← België

V.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 18 juni 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240618.2N.16 Rolnummer: P.24.0445.N Zaak: V. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2024-06-24 Raadplegingen: 703 - laatst gezien 2026-06-19 03:42 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiches 1 - 2 Volgens artikel 65/1, § 2, vijfde lid, Wegverkeerswet wordt de verjaring van de strafvordering geschorst vanaf de dag dat het verzoekschrift wordt ingediend, tot de dag van het definitieve vonnis

(1); onder het definitieve vonnis in de zin van deze bepaling moet worden begrepen het vonnis dat definitief een einde stelt aan de procedure die een aanvang heeft genomen met het door artikel 65/1, § 2, Wegverkeerswet bedoelde beroep door een persoon tegen wie een bevel tot betaling is uitgevaardigd en dus met inbegrip van de beslissingen die uitspraak doen over in het kader van die procedure ingestelde rechtsmiddelen; het eerste vonnis dat uitspraak doet over het door een beklaagde ingestelde beroep tegen een bevel tot betaling is dus niet noodzakelijk het definitieve vonnis in de zin van artikel 65, § 2, vijfde lid, Wegverkeerswet.
(1)Over deze schorsingsgrond zie GwH 23 maart 2023, arrest 50/2023, B.19-23, www.const-court.be Thesaurus CAS: WEGVERKEER - WEGVERKEERSWET - WETSBEPALINGEN - Artikel 65 Wettelijke bepalingen: Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 65/1, § 2, vijfde lid - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Art. 24 - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Thesaurus CAS: STRAFVORDERING Wettelijke bepalingen: Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 65/1, § 2, vijfde lid - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Art. 24 - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Fiches 3 - 4 Uit artikel 202 Wetboek van Strafvordering en de daaruit afgeleide relatieve werking van het enkel hoger beroep van de beklaagde volgt dat het appelgerecht de beklaagde niet kan veroordelen tot de betaling van de bijdrage aan het Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand die niet was opgelegd met het beroepen vonnis
(1); die relatieve werking verzet zich evident niet tot de veroordeling van de beklaagde tot de kosten van het door hem ingestelde hoger beroep
(2).
(1)J. DECOKER, “En dan zijn er nog? De bijdragen, toeslagen en vergoedingen”, T. Strafr. 2024, 47. Over de relatieve werking van het hoger beroep zie M.-A. BEERNAERT, H.D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale, die Keure, 2021, 1733-1743.
(2)M. FRANCHIMONT, A. JACOBS en A. MASSET, Manuel de procédure pénale, Larcier, 2012, 848, met verwijzing naar Cass. 2 december 1919, Pas. 1919,
  1. Zie ook R. DECLERCQ, Beginselen van strafrechtspleging, Kluwer, 2007, nr.
  2. Thesaurus CAS: GERECHTSKOSTEN - STRAFZAKEN - Procedure voor de feitenrechter Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 202 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wet 19 maart 2017 tot oprichting van een Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand - 19-03-2017 - Art. 4, § 3 - 06 ELI link Pub nr 2017011424 Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - STRAFZAKEN (DOUANE EN ACCIJNZEN INBEGREPEN) - Gevolgen. Bevoegdheid van de rechter Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 202 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wet 19 maart 2017 tot oprichting van een Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand - 19-03-2017 - Art. 4, § 3 - 06 ELI link Pub nr 2017011424 Tekst van de beslissing Nr. P.24.0445.N C. F. G. V., beklaagde, eiseres, met als raadsman mr. Bart Bleyaert, advocaat bij de balie West-Vlaanderen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de correctionele rechtbank West-Vlaanderen, afdeling Kortrijk, van 9 februari 2024, gewezen op verwijzing bij arrest van het Hof van 27 juni
  3. De eiseres voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vier middelen aan. Voorzitter Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
  4. Het middel voert schending aan van artikel 65/1 Wegverkeerswet: het bestreden vonnis oordeelt ten onrechte dat de verjaring van de strafvordering niet is bereikt; het houdt ten onrechte rekening met de in artikel 65/1, § 2, vijfde lid, Wegverkeerswet vermelde schorsing van de verjaring van de strafvordering ingeval van een beroep tegen een bevel tot betaling tot het definitieve vonnis; onder een dergelijk vonnis wordt enkel het eerste vonnis begrepen dat wordt gewezen na het beroep tegen het bevel tot betalen.
  5. De verjaringstermijn voor inbreuken op de Wegverkeerswet en de uitvoeringsbesluiten bedraagt volgens artikel 68 van die wet, behoudens in hier niet toepasselijke gevallen, twee jaar.
  6. Volgens de artikelen 22, 23, 24 en 25 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering, zoals van toepassing op de datum van het bestreden vonnis, wordt de verjaring van de strafvordering gestuit door de daden van onderzoek of van vervolging tijdens de eerste verjaringstermijn en wordt de verjaring van de strafvordering geschorst wanneer de wet dat bepaalt of wanneer er een wettelijk beletsel bestaat dat de instelling of de uitoefening van de strafvordering verhindert.
