← België

FIEVEZ-CADET NV contra K.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 18 juni 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2024:

Art. 6

.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 6

.3.d - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.3 Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 6

.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 6

.3.d - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: BEWIJS - STRAFZAKEN - Getuigen Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 6

.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 6

.3.d - 30 Link Justel databank 19501104-30 Fiches 4 - 7 De beoordeling van de relevantie van de getuigenis voor het voorwerp van de beschuldiging mag niet abstract gebeuren, maar vereist een onderzoek van de concrete omstandigheden van de zaak; de rechter moet bijgevolg zijn beslissing over het al dan niet horen van de getuigen à décharge steunen op concrete omstandigheden die hij aanwijst; die concrete omstandigheden kunnen onder meer betrekking hebben op de feitelijke of juridische onmogelijkheid om de getuigen te horen, de relatie die de getuige had of heeft met de bij het strafproces betrokken partijen, de betrouwbaarheid van de door de getuige af te leggen verklaring rekening houdend met die relatie, zijn persoonlijkheid of het tijdsverloop sinds de feiten, het beschikbaar zijn van een geschreven verklaring van de persoon die de beklaagde als getuige wenst te horen, waarin die een eerdere verklaring herroept of nuanceert en de ongeloofwaardigheid van de inhoud van een dergelijke geschreven verklaring; ook kan rekening worden gehouden met de fase waarin de strafprocedure zich bevindt en voortgang ervan, met de door de beklaagde gevolgde verdedigingsstrategie en de proceshouding van de beklaagde; het is niet vereist dat de rechter al de voormelde elementen betrekt bij zijn beoordeling over de relevantie van de getuigenis

(1).
(1)Cass. 11 oktober 2022, AR P.22.0982.N ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221011.2N.12, AC 2022, nr. 621; Cass. 1 maart 2022, AR P.21.0658.N ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220301.2N.9, AC 2022, nr.155; Cass. 9 maart 2021, AR P.20.1104.N ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210309.2N.5, AC 2021, nr. 166, RW 2022-23, 375; Cass. 26 februari 2019, AR P.18.1028.N ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190226.1, AC 2019, nr. 117, T. Strafr. 2019, 296 noot S. BERNEMAN. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 6

.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 6

.3.d - 30 Link Justel databank 19501104-30 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 149 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.3 Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 6

.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 6

.3.d - 30 Link Justel databank 19501104-30 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 149 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Thesaurus CAS: BEWIJS - STRAFZAKEN - Getuigen Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 6

.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 6

.3.d - 30 Link Justel databank 19501104-30 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 149 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - OP CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 6

.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 6

.3.d - 30 Link Justel databank 19501104-30 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 149 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Fiches 8 - 11 De rechter is niet verplicht om een gedetailleerd antwoord te geven op elk verzoek tot het horen van een getuige à décharge: het volstaat dat de beklaagde weet waarom de rechter de getuigenis ter rechtszitting niet relevant acht voor het voorwerp van de beschuldiging; indien de rechter oordeelt dat een getuigenis ter rechtszitting niet relevant is voor het voorwerp van de beschuldiging dan moet hij niet meer aangeven of het verzoek van de beklaagde om de getuige ter rechtszitting te horen voldoende is onderbouwd

(1); indien de rechter oordeelt dat een getuigenis ter rechtszitting niet relevant is voor het voorwerp van de beschuldiging dan moet hij bovendien onderzoeken of het niet horen van de getuige à décharge op de rechtszitting het recht op een eerlijk proces van de beklaagde in zijn geheel beschouwd aantast.
(1)Cass. 11 oktober 2022, AR P.22.0982.N ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221011.2N.12, AC 2022, nr. 621. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 6

.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 6

.3.d - 30 Link Justel databank 19501104-30 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 149 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.3 Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 6

.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 6

.3.d - 30 Link Justel databank 19501104-30 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 149 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Thesaurus CAS: BEWIJS - STRAFZAKEN - Getuigen Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 6

.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 6

.3.d - 30 Link Justel databank 19501104-30 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 149 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - OP CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 6

.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 6

.3.d - 30 Link Justel databank 19501104-30 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 149 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Fiches 12 - 13 Volgens artikel 5, tweede lid, Strafwetboek, van toepassing vóór de wijziging bij artikel 2 Wet van 11 juli 2018, kan de geïdentificeerde natuurlijke persoon samen met de verantwoordelijke rechtspersoon worden veroordeeld indien hij de fout wetens en willens heeft gepleegd; deze bepaling is zowel van toepassing op opzettelijke als op onopzettelijke misdrijven; het bewezen verklaren van het misdrijf van het onopzettelijk toebrengen van slagen of verwondingen door een natuurlijk persoon sluit niet uit dat de aan de basis daarvan liggende handelingen en verzuimen door die natuurlijke persoon wetens en willens zijn gepleegd in de zin van artikel 5, tweede lid, Strafwetboek; de omstandigheid dat een onopzettelijk misdrijf ook een opzettelijke variant heeft, doet daaraan niets af. Thesaurus CAS: MISDRIJF - TOEREKENBAARHEID - Rechtspersonen Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 5, tweede lid - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: SLAGEN EN VERWONDINGEN. DODEN - ONOPZETTELIJK TOEBRENGEN VAN VERWONDINGEN EN ONOPZETTELIJK DODEN Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 5, tweede lid - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Nota: Art. 5, tweede lid, Strafwetboek, van toepassing vóór de wijziging bij art. 2 Wet van 11 juli 2018 Tekst van de beslissing Nr. P.23.1146.N I V. D. B., beklaagde, eiseres, met als raadslieden mr. Monica Rodriguez en mr. Tom Bauwens, advocaten bij de balie Brussel, met kantoor te 1050 Brussel, Louizalaan 99, waar de eiseres woonplaats kiest, alsook met als raadsman mr. Kris Vincke, advocaat bij de balie West-Vlaanderen. II 1. M. J. C., beklaagde, eiseres, 2. F.–C. nv, beklaagde, eiseres, met als raadslieden mr. Monica Rodriguez en mr. Tom Bauwens, advocaten bij de balie Brussel, met kantoor te 1050 Brussel, Louizalaan 99, waar de beide eiseressen woonplaats kiezen, alsook met als raadsman mr. Kris Vincke, advocaat bij de balie West-Vlaanderen, alle cassatieberoepen tegen 1. P. K., burgerlijke partij, 2. K. D., burgerlijke partij, 3. F. K., burgerlijke partij, verweerders, met als raadsman mr. Jan Leysen, advocaat bij de balie West-Vlaanderen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 28 juni 2023. De eiseres I voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. De eiseressen II voeren in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vier middelen aan. De eiseressen I en II doen afstand van hun cassatieberoepen in zoverre gericht tegen de beslissingen op de burgerlijke rechtsvordering omdat dit geen eindbeslissingen zijn. Voorzitter Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel van de eiseres I en vierde middel van de eiseressen II Eerste onderdeel 1. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM en artikel 14.3.c IVBPR, alsook miskenning van de algemene rechtsbeginselen van het recht op een eerlijk proces en houdende eerbiediging van het recht van verdediging: met het oordeel dat de redelijke termijn niet is overschreden, passen de appelrechters het redelijke termijn-beginsel verkeerd toe; de in globo genomen duur van de strafprocedure van zeven jaar en een maand, in samenhang met het feit dat de strafprocedure niet complex van aard is, de periodes van niet te verantwoorden inactiviteit, de behoorlijke proceshouding van de eiseressen I en II die zelf niet hebben bijgedragen tot de lange duur van de procedure en de hoge leeftijd van de eiseres II.1, leiden ontegensprekelijk tot een miskenning van het recht op behandeling van de zaak binnen een redelijke termijn. 2. Het staat aan de rechter onaantastbaar te oordelen of de redelijke termijn waarbinnen over een tegen een beklaagde ingestelde strafvervolging overeenkomstig artikel 6.1 EVRM moet zijn beslist, is overschreden. 3. Bij die beoordeling houdt de rechter rekening met de complexiteit van de zaak, de houding van de beklaagde, de houding van de met opsporing, vervolging en berechting belaste overheden en het belang dat de zaak heeft voor de beklaagde. 4. De rechter moet niet noodzakelijk alle criteria in zijn beoordeling betrekken, indien één of meerdere criteria op zich reeds doorslaggevend is of zijn. 5. Het Hof gaat na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die op grond daarvan onmogelijk kunnen worden verantwoord. 6. Het arrest (p. 53-55) oordeelt als volgt: - het betreft een niet-complex dossier; - er werden talloze onderzoeksdaden gesteld en tijdens het onderzoek dat een aanvang nam op 28 augustus 2018 is er geen sprake van een niet te verantwoorden noemenswaardige stilstand; - de regeling van de rechtspleging werd diverse malen geschorst door diverse verzoekschriften tot aanvullende onderzoeksdaden met aanvullende kantschriften en onderzoeksdaden; - tussen het laatste kantschrift en de verwijzingsvordering van 2 februari 2020 valt geen stilstand te bespeuren; - bij de behandeling voor de raadkamer werden door de partijen meermaals conclusies ingediend en de verwijzingsbeschikking werd op 20 november 2020 gewezen; - de procedure in eerste aanleg, met een inleidingszitting op 18 januari 2021 en waarbij meermaals conclusietermijnen werden toegekend en een vonnis op 24 januari 2022, heeft twaalf maanden geduurd, waarbij geen noemenswaardige door het openbaar ministerie of de beklaagden uitgelokte niet te verantwoorden stilstand valt te bespeuren; - de procedure in hoger beroep, met een inleidingszitting op 21 september 2022, het meermaals toekennen van conclusietermijnen, een tussenarrest waarbij een getuigenverhoor werd bevolen en een eindarrest op 28 juni 2023, heeft twaalf maanden geduurd, waarbij geen noemenswaardige door het openbaar ministerie of de beklaagden uitgelokte niet te verantwoorden stilstand valt te bespeuren; - bijgevolg zijn zowel tijdens het opsporings- als het gerechtelijk onderzoek, de regeling van de rechtspleging, de procedure in eerste aanleg en de procedure in hoger beroep geen noemenswaardige door het openbaar ministerie of de beklaagden uitgelokte niet te verantwoorden stilstand te bespeuren; - zowel de verweerders als de beklaagden hebben procedurele initiatieven genomen, wat hun goed recht is en wat hen niet ten kwade kan worden geduid, maar deze procedurele initiatieven hebben, anders dan wat werd beslist door de eerste rechter, niet geleid tot een noemenswaardige niet te verantwoorden vertraging of stilstand van de procedure. Op grond van die redenen kan het arrest wettig oordelen dat voor de eiseressen I en II de redelijke termijn niet is overschreden. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Tweede onderdeel 7. Het onderdeel voert schending aan van artikel 21ter Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering: gelet op het oordeel dat de redelijke termijn niet is miskend, hebben de appelrechters de impact daarvan niet onderzocht en verantwoorden zij de beslissing niet naar recht. 8. Het onderdeel is geheel afgeleid uit de met het eerste onderdeel vergeefs aangevoerde wetsschendingen en is bijgevolg niet ontvankelijk. Eerste middel en tweede onderdeel van het tweede middel van de eiseressen II 9. Het middel en het onderdeel voeren schending aan van artikel 6.3.d EVRM, artikel 14.3.e IVBPR en artikel 149 Grondwet, alsook miskenning van de algemene rechtsbeginselen van het recht op een eerlijk proces en houdende eerbiediging van het recht van verdediging: de appelrechters wijzen de verzoeken van de eiseressen II tot het horen van C.S., E.V.W. en K.B. als getuige à décharge op de rechtszitting af zonder een afdoende motivering; zij tonen niet aan dat die verzoeken niet voldoende onderbouwd zijn; zij geven geen afdoende redenen op voor de beslissing dat het verhoor ter rechtszitting niet relevant is voor het voorwerp van de telastlegging; zij houden geen rekening met de impact van de afwijzing op het recht van de eiseressen II op een eerlijke behandeling van de zaak in zijn geheel beschouwd; minstens laat de motivering van de beslissing de getuige C.S. niet te horen niet toe dat het Hof zijn wettigheidscontrole uitoefent. 10. Volgens artikel 6.3.d EVRM, dat bijzondere toepassingsmodaliteiten bevat van het door artikel 6.1 EVRM gewaarborgde recht op een eerlijk proces, heeft eenieder die wegens een strafbaar feit wordt vervolgd ook het recht getuigen à décharge te ondervragen of te doen ondervragen. 11. Deze verdragsbepalingen kennen aan een beklaagde evenwel geen absoluut of onbeperkt recht toe om getuigen à décharge op de rechtszitting te horen. 12. Uit deze verdragsbepalingen, zoals uitgelegd door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, volgt dat de rechter aan wie wordt gevraagd een getuige à décharge te horen op de rechtszitting dit verzoek moet toetsen aan de hand van de volgende drie criteria:

  1. i)het voldoende onderbouwd zijn van het verzoek tot het horen van de getuige à décharge op de rechtszitting en de relevantie van die getuigenis voor het voorwerp van de beschuldiging;
  2. ii)het voorhanden zijn van afdoende redenen voor de beslissing dat de getuigenis ter rechtszitting niet relevant is voor het voorwerp van de beschuldiging en dus voor de beslissing de getuige niet te horen ter rechtszitting; iii) de impact van de beslissing de getuige à décharge niet te horen op de rechtszitting op het recht van de beklaagde op een eerlijke behandeling van de zaak in zijn geheel beschouwd. 13. De beoordeling van de relevantie van de getuigenis voor het voorwerp van de beschuldiging mag niet abstract gebeuren, maar vereist een onderzoek van de concrete omstandigheden van de zaak. De rechter moet bijgevolg zijn beslissing over het al dan niet horen van de getuigen à décharge steunen op concrete omstandigheden die hij aanwijst. 14. Die concrete omstandigheden kunnen onder meer betrekking hebben op de feitelijke of juridische onmogelijkheid om de getuigen te horen, de relatie die de getuige had of heeft met de bij het strafproces betrokken partijen, de betrouwbaarheid van de door de getuige af te leggen verklaring rekening houdend met die relatie, zijn persoonlijkheid of het tijdsverloop sinds de feiten, het beschikbaar zijn van een geschreven verklaring van de persoon die de beklaagde als getuige wenst te horen, waarin die een eerdere verklaring herroept of nuanceert en de ongeloofwaardigheid van de inhoud van een dergelijke geschreven verklaring. Ook kan rekening worden gehouden met de fase waarin de strafprocedure zich bevindt en voortgang ervan, met de door de beklaagde gevolgde verdedigingsstrategie en de proceshouding van de beklaagde. 15. Het is niet vereist dat de rechter al de voormelde elementen betrekt bij zijn beoordeling over de relevantie van de getuigenis. 16. De rechter is niet verplicht om een gedetailleerd antwoord te geven op elk verzoek tot het horen van een getuige à décharge: het volstaat dat de beklaagde weet waarom de rechter de getuigenis ter rechtszitting niet relevant acht voor het voorwerp van de beschuldiging. 17. Indien de rechter oordeelt dat een getuigenis ter rechtszitting niet relevant is voor het voorwerp van de beschuldiging dan moet hij niet meer aangeven of het verzoek van de beklaagde om de getuige ter rechtszitting te horen voldoende is onderbouwd. 18. Indien de rechter oordeelt dat een getuigenis ter rechtszitting niet relevant is voor het voorwerp van de beschuldiging dan moet hij bovendien onderzoeken of het niet horen van de getuige à décharge op de rechtszitting het recht op een eerlijk proces van de beklaagde in zijn geheel beschouwd aantast. 19. In zoverre het middel en het onderdeel uitgaan van andere rechtsopvattingen, falen ze naar recht. 20. Het arrest (p. 39-42) oordeelt met betrekking tot getuige C.S. als volgt: - het verhoor van C.S. op 10 november 2018 werd in vraag/antwoord wijze gevoerd; - zijn bevestiging van het bestaan van een cultuur waarin er zo weinig mogelijk beroep moest worden gedaan op de hulpdiensten en dat gewonden buiten moesten worden gelegd, betreft een duidelijk antwoord op de gestelde vraag en er is geen sprake van het feit dat de politie woorden in zijn mond zou hebben gelegd; - hij antwoordde negatief op de vraag of hij aan zijn verklaring iets wenste te verbeteren of iets wenste toe te voegen en heeft zijn verklaring na lezing en volharding ondertekend; - de handgeschreven verklaring van C.S. ligt niet voor, zodat daarmee geen rekening kan worden gehouden; - zelfs in de hypothese dat deze handgeschreven verklaring in het strafdossier zou berusten, zou daarmee zeer omzichtig moeten worden omgesprongen, vermits het in deze niet kan worden uitgesloten dat deze verklaring van 15 mei 2022, zijnde 3,5 jaar na zijn eerdere geloofwaardige verklaring, zou zijn opgesteld om de eiseres II.1 uit de wind te zetten, te meer omdat hij naar eigen zeggen min of meer de vaste bewakingsagent was in de dancing; - in deze zijn de appelrechters minstens op grond van andere elementen uit het strafdossier, zoals onder meer de verklaring van C.D. die werd bevestigd door K.V., voldoende ingelicht. 21. Aldus vermeldt het arrest, op een wijze die het Hof niet belet zijn wettigheidstoezicht uit te oefenen, de concrete omstandigheden eigen aan de zaak waaruit het afleidt dat het horen van C.S. als getuige à décharge op de rechtszitting geen relevantie heeft voor het voorwerp van de beschuldiging en stelt het bovendien op eenzelfde manier vast dat het niet-horen van C.S. het recht op een eerlijk proces van de eiseressen II in zijn geheel beschouwd niet aantast. Die beslissing is naar recht verantwoord. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. 22. Voor het overige is het middel gericht tegen redenen die de bekritiseerde beslissing niet schragen, kan het niet tot cassatie leiden en is het bijgevolg niet ontvankelijk. 23. Het verzoek om getuigen E.V.W. en K.B. te ondervragen, kadert binnen de bewering van de eiseressen II dat de getuigenis van C.D., die stelt dat er een cultuur of gebruik bestond waarbij aan de bewakingsagenten werd opgedragen om de gewonden naar buiten te dragen zonder de hulpdiensten te verwittigen, onjuist is en dat C.D. een fantast is die recent door de correctionele rechtbank werd veroordeeld voor feiten die verband houden met zijn activiteit als illegale portier. Hierover oordeelt het arrest (p. 39) als volgt: - het is niet omdat C.D. in deze als verdachte-beklaagde is veroordeeld dat zijn verklaringen in deze leugenachtig zouden zijn, minstens wordt het leugenachtig karakter daarvan niet aannemelijk gemaakt; - de eiseressen II verliezen uit het oog dat de voormelde cultuur of het gebruik wordt bevestigd door C.S. en K.V. 24. Meer algemeen oordeelt het arrest (p. 42) verder als volgt: - de overige feitelijke argumenten zijn speculatief en bestaan uit niet aannemelijk gemaakte veronderstellingen; - minstens bevatten zij geen redelijke of aanvaardbare elementen die tot een andere beslissing zouden kunnen dwingen. 25. Aldus vermeldt het arrest de concrete omstandigheden eigen aan de zaak waaruit het afleidt dat het horen van E.V.W. en K.B. als getuigen à décharge op de rechtszitting geen relevantie heeft voor het voorwerp van de beschuldiging en stelt het bovendien vast dat het niet-horen van E.V.W. en K.B. het recht op een eerlijk proces van de eiseressen II in zijn geheel beschouwd niet aantast. Die beslissing is naar recht verantwoord. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Tweede middel van de eiseressen II Eerste onderdeel 26. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM en artikel 149 Grondwet, alsook miskenning van de algemene rechtsbeginselen van het recht op een eerlijk proces en houdende eerbiediging van het recht van verdediging: de eiseressen II verzochten in een conclusie E.V.W. en K.B. als getuigen op te roepen; het arrest geeft geen motivering waarom niet wordt ingegaan op dit duidelijk en met redenen omkleed verzoek; minstens laat het gebrek aan motivering het Hof niet toe zijn wettigheidstoezicht uit te oefenen. 27. Met de redenen die het arrest (p. 42) bevat en die zijn vermeld in het antwoord op het tweede onderdeel van het middel hebben de appelrechters het verzoek van de eiseressen II om E.V.W. en K.B. op te roepen als getuigen beantwoord en dit zonder het Hof te beletten zijn wettigheidstoezicht uit te oefenen. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Derde middel van de eiseressen II 28. Het middel voert schending aan van de artikelen 5, zoals hier toepasselijk, 418 en 420 Strafwetboek: de appelrechters oordelen ten onrechte dat de eiseres II.1, in concreto gezien, wetens en willens het misdrijf van onopzettelijke slagen of verwondingen heeft gepleegd in de zin van artikel 5, tweede lid, Strafwetboek, dat die notie niet overeenstemt met het algemeen opzet en dat daardoor de decumulregeling hier niet kan worden toegepast; zuiver onopzettelijke delicten, zoals onopzettelijke slagen of verwondingen, kunnen niet wetens en willens worden gepleegd; het principe dat de cumulregel ook van toepassing is op een onopzettelijk misdrijf geldt enkel indien voor die misdrijven geen opzettelijke variant bestaat, wat met onopzettelijke slagen wel het geval is; de stelling dat een dergelijk misdrijf in concreto wetens en willens kan worden gepleegd, is onverenigbaar met de aard van een dergelijk misdrijf. 29. Het arrest stelt niet vast dat de eiseres II.1 het misdrijf van onopzettelijke slagen of verwondingen wetens en willens heeft gepleegd. In zoverre berust het middel op een onjuiste lezing van het arrest en mist het feitelijke grondslag. 30. Volgens artikel 5, tweede lid, Strafwetboek, zoals hier toepasselijk, kan de geïdentificeerde natuurlijke persoon samen met de verantwoordelijke rechtspersoon worden veroordeeld indien hij de fout wetens en willens heeft gepleegd. 31. Deze bepaling is zowel van toepassing op opzettelijke als op onopzettelijke misdrijven. Het bewezen verklaren van het misdrijf van het onopzettelijk toebrengen van slagen of verwondingen door een natuurlijk persoon sluit niet uit dat de aan de basis daarvan liggende handelingen en verzuimen door die natuurlijke persoon wetens en willens zijn gepleegd in de zin van artikel 5, tweede lid, Strafwetboek. De omstandigheid dat een onopzettelijk misdrijf ook een opzettelijke variant heeft, doet daaraan niets af. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. Ambtshalve onderzoek 32. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verleent akte van de afstanden zoals vermeld. Verwerpt de cassatieberoepen voor het overige. Veroordeelt de eiseressen tot de kosten van hun cassatieberoepen. Bepaalt de kosten in het geheel op 294,31 euro, waarvan de eiseres I 147,15 euro is verschuldigd en de eiseressen II 147,16 euro zijn verschuldigd. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, de raadsheren Erwin Francis, Eric Van Dooren, Steven Van Overbeke en Bruno Lietaert, en in openbare rechtszitting van 18 juni 2024 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240618.2N.23 Gerelateerde publicatie(
  3. s)geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250114.2N.17 ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250409.2F.6 ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250916.2N.6 precedenten: ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190226.1 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210309.2N.5 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211221.2N.21 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220301.2N.9 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221011.2N.12 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231121.2N.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.