegen wettelijke regels in, en verantwoordt hij zijn beslissing naar recht. De onderdelen kunnen niet worden aangenomen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiseres tot de kosten. Bepaalt de kosten voor de eiseres op 719,99 euro en op de som van 650 euro rolrecht verschuldigd aan de Belgische Staat. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Koen Mestdagh, als voorzitter, en de raadsheren Sven Mosselmans, Miriam Ghyselen, Bruno Lietaert en Michael Traest, en in openbare rechtszitting van 17 juni 2024 uitgesproken door sectievoorzitter Koen Mestdagh, in aanwezigheid van advocaat-generaal Henri Vanderlinden, met bijstand van griffier Wim Vanderputten. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240617.3N.7 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240617.3N.7 precedenten: ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100311.1 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230210.1N.8 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230324.1N.3 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260129.1N.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div