  7. Volgens artikel 65/1, § 2, vijfde lid, Wegverkeerswet wordt de verjaring van de strafvordering geschorst vanaf de dag dat het verzoekschrift wordt ingediend, tot de dag van het definitieve vonnis.
  8. Onder het definitieve vonnis in de zin van deze bepaling moet worden begrepen het vonnis dat definitief een einde stelt aan de procedure die een aanvang heeft genomen met het door artikel 65/1, § 2, Wegverkeerswet bedoelde beroep door een persoon tegen wie een bevel tot betaling is uitgevaardigd en dus met inbegrip van de beslissingen die uitspraak doen over in het kader van die procedure ingestelde rechtsmiddelen. Het eerste vonnis dat uitspraak doet over het door een beklaagde ingestelde beroep tegen een bevel tot betaling is dus niet noodzakelijk het definitieve vonnis in de zin van artikel 65, § 2, vijfde lid, Wegverkeerswet.
  9. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
  10. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt wat volgt: - het aan de eiseres ten laste gelegde feit dateert van 27 februari 2020; - de eiseres heeft op 9 december 2021 het door artikel 65/1, § 2, Wegverkeerswet bedoelde beroep ingesteld tegen het tegen haar op 21 september 2021 uitgevaardigde bevel tot betaling. Bijgevolg is de verjaring van de strafvordering voor het aan de eiseres verweten feit op grond van artikel 65/1, § 2, vijfde lid, Wegverkeerswet geschorst vanaf 9 december 2021 en dit tot op vandaag. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Tweede middel
  11. Het middel voert schending aan van artikel 6.2 EVRM, de artikelen 14.2 en 14.3.g IVBPR, de artikelen 6 en 7 van de richtlijn (EU) 2016/343 van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2016 betreffende de versterking van bepaalde aspecten van het vermoeden van onschuld en van het recht om in strafprocedures bij de terechtzitting aanwezig te zijn, en artikel 67bis Wegverkeerswet: met het enkele oordeel dat de loutere bewering van de eiseres een onvoldoende bewijs vormt van het feit dat niet zij de bestuurster was van het voertuig op het ogenblik van de feiten, zodat zij niet slaagt in de weerlegging van het vermoeden, miskent het bestreden vonnis het vermoeden van onschuld van de eiseres; de eiseres heeft sinds 9 december 2021 N. aangewezen als onmiskenbare bestuurder; er kan de eiseres niet worden verweten dat zij op enige manier de identificatie van de bestuurder heeft belemmerd of dat zij een onbevredigende verklaring zou hebben afgelegd; zonder bijkomend onderzoek te bevelen wordt daaruit een negatief gevolg afgeleid.
  12. Artikel 67bis Wegverkeerswet heeft ten laste van de kentekenplaathouder van een motorvoertuig, dat is ingeschreven op naam van een natuurlijk persoon, waarmee een overtreding van de Wegverkeerswet of de uitvoeringsbesluiten ervan werd begaan waarbij de bestuurder niet werd geïdentificeerd, een vermoeden van daderschap ingevoerd. De kentekenplaathouder wordt vermoed de overtreding te hebben begaan, tenzij hij volgens de in artikel 67bis Wegverkeerswet bedoelde modaliteiten slaagt het vermoeden te weerleggen.
  13. De rechter oordeelt onaantastbaar of de kentekenplaathouder slaagt in de weerlegging van het op hem rustend vermoeden van daderschap.
  14. Uit het enkele feit dat de kentekenplaathouder een derde aanwijst als de bestuurder van het motorvoertuig op het ogenblik van de overtreding volgt niet dat de rechter moet aannemen dat het lastens de kentekenplaathouder ingestelde vermoeden is weerlegd, dan wel dat de rechter ter zake aanvullend onderzoek moet bevelen. Dit alles houdt geen miskenning is van het vermoeden van onschuld zoals gewaarborgd door de in het middel vermelde bepalingen.
  15. Het middel dat uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt naar recht. Derde middel
  16. Het middel voert schending aan van artikel 21ter Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering: het bestreden vonnis, dat in deze zaak een overschrijding van de redelijke termijn vaststelt waarin de vervolging betrekking had op een zeer geringe snelheidsovertreding en waarbij aan de eiseres de minimumgeldboete wordt opgelegd, vermindert de bestraffing niet meetbaar of reëel in vergelijking met de situatie waarin geen overschrijding van de redelijke termijn zou zijn vastgesteld.
  17. De rechter die een overschrijding van de redelijke termijn vaststelt, moet die verdragsschending remediëren. De rechter oordeelt onaantastbaar op welke wijze de vastgestelde overschrijding wordt geremedieerd.
