← België

PLAY MEDIA NV

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 18 juni 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240618.2N.17 Rolnummer: P.23.0948.N Zaak: PLAY MEDIA NV Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2024-06-24 Raadplegingen: 707 - laatst gezien 2026-06-16 20:00 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiches 1 - 2 Uit de wetsgeschiedenis van de wet van 10 april 2014 houdende diverse bepalingen inzake gezondheid, dat het voormelde reclameverbod in de Wet Ingrepen en Reclame Esthetische Genees- en Heelkunde heeft ingevoerd, blijkt dat de wetgever hiermee in de eerste plaats de volksgezondheid beoogt te beschermen, meer bepaald door de commerciële uitwassen en misbruiken op het vlak van de medische esthetiek te bestrijden en de burgers voor blootstelling aan reclame voor louter esthetische ingrepen te behoeden en de daaruit voortvloeiende medische overconsumptie te bedwingen

(1); het in artikel 20/1, eerste lid, Wet Ingrepen en Reclame Esthetische Genees- en Heelkunde bedoelde verbod om reclame te verspreiden heeft betrekking op de in artikel 3 van die wet bedoelde ingrepen als zodanig, meer bepaald ingrepen van esthetische heelkunde of niet-heelkundige esthetische geneeskunde, ongeacht of die ingrepen in België of in het buitenland worden uitgevoerd.
(1)GwH 14 januari 2016, arrest 1/2016, B.19.2 en B.25.2, www.const-court.be; A. LUST, “Informatie, publiciteit en reclame door de arts: een moeilijke evenwichtsoefening”, T.Gez. 2016-17, 147-160; M. COËFFÉ en S. CALLENS, “Médecine esthétique non chirurgicale et chirurgie esthétique: fin de la saga des recours devant la Cour constitutionnelle”, T.Gez. 2016-17, 335-340; E. DELBEKE, “Praktijkinformatie en reclame”, in Handboek gezondheidsrecht, I, Zorgverleners; statuut en aansprakelijkheid, Antwerpen, Intersentia, 2022 (2de ed.), 1153-1178; H. NYS, “Voorwaarden bepaald in de Wet Esthetische Genees- en Heelkunde”, in H. NYS, Gezondheidszorgberoepen, Mechelen, Kluwer, 2020, p. 720-723, H. NYS, “Overzicht van rechtspraak. Medisch recht (2016-2022)”, TPR 2023, (257-353), p. 286-
  1. Thesaurus CAS: GENEESKUNDE - UITOEFENING VAN DE GENEESKUNDE Wettelijke bepalingen: Wet 23 mei 2013 tot regeling van de vereiste kwalificaties om ingrepen van niet-heelkundige esthetische geneeskunde en esthetische heelkunde uit te voeren en tot regeling van de reclame en informatie betreffende die ingrepen - 23-05-2013 - Art. 3 - 21 ELI link Pub nr 2013024225 Wet 23 mei 2013 tot regeling van de vereiste kwalificaties om ingrepen van niet-heelkundige esthetische geneeskunde en esthetische heelkunde uit te voeren en tot regeling van de reclame en informatie betreffende die ingrepen - 23-05-2013 - Art. 20/1, eerste lid - 21 ELI link Pub nr 2013024225 Thesaurus CAS: GEZONDHEIDSPOLITIE - OVER DE MENS Wettelijke bepalingen: Wet 23 mei 2013 tot regeling van de vereiste kwalificaties om ingrepen van niet-heelkundige esthetische geneeskunde en esthetische heelkunde uit te voeren en tot regeling van de reclame en informatie betreffende die ingrepen - 23-05-2013 - Art. 3 - 21 ELI link Pub nr 2013024225 Wet 23 mei 2013 tot regeling van de vereiste kwalificaties om ingrepen van niet-heelkundige esthetische geneeskunde en esthetische heelkunde uit te voeren en tot regeling van de reclame en informatie betreffende die ingrepen - 23-05-2013 - Art. 20/1, eerste lid - 21 ELI link Pub nr 2013024225 Fiches 3 - 4 Het in artikel 20/1, eerste lid, Wet Ingrepen en Reclame Esthetische Genees- en Heelkunde bedoelde verbod op het verspreiden van reclame heeft betrekking op reclame voor de in artikel 3 van die wet bedoelde ingrepen; hiermee worden enkel de in artikel 2, 1° en 2°, van die wet omschreven heelkundige en niet-heelkundige esthetische ingrepen zonder enig therapeutisch of reconstructief doel beoogd; bij de beoordeling of de ingrepen waarvoor reclame werd verspreid in de zin van het voormelde artikel 20/1, eerste lid, betrekking hebben op ingrepen zonder enig therapeutisch of reconstructief doel, dient de