← België

L.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 18 juni 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2024:

Art. 203, § 1 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: GRIFFIE.

GRIFFIER Wettelijke bepalingen: Wetboek

Art. 203

, § 1 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: ADVOCAAT Wettelijke bepalingen: Wetboek

Art. 203

, § 1 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiches 7 - 9 Een verklaring van hoger beroep per brief of per e-mail laat de griffier die de authentieke akte opstelt waarin de verklaring van hoger beroep wordt bevestigd, niet toe zekerheid te hebben over de identiteit en de hoedanigheid van de persoon die verklaart hoger beroep te willen instellen; de verplichting om persoonlijk te verschijnen ter griffie voor het doen van de verklaring van hoger beroep dient dan ook een wettig doel en tast het recht van toegang tot de appelrechter in de kern niet aan; de appelrechter die het hoger beroep van een appellant niet ontvankelijk verklaart omdat die laatste of zijn raadsman niet persoonlijk is verschenen voor de griffier om een verklaring van hoger beroep af te leggen, geeft hierdoor geen blijk van overdreven formalisme

(1).
(1)Cass. 7 november 2023, AR P.23.1221.N ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231107.2N.8, AC 2023, nr. 713, met concl. OM. Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - STRAFZAKEN (DOUANE EN ACCIJNZEN INBEGREPEN) - Principaal beroep. Vorm. Termijn Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wetboek

Art. 203, § 1 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: GRIFFIE.

GRIFFIER Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wetboek

Art. 203

, § 1 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wetboek

Art. 203, § 1 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Tekst van de beslissing Nr.

P.23.1387.N L. Z., beklaagde, eiseres, met als raadsman mr. Laura Otte, advocaat bij de balie Gent. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de Nederlandstalige correctionele rechtbank Brussel van 13 september