  18. Die remediëring kan bestaan in een straf die op een reële en meetbare wijze lager is dan de straf die de rechter zou hebben opgelegd bij niet-overschrijding van de redelijke termijn. Zij hoeft niet noodzakelijk te bestaan in het uitspreken van een veroordeling bij eenvoudige schuldigverklaring.
  19. Niet is vereist dat de rechter uitdrukkelijk de straf vermeldt die hij zou hebben opgelegd bij niet-overschrijding van de redelijke termijn.
  20. Het is noodzakelijk maar voldoende dat de rechter aangeeft dat de straf die hij oplegt gelet op de overschrijding van de redelijke termijn lager is dan de straf die hij zou hebben opgelegd zonder overschrijding van de redelijke termijn.
  21. Uit het opleggen van de minimumgeldboete volgt niet dat de rechter geen straf oplegt die reëel en meetbaar lager is dan de straf die hij zou hebben opgelegd bij niet-overschrijding van de redelijke termijn.
  22. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
  23. Het bestreden vonnis oordeelt dat gelet op de aard en de ernst van de bewezen verklaarde feiten en de omstandigheden waarin ze werden gepleegd, niettegenstaande de overschrijding van de redelijke termijn, een veroordeling bij eenvoudige schuldigverklaring niet passend is, maar dat bij de straftoemeting die overschrijding in rekening zal worden gebracht. Het legt aan de eiseres met het uitdrukkelijk in aanmerking nemen van onder meer de overschrijding van de redelijke termijn de minimumgeldboete op. Aldus legt het aan de eiseres een straf op die reëel en meetbaar lager is dan de straf die het zou hebben opgelegd zonder overschrijding van de redelijke termijn. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Vierde middel
  24. Het middel voert schending aan van artikel 211bis Wetboek van Strafvordering: het beroepen vonnis veroordeelt de eiseres tot de betaling van het bedrag van het bevel tot betaling van 97,20 euro, terwijl het bestreden vonnis de eiser veroordeelt tot betaling van een effectieve geldboete van 80,00 euro, meer de bijdrage aan het Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand van 24,00 euro en 71,55 euro kosten, of samen 175,55 euro; aldus verzwaart het bestreden vonnis de toestand van de eiseres in hoger beroep; bovendien mag het hoger beroep geen nadeel berokkenen aan de beklaagde die dit rechtsmiddel aanwendt.
  25. Artikel 211bis Wetboek van Strafvordering is vreemd aan de relatieve werking van het enkel hoger beroep van een beklaagde. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  26. Het beroepen vonnis heeft op basis van de voorheen bestaande versie van artikel 65/1, § 2, Wegverkeerswet zich ertoe beperkt het beroep van de eiseres tegen het bevel tot betaling ontvankelijk maar ongegrond te verklaren en te beslissen dat het bevel tot betalen voor het erin vermelde bedrag van 97,20 euro bleef bestaan. Het bestreden vonnis veroordeelt de eiseres bij toepassing van artikel 65/1, § 2, Wegverkeerswet, zoals gewijzigd door de wet van 28 november 2021, tot een geldboete van 10,00 euro, verhoogd met 70 opdeciemen of 80,00 euro of 30 dagen vervangend rijverbod, wat minder is dan het bedrag van het bevel tot betaling. In zoverre het middel aanvoert dat het bestreden vonnis aan de eiseres een hogere boete oplegt dan die welke werd opgelegd met het beroepen vonnis, mist het middel feitelijke grondslag.
  27. Uit artikel 202 Wetboek van Strafvordering en de daaruit afgeleide relatieve werking van het enkel hoger beroep van de beklaagde volgt dat het appelgerecht de beklaagde niet kan veroordelen tot de betaling van de bijdrage aan het Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand die niet was opgelegd met het beroepen vonnis. Die relatieve werking verzet zich evident niet tot de veroordeling van de beklaagde tot de kosten van het door hem ingestelde hoger beroep.
  28. Het beroepen vonnis heeft de eiseres niet veroordeeld tot betaling van de bijdrage aan het Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand. Het bestreden vonnis kan dit evenmin op het enkel hoger beroep van de eiser. In zoverre is het middel gegrond.
  29. In zoverre het middel voor het overige betrekking heeft op de kosten van het hoger beroep kan het niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek voor het overige
  30. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden vonnis maar enkel in zoverre het de eiseres veroordeelt tot betaling van een bijdrage aan het Begrotingsfonds voor de tweedelijns juridische bijstand. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde vonnis. Verwerpt het cassatieberoep voor het overige. Laat een tiende van de kosten van het cassatieberoep van de eiseres ten laste van de Staat. Veroordeelt de eiseres tot de overige kosten. Zegt dat er geen grond is tot verwijzing. Bepaalt de kosten op 74,31 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, de raadsheren Erwin Francis, Eric Van Dooren, Steven Van Overbeke en Bruno Lietaert, en in openbare rechtszitting van 18 juni 2024 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240618.2N.16 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250114.2N.17 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.