rechter niet na te gaan of die medische ingrepen als zodanig enig therapeutisch of reconstructief doel kunnen hebben, maar wel of de ingrepen waarvoor er concreet reclame werd gemaakt een dergelijk doel hebben. Thesaurus CAS: GENEESKUNDE - UITOEFENING VAN DE GENEESKUNDE Wettelijke bepalingen: Wet 23 mei 2013 tot regeling van de vereiste kwalificaties om ingrepen van niet-heelkundige esthetische geneeskunde en esthetische heelkunde uit te voeren en tot regeling van de reclame en informatie betreffende die ingrepen - 23-05-2013 - Art. 2, 1° en 2° - 21 ELI link Pub nr 2013024225 Wet 23 mei 2013 tot regeling van de vereiste kwalificaties om ingrepen van niet-heelkundige esthetische geneeskunde en esthetische heelkunde uit te voeren en tot regeling van de reclame en informatie betreffende die ingrepen - 23-05-2013 - Art. 3 - 21 ELI link Pub nr 2013024225 Wet 23 mei 2013 tot regeling van de vereiste kwalificaties om ingrepen van niet-heelkundige esthetische geneeskunde en esthetische heelkunde uit te voeren en tot regeling van de reclame en informatie betreffende die ingrepen - 23-05-2013 - Art. 20/1, eerste lid - 21 ELI link Pub nr 2013024225 Thesaurus CAS: GEZONDHEIDSPOLITIE - OVER DE MENS Wettelijke bepalingen: Wet 23 mei 2013 tot regeling van de vereiste kwalificaties om ingrepen van niet-heelkundige esthetische geneeskunde en esthetische heelkunde uit te voeren en tot regeling van de reclame en informatie betreffende die ingrepen - 23-05-2013 - Art. 2, 1° en 2° - 21 ELI link Pub nr 2013024225 Wet 23 mei 2013 tot regeling van de vereiste kwalificaties om ingrepen van niet-heelkundige esthetische geneeskunde en esthetische heelkunde uit te voeren en tot regeling van de reclame en informatie betreffende die ingrepen - 23-05-2013 - Art. 3 - 21 ELI link Pub nr 2013024225 Wet 23 mei 2013 tot regeling van de vereiste kwalificaties om ingrepen van niet-heelkundige esthetische geneeskunde en esthetische heelkunde uit te voeren en tot regeling van de reclame en informatie betreffende die ingrepen - 23-05-2013 - Art. 20/1, eerste lid - 21 ELI link Pub nr 2013024225 Tekst van de beslissing Nr. P.23.0948.N PLAY MEDIA nv, met zetel te 1800 Vilvoorde, Harensesteenweg 224, beklaagde, eiseres, met als raadslieden mr. Stijn Sabbe en mr. Hendrik Lemmens, advocaten bij de balie Brussel. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel, correctionele kamer, van 25 mei
  2. De eiseres voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vijf middelen aan. Raadsheer Steven Van Overbeke heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
  3. Het middel voert schending aan van artikel 14 Grondwet en de wet van 23 mei 2013 tot regeling van de vereiste kwalificaties om ingrepen van niet-heelkundige esthetische geneeskunde en esthetische heelkunde uit te voeren en tot regeling van de reclame en informatie betreffende die ingrepen (hierna Wet Ingrepen en Reclame Esthetische Genees- en Heelkunde), alsook miskenning van het legaliteitsbeginsel van de strafwet: met het oordeel dat het reclameverbod ook van toepassing is op reclame die in België wordt verspreid voor ingrepen die in een ander land worden uitgevoerd met bemiddeling van een Belgische vennootschap, verantwoorden de appelrechters niet naar recht dat de eiseres zich schuldig heeft gemaakt aan een inbreuk op het in de Wet Ingrepen en Reclame Esthetische Genees- en Heelkunde bedoelde reclameverbod; de Wet Ingrepen en Reclame Esthetische Genees- en Heelkunde, met inbegrip van het daarin opgenomen reclameverbod, is immers slechts van toepassing op ingrepen die in België worden uitgevoerd, wat ook door het Grondwettelijk Hof werd bevestigd bij arrest nr. 1/2016 van 14 januari 2016 (overweging B.24); de esthetische ingrepen die in de televisie-uitzending aan bod kwamen, hadden evenwel betrekking op ingrepen die in Turkije worden uitgevoerd; hieraan wordt geen afbreuk gedaan door het oordeel van de appelrechters dat hoe dan ook is gebleken dat er nazorg wordt verleend in België, wat immers moet worden onderscheiden van de ingreep zelf.