  1. De eiseres voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Raadsheer Steven Van Overbeke heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
  2. Het middel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM en artikel 14.1 IVBPR, alsook miskenning van de algemene rechtsbeginselen houdende eerbiediging van het recht van verdediging, het recht op tegenspraak en het recht op een eerlijk proces: door het namens de eiseres neergelegde verzoek tot heropening van het debat af te wijzen zonder de eiseres de kans te geven hierover tegenspraak te voeren, verantwoorden de appelrechters hun beslissing niet naar recht; de eiseres had, na de behandeling van de zaak op de rechtszitting van 15 juni 2023, waarop er vragen waren gerezen met betrekking tot de ontvankelijkheid van het door haar ingestelde hoger beroep, op 8 september 2023 een verzoek tot heropening van het debat neergelegd ter griffie, waarbij zij correspondentie had gevoegd die zij had gevoerd met de griffier van de politierechtbank die het beroepen vonnis heeft gewezen en met de griffier van een andere politierechtbank, waarin verduidelijking werd verschaft over de werkwijze die wordt gevolgd bij het aantekenen van hoger beroep; hoewel de eiseres in kennis werd gesteld dat dit verzoek zou worden behandeld op de rechtszitting van 13 september 2023, werd haar verzoek tot heropening van het debat op die laatste zitting niet mondeling behandeld en werd de eiseres niet in de gelegenheid gesteld om hierover tegenspraak te voeren.
  3. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat de appelrechters hebben geoordeeld dat het debat moet worden heropend teneinde de eiseres toe te laten haar verzoekschrift tot heropening van het debat op de rechtszitting van 13 september 2023 mondeling toe te lichten en hierover tegenspraak te voeren. In zoverre mist het middel feitelijke grondslag.
  4. De rechter oordeelt in strafzaken in beginsel onaantastbaar over een door een partij ingediend verzoek tot heropening van het debat. Geen enkele verdragsrechtelijke bepaling of wetsbepaling, noch enig algemeen rechtsbeginsel verplichten de rechter om voorafgaand aan dit oordeel de partijen in de gelegenheid te stellen over dit verzoek tegenspraak te voeren. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. Tweede middel Eerste onderdeel
  5. Het onderdeel voert schending aan van artikel 203, § 1, Wetboek van Strafvordering: met het oordeel dat er geen verklaring van hoger beroep ter griffie werd afgelegd en de akte van hoger beroep louter melding maakt van een schriftelijke verschijning, verantwoorden de appelrechters niet naar recht dat het hoger beroep van de eiseres niet ontvankelijk is; na telefonisch contact met de hoofdgriffier werd door die laatste bevestigd dat er rechtsgeldig op een elektronische wijze hoger beroep kon worden aangetekend; de griffier heeft op 9 januari 2023 om 15.57 uur een door haar digitaal ondertekende akte van hoger beroep naar de raadsman van de eiseres verstuurd, waarin werd bevestigd dat die raadsman verklaart schriftelijk hoger beroep in te stellen tegen het vonnis van de politierechtbank Vilvoorde van 16 december 2022; door die foutieve informatie werd de eiseres misleid en kan zij zich beroepen op overmacht; de procespartijen kunnen immers niet verantwoordelijk worden gesteld voor de fouten van de griffie, zodat de appelrechters het hoger beroep ontvankelijk hadden moeten verklaren wegens de overmacht waarop de eiseres zich kan beroepen.
  6. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat de griffier van de politierechtbank tijdens de beroepstermijn aan de raadsman van de eiseres heeft meegedeeld dat zij rechtsgeldig hoger beroep kon aantekenen zonder persoonlijk een verklaring dienaangaande af te leggen tegenover de griffier. In zoverre mist het onderdeel feitelijke grondslag.
  7. De loutere omstandigheid dat de advocaat van een appellant vanwege een lid van de griffie onjuiste informatie zou hebben ontvangen over de in de wet omschreven vormvereisten voor het instellen van een ontvankelijk hoger beroep, houdt voor die appellant geen overmacht in die de niet-naleving van die vormvereisten rechtvaardigt. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. Tweede onderdeel
  8. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM, alsook miskenning van het recht van toegang tot de rechter: met het oordeel dat er geen verklaring van hoger beroep ter griffie werd afgelegd en de akte van hoger beroep louter melding maakt van een schriftelijke verschijning, verantwoorden de appelrechters niet naar recht dat het hoger beroep van de eiseres niet ontvankelijk is; het dossier bevat een tijdig neergelegd en ondertekend grievenformulier met grieven tegen het beroepen vonnis van 16 december 2022, terwijl ook de binnen de beroepstermijn opgemaakte akte van hoger beroep, die door de raadsman van de eiseres werd ondertekend en ook door de griffier digitaal werd ondertekend, deel uitmaakt van het strafdossier; de intentie van de eiseres om hoger beroep aan te tekenen is aldus duidelijk, zodat het van overdreven formalisme getuigt om het hoger beroep niet ontvankelijk te verklaren omdat het elektronisch werd aangetekend.
  9. Uit de tekst van artikel 203, § 1, Wetboek van Strafvordering volgt dat het in die bepaling bedoelde hoger beroep een verklaring van hoger beroep vereist ter griffie van de rechtbank die het vonnis heeft gewezen. Van die verklaring, die enkel geldig kan worden afgelegd tijdens de openingsuren van de griffie, wordt door de griffier een authentieke akte opgemaakt waarin wordt bevestigd dat de persoon die is verschenen op de in de akte vermelde datum en plaats tegen de in de akte vermelde beslissing hoger beroep heeft aangetekend.
  10. Daaruit volgt dat: - de persoon die hoger beroep wil instellen persoonlijk de verklaring van hoger beroep moet afleggen tegenover de griffier tijdens de openingsuren van de griffie; - een verklaring van hoger beroep zonder de persoonlijke verschijning van hij die hoger beroep wil instellen, geen ontvankelijk hoger beroep oplevert.
  11. Een verklaring van hoger beroep per brief of per e-mail laat de griffier die de authentieke akte opstelt waarin de verklaring van hoger beroep wordt bevestigd, niet toe zekerheid te hebben over de identiteit en de hoedanigheid van de persoon die verklaart hoger beroep te willen instellen.
  12. De verplichting om persoonlijk te verschijnen ter griffie voor het doen van de verklaring van hoger beroep dient dan ook een wettig doel en tast het recht van toegang tot de appelrechter in de kern niet aan. De appelrechter die het hoger beroep van een appellant niet ontvankelijk verklaart omdat die laatste of zijn raadsman niet persoonlijk is verschenen voor de griffier om een verklaring van hoger beroep af te leggen, geeft hierdoor geen blijk van overdreven formalisme.
  13. In zoverre het onderdeel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
  14. Het bestreden vonnis (p. 4-6, nrs. 3-10) verklaart het hoger beroep van de eiseres tegen het vonnis van de politierechtbank van 16 december 2022 niet ontvankelijk op grond van de volgende redenen: - de eiseres werd tijdens de procedure voor de eerste rechter en dit tot en met de behandeling van de procedure voor het appelgerecht bijgestaan door een advocaat; - de griffier van de politierechtbank ontving op 9 januari 2023 om 15.44 uur vanwege de advocaat van de eiseres een e-mailbericht met als bijlage een ingevuld en ondertekend grievenformulier; - hiervan heeft de griffier een akte opgesteld, gedateerd op 9 januari 2023 en door de griffier digitaal ondertekend, welke “akte van hoger beroep” bevestigt dat de voormelde advocaat schriftelijk verschijnt voor de griffier en verklaart voor de eiseres hoger beroep in te stellen tegen het vonnis van 16 december 2022 en hierbij ook een grievenformulier neerlegt; - uit het navolgend e-mailverkeer blijkt dat de raadsman van de eiseres zich niet naar de griffie heeft begeven en de akte van hoger beroep pas achteraf heeft ondertekend, waarbij de voormelde griffier op 9 januari 2023 om 15.57 uur een mail naar de voormelde raadsman heeft gestuurd met als bijlage de akte van hoger beroep, die de raadsman vervolgens heeft ondertekend en als ondertekende bijlage heeft teruggestuurd naar de griffier bij e-mailbericht van 10 januari 2023 om 11.43 uur, wat verklaart waarom het dossier twee akten van hoger beroep met hetzelfde nummer bevat, waarvan één zonder en één met de handtekening van de raadsman; - hoewel mogelijk uit praktische overwegingen werd gehandeld, is dit niet rechtsgeldig en bovendien ook niