← België

D.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 18 juni 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240618.2N.15 Rolnummer: P.24.0601.N Zaak: D. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2024-06-24 Raadplegingen: 874 - laatst gezien 2026-06-18 17:28 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiches 1 - 2 Indien bij vaststelling van een verkeersinbreuk door een automatisch werkend toestel het proces-verbaal van overtreding niet is toegestuurd binnen de termijn van veertien dagen, te rekenen van de datum van de vaststelling van het misdrijf, verliest het proces-verbaal zijn bijzondere bewijswaarde en kan het enkel als een gewone inlichting in aanmerking worden genomen

(1); die regeling en de beperking van de bijzondere bewijswaarde in de tijd hebben als doel de persoon tegen wie het proces-verbaal is opgesteld, op nuttige wijze in staat te stellen het tegenbewijs van de vaststelling te leveren; uit de tekst van artikel 62, derde lid, eerste zin, en zesde lid, eerste zin, Wegverkeerswet en het doel van de regeling volgt dat ingeval de overtreding werd vastgesteld met een onbemand automatisch werkend toestel
(2), de termijn van veertien dagen waarbinnen het proces-verbaal van overtreding moet zijn toegezonden een aanvang neemt op de datum van de vaststelling van de overtreding door dit toestel en dus niet vanaf de datum waarop een verbalisant op basis van de met het toestel gedane vaststelling proces-verbaal opstelt
(3).
(1)Cass. 28 mei 2024, AR P.24.0517.N ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240528.2N.4, AC 2024, nr. 403; Cass. 10 april 2024, AR P.23.1662.F ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240410.2F.11, AC 2024, nr. 294; Cass. 27 september 2023, AR P.23.0844.F ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230927.2F.9, AC 2023, nr. 602, VAV 2024, 42; Cass. 5 november 2014, AR P.14.0859.F ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20141105.6, AC 2014, nr. 666; Pol. Waver 13 januari 2023, JLMB 2024, 851.
(2)Cass. 28 mei 2024, AR P.24.0517.N ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240528.2N.4, AC 2024, nr. 403.
(3)Cass. 7 juni 2017, AR P.17.0220.F ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170607.3, AC 2017, nr. 374; Corr. Brussel 17 juni 2019, JT 2019, 868 noot A. LEROY; Corr. Brussel 11 februari 2020, VAV 2020, 16; Corr. Rb. Luik, afd. Hoei 29 maart 2024, JLMB 2024, 860; M. STERKENS, “De opsporing en vaststelling van inbreuken (art. 62-64, 67bis en 67ter Wegverkeerswet)”, hoofdstuk 11 in Bestendig Handboek Verkeer, Kluwer, 2024,
  1. Thesaurus CAS: WEGVERKEER - WEGVERKEERSWET - WETSBEPALINGEN - Artikel 62 Wettelijke bepalingen: Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 62, derde en zesde lid - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Thesaurus CAS: BEWIJS - STRAFZAKEN - Bewijsvoering Wettelijke bepalingen: Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 62, derde en zesde lid - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Tekst van de beslissing Nr. P.24.0601.N F. D., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Cavit Yurt, advocaat bij de balie Brussel. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de correctionele rechtbank Leuven van 14 maart
  2. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Voorzitter Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het cassatieberoep
  3. Het bestreden vonnis verklaart eisers hoger beroep ontvankelijk en oordeelt dat de appelrechters zich zowel over de schuld als de straf moeten uitspreken. In zoverre ook gericht tegen die beslissing, is eisers cassatieberoep bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Middel
  4. Het middel voert schending aan van artikel 62 Wegverkeerswet: het bestreden vonnis oordeelt ten onrechte dat bij de vaststelling van een overtreding door middel van een onbemand automatisch werkend toestel de termijn van veertien dagen waarbinnen het proces-verbaal van overtreding moet zijn toegezonden opdat het een bijzondere bewijswaarde zou hebben, niet aanvangt op de datum van de vaststelling van de overtreding door dit toestel maar slechts vanaf het ogenblik dat de verbalisant daarover proces-verbaal opstelt; uit de tekst van artikel 62, derde lid, Wegverkeerswet maar ook uit de geest van de wet volgt dat bepalend is het ogenblik van de vaststelling van de overtreding door het toestel.
  5. Artikel 62, derde lid, eerste zin, Wegverkeerswet bepaalt dat de vaststellingen gesteund op materiële bewijsmiddelen die door onbemande automatisch werkende toestellen worden opgeleverd, bewijswaarde hebben zolang het tegendeel niet is bewezen.
  6. Artikel 62, zesde lid, eerste zin, Wegverkeerswet bepaalt dat een afschrift van dit proces-verbaal aan de overtreder wordt toegezonden binnen een termijn van veertien dagen, te rekenen van de datum van de vaststelling van het misdrijf.
  7. Indien het proces-verbaal van overtreding niet binnen die termijn aan de overtreder is toegestuurd, verliest het zijn bijzondere bewijswaarde en kan het enkel als een gewone inlichting in aanmerking worden genomen.
  8. Die regeling en de beperking van de bijzondere bewijswaarde in de tijd hebben als doel de persoon tegen wie het proces-verbaal is opgesteld, op nuttige wijze in staat te stellen het tegenbewijs van de vaststelling te leveren.
  9. Uit de tekst van artikel 62, derde lid, eerste zin, en zesde lid, eerste zin, Wegverkeerswet en het doel van de regeling volgt dat ingeval de overtreding werd vastgesteld met een onbemand automatisch werkend toestel, de termijn van veertien dagen waarbinnen het proces-verbaal van overtreding moet zijn toegezonden een aanvang neemt op de datum van de vaststelling van de overtreding door dit toestel en dus niet vanaf de datum waarop een verbalisant op basis van de met het toestel gedane vaststelling proces-verbaal opstelt.
  10. Het bestreden vonnis dat anders oordeelt en op die grond de eiser schuldig verklaart aan het hem ten laste gelegde feit, schendt de vermelde bepaling. Het middel is gegrond. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden vonnis behoudens in zoverre het eisers hoger beroep ontvankelijk verklaart en het de saisine van het appelgerecht bepaalt. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde vonnis. Verwerpt het cassatieberoep voor het overige. Veroordeelt de eiser tot een tiende van de kosten van het cassatieberoep. Houdt de beslissing over de overige kosten aan en laat die over aan de rechter op verwijzing. Verwijst de aldus beperkte zaak naar de Nederlandstalige correctionele rechtbank Brussel, rechtszitting houdend in hoger beroep. Bepaalt de kosten op 119,85 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, de raadsheren Erwin Francis, Eric Van Dooren, Steven Van Overbeke en Bruno Lietaert, en in openbare rechtszitting van 18 juni 2024 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240618.2N.15 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20141105.6 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170607.3 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230927.2F.9 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240410.2F.11 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240528.2N.4 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251029.2F.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.