  4. In zoverre het middel de schending aanvoert van de Wet Ingrepen en Reclame Esthetische Genees- en Heelkunde zonder te specificeren welke bepaling van die wet het arrest zou hebben geschonden, is het bij gebrek aan duidelijkheid niet ontvankelijk.
  5. Volgens artikel 20/1, eerste lid, Wet Ingrepen en Reclame Esthetische Genees- en Heelkunde is het elke natuurlijke of rechtspersoon verboden om reclame voor de in artikel 3 van die wet bedoelde ingrepen te verspreiden. Een inbreuk op dit verbod wordt strafbaar gesteld door artikel 22/1 Wet Ingrepen en Reclame Esthetische Genees- en Heelkunde.
  6. Artikel 3, eerste lid, Wet Ingrepen en Reclame Esthetische Genees- en Heelkunde bepaalt dat alleen de in die wet bedoelde beroepsbeoefenaars bevoegd zijn om esthetische heelkunde of niet-heelkundige esthetische geneeskunde uit te voeren en dit alleen binnen de in deze wet vastgelegde bevoegdverklaring.
  7. Volgens artikel 2 Wet Ingrepen en Reclame Esthetische Genees- en Heelkunde wordt voor de toepassing van deze wet verstaan onder: 1° niet-heelkundige esthetische geneeskunde: elke niet-heelkundige technische medische ingreep door middel van om het even welk instrument, chemische stof of hulpmiddel met om het even welke energievorm doorheen de huid of de slijmvliezen waarbij, zonder enig therapeutisch of reconstructief doel, vooral beoogd wordt het lichaamsuiterlijk van een patiënt om esthetische redenen te veranderen; 2° esthetische heelkunde: elke heelkundige ingreep waarbij, zonder enig therapeutisch of reconstructief doel, vooral beoogd wordt het lichaamsuiterlijk van een patiënt om esthetische redenen te veranderen; 6° reclame: iedere vorm van op het publiek gerichte mededeling of handeling die rechtstreeks of onrechtstreeks tot doel heeft de in artikel 3 bedoelde ingrepen te bevorderen, ongeacht de daartoe aangewende plaats, drager of aangewende technieken, reality-tv-uitzendingen inbegrepen.
  8. Uit de wetsgeschiedenis van de wet van 10 april 2014 houdende diverse bepalingen inzake gezondheid, dat het voormelde reclameverbod in de Wet Ingrepen en Reclame Esthetische Genees- en Heelkunde heeft ingevoerd, blijkt dat de wetgever hiermee in de eerste plaats de volksgezondheid beoogt te beschermen, meer bepaald door de commerciële uitwassen en misbruiken op het vlak van de medische esthetiek te bestrijden en de burgers voor blootstelling aan reclame voor louter esthetische ingrepen te behoeden en de daaruit voortvloeiende medische overconsumptie te bedwingen.
  9. Het in artikel 20/1, eerste lid, Wet Ingrepen en Reclame Esthetische Genees- en Heelkunde bedoelde verbod om reclame te verspreiden heeft betrekking op de in artikel 3 van die wet bedoelde ingrepen als zodanig, ongeacht of die ingrepen in België of in het buitenland worden uitgevoerd. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. Tweede middel
  10. Het middel voert schending aan van artikel 14 Grondwet en van de artikelen 2, 6°, en 20/1 Wet Ingrepen en Reclame Esthetische Genees- en Heelkunde, alsook miskenning van het legaliteitsbeginsel van de strafwet: met het oordeel dat de beeldopnames rechtstreeks of onrechtstreeks tot doel hebben de in artikel 3 Wet Ingrepen en Reclame Esthetische Genees- en Heelkunde bedoelde ingrepen te bevorderen en geen loutere praktijkinformatie betreffen, verantwoorden de appelrechters de schuldigverklaring van de eiseres aan de ten laste gelegde inbreuk op het reclameverbod niet naar recht; aangezien het kenbaar maken van een activiteit van esthetische geneeskunde uit zijn aard een verkoopbevorderend doel heeft, mag het reclameverbod niet absoluut worden opgevat, in die zin dat een arts zijn activiteiten niet meer kenbaar zou mogen maken, wat immers in strijd zou zijn met het beginsel van het vrije verkeer van diensten binnen de Europese Unie, met de vrijheid van meningsuiting en het mededingingsrecht; niet elke informatie die wordt verspreid en die geen praktijkinformatie inhoudt, is noodzakelijk gelijk te stellen met verboden reclame; een mededeling die geen praktijkinformatie inhoudt, is evenwel niet als reclame te beschouwen in zoverre die communicatie geen verkoopbevorderend oogmerk heeft.
  11. Het arrest oordeelt niet dat informatie die wordt verspreid en die geen praktijkinformatie inhoudt noodzakelijk te beschouwen is als verboden reclame in de voormelde zin, noch dat de eiseres zich schuldig heeft gemaakt aan het voormelde reclameverbod door de loutere omstandigheid dat zij het bestaan van de bewuste activiteiten en ingrepen heeft meegedeeld, noch dat de door de eiseres verspreide informatie geen verkoopbevorderdend oogmerk had. Het arrest (p. 7-8) oordeelt daarentegen wel dat: - de beeldopnames die het voorwerp uitmaken van de strafzaak rechtstreeks of onrechtstreeks tot doel hebben om de in artikel 3 bedoelde ingrepen te bevorderen en geen loutere “praktijkinformatie” betreffen die tot doel heeft om een beoefenaar te laten kennen of om informatie te verstrekken over de aard van diens beroepspraktijk; - een bekende Vlaming als centrale persoon in de aflevering zichzelf in de opname voorstelt als een “ambassadeur” die reclame maakt voor het soort haartransplantatie dat hij zelf heeft ondergaan in Turkije, waarbij hij bij het einde van zijn interview daartoe een onverbloemde oproep doet aan de Vlaamse mannen om een haartransplantatie te laten uitvoeren; - bij de opname ook de oprichter en gedelegeerd bestuurder werd uitgenodigd van de onderneming die onder meer de ingreep bij de voormelde bekende Vlaming heeft uitgevoerd en die aan de kijkers uitlegt welke verschillende ingrepen, en tegen welke specifieke prijzen, mogelijk zijn bij zijn onderneming, waarbij hij zijn onderneming voorts promoot door onder meer te verwijzen naar de talrijke bekende Vlamingen die klant waren bij zijn bedrijf; - de presentatoren van het programma zich allebei zeer verrast tonen over de lage prijzen, zonder enige kritische opmerking te maken of vraag te stellen; - er behalve de voormelde bekende Vlaming en de voormelde gedelegeerd bestuurder geen andere gasten waren uitgenodigd die vertrouwd waren met het behandelde onderwerp; - een andere aanwezige bekende Vlaming enkele summiere kritische vragen probeerde te stellen bij de ingrepen, die onmiddellijk op kordate wijze door de voormelde gedelegeerd bestuurder werden weerlegd; - rekening houdend met het feit dat de enige personen die vertrouwd waren met het onderwerp de zaakvoerder waren van een specifiek bedrijf dat zich bezig houdt met de haartransplantaties in Turkije, die de ingrepen op geheel onkritische wijze voorstelde aan de kijkers, met bijhorende prijzen, en een klant van dit bedrijf die zich uitdrukkelijk profileerde als “ambassadeur” voor dit soort haartransplantaties en daartoe een expliciete oproep deed aan de mannelijke kijkers, terwijl de beide presentatoren zich enthousiast toonden over de lage prijzen; - het vaststaat dat de bedoelde uitzending tot doel had om dit soort esthetische heelkundige ingrepen te bevorderen, zodat er sprake was van “reclame” zoals bedoeld in artikel 2, 6°, van de Wet Ingrepen en Reclame Esthetische Genees- en Heelkunde, waarbij het feit dat een derde persoon in het programma enkele summiere kritische vragen probeerde te stellen bij de ingrepen, die onmiddellijk door de gedelegeerd bestuurder van het gepromote bedrijf werden weerlegd, geen afbreuk doet aan deze feitelijke vaststelling.
  12. Het arrest oordeelt met de voormelde redenen aldus uitdrukkelijk dat de verspreide informatie een verkoopbevorderend oogmerk nastreefde en er derhalve sprake was van reclame in de zin van artikel 2, 6°, Wet Ingrepen en Reclame Esthetische Genees- en Heelkunde. Het middel berust op een onjuiste lezing van het arrest en mist feitelijke grondslag. Derde middel
  13. Het middel voert schending aan van artikel 14 Grondwet en de artikelen 2, 2° en 6°, 3 en 20/1 Wet Ingrepen en Reclame Esthetische Genees- en Heelkunde, alsook miskenning van het legaliteitsbeginsel van de strafwet: door te oordelen dat de haartransplantaties waarvan sprake in het strafdossier geen therapeutisch of reconstructief doel kunnen hebben, verantwoorden de appelrechters niet naar recht dat er sprake is van verboden reclame; van zodra een esthetische ingreep ook enig therapeutisch of reconstructief doel heeft, wat slechts door de behandelende arts per ingreep kan worden beoordeeld, is er geen sprake van verboden reclame; de appelrechters konden bijgevolg niet naar recht oordelen dat het type ingreep, namelijk de haartransplantaties waarvan sprake in het strafdossier, geen therapeutisch of reconstructief doel kunnen hebben.
  14. Het in artikel 20/1, eerste lid, Wet Ingrepen en Reclame Esthetische Genees- en Heelkunde bedoelde verbod op het verspreiden van reclame heeft betrekking op reclame voor de in artikel 3 van die wet bedoelde ingrepen. Hiermee worden enkel de in artikel 2, 1° en 2°, van die wet omschreven heelkundige en niet-heelkundige esthetische ingrepen zonder enig therapeutisch of reconstructief doel beoogd.
  15. Bij de beoordeling of de ingrepen waarvoor reclame werd verspreid in de zin van het voormelde artikel 20/1, eerste lid, betrekking hebben op ingrepen zonder enig therapeutisch of reconstructief doel, dient de rechter niet na te gaan of die medische ingrepen als zodanig enig therapeutisch of reconstructief doel kunnen hebben, maar wel of de ingrepen waarvoor er concreet reclame werd gemaakt een dergelijk doel hebben. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  16. Het arrest (p. 6-7) oordeelt dat: - het soort haartransplantatie dat het voorwerp uitmaakt van de zaak een ingreep van esthetische geneeskunde betreft, waarbij uit het strafdossier blijkt dat de huid bij de ingreep wordt “doorsneden”, zodat de ingreep van heelkundige aard is; - de ingreep gericht is op de verandering van het lichaamsuiterlijk en bijgevolg mogelijk enig psychologisch voordeel met zich kan meebrengen, maar dit niet volstaat opdat er sprake zou zijn van een “therapeutisch of reconstructief” doel; - het niet is uitgesloten dat een haartransplantatie in bepaalde zeer specifieke situaties bij specifieke patiënten (bijvoorbeeld bij kankerpatiënten naar aanleiding van radiotherapie) een therapeutisch doel zou kunnen hebben, maar dat dergelijke specifieke gevallen niet het voorwerp zijn van de beeldopnames die het voorwerp uitmaken van deze strafzaak. Met die redenen verantwoorden de appelrechters naar recht het oordeel dat de verspreide reclame betrekking had op ingrepen zonder enig therapeutisch of reconstructief doel. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Vierde middel
  17. Het middel voert schending aan van artikel 5 Strafwetboek en artikel 20/1 Wet Ingrepen en Reclame Esthetische Genees- en Heelkunde: het oordeel dat de inbreuk op het reclameverbod toerekenbaar is aan de eiseres, die als vennootschap controle moet uitoefenen op de programma’s die door een van haar zenders worden uitgezonden, is niet naar recht verantwoord; hoewel een inbreuk op het reclameverbod een wetens en willens handelen vereist, stellen de appelrechters geen eigen strafrechtelijke verantwoordelijkheid, fout of nalatigheid van de eiseres vast, noch een eigen moreel bestanddeel; het arrest, dat zich beperkt met een verwijzing naar een algemene maatschappelijke norm volgens welke een mediagroep verplicht is controle uit te oefenen op de programma’s van haar zenders, stelt ook niet vast dat de eiseres of haar juridische of feitelijke gezagdragers een opzettelijke beslissing zouden hebben genomen om het reclameverbod te overtreden of in dit verband onachtzaam zouden zijn geweest; er werd ook nooit onderzoek gevoerd naar de juridische of feitelijke gezagdragers van de eiseres en de morele toerekenbaarheid van de feiten aan de eiseres, zodat ook het moreel element bij de eiseres niet wordt verantwoord.
  18. In zoverre het middel gericht is tegen het onderzoek en niet tegen het arrest, is het niet ontvankelijk.
  19. Het arrest oordeelt niet alleen dat de inbreuk op het reclameverbod toerekenbaar is aan de eiseres omdat zij als vennootschap controle moet uitoefenen op de programma’s die door een van haar zenders worden uitgezonden. Het arrest (p. 8) oordeelt ook dat de eiseres wetens en willens een forum heeft gecreëerd om reclame te maken voor de esthetische heelkundige ingrepen en aldus doelbewust haar medewerking heeft verleend aan de verkoopbevorderende praktijken van de onderneming E. en haar “ambassadeur”. Met die redenen oordelen de appelrechters dat de eiseres heeft gehandeld met het vereiste opzet en verantwoorden zij naar recht de beslissing dat de eiseres zich schuldig heeft gemaakt aan de in artikel 20/1, eerste lid, Wet Ingrepen en Reclame Esthetische Genees- en Heelkunde bedoelde inbreuk. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Vijfde middel
  20. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet, alsook miskenning van het motiveringsbeginsel: de appelrechters baseren het oordeel over de straftoemeting op tegenstrijdige redenen; het arrest bevestigt enerzijds het beroepen vonnis, waarin aan de eiseres een geldboete met gedeeltelijk uitstel van tenuitvoerlegging gedurende een periode van drie jaar werd opgelegd, terwijl het anderzijds oordeelt dat een uitstel van tenuitvoerlegging van de straf niet in verhouding zou staan tot de ernst van de feiten en een onvoldoende waarborg zou zijn om het risico op herhaling te voorkomen.
  21. Het arrest (p. 11) bevestigt enerzijds het beroepen vonnis, met uitzondering van de beslissing over de bijdrage aan het Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand, waarin de eiseres werd veroordeeld tot een geldboete van 5.000,00 euro, na verhoging met opdeciemen gebracht op 40.000,00 euro, waarvan een gedeelte van 1.250,00 euro, na verhoging met opdeciemen gebracht op 10.000,00 euro, met uitstel van tenuitvoerlegging gedurende een periode van drie jaar. Anderzijds oordeelt het arrest (p. 10) dat een uitstel van tenuitvoerlegging van de straf niet in verhouding zou staan tot de ernst van de feiten en een onvoldoende waarborg zou zijn om het risico op herhaling te voorkomen. Die beschikkingen zijn tegenstrijdig. Het middel is gegrond. Omvang van de cassatie
  22. De vernietiging van de maatregel van het uitstel van tenuitvoerlegging leidt tot de vernietiging van de volledige straf waarvoor die maatregel ten belope van een gedeelte werd bevolen, dit is de volledige aan de eiseres opgelegde geldboete, alsook van haar veroordeling tot betaling van een bijdrage aan het Slachtofferfonds. Het laat de overige beslissingen van het arrest onaangetast. Ambtshalve onderzoek voor het overige
  23. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest in zoverre dit de eiseres veroordeelt tot straf en tot betaling van een bijdrage aan het Slachtofferfonds. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest. Verwerpt het cassatieberoep voor het overige. Veroordeelt de eiseres tot twee derden van de kosten. Houdt de beslissing over de overige kosten aan en laat die over aan de rechter op verwijzing. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Brussel, anders samengesteld. Bepaalt de kosten op 252,34 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, de raadsheren Erwin Francis, Eric Van Dooren, Steven Van Overbeke en Bruno Lietaert, en in openbare rechtszitting van 18 juni 2024 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240618.2N.17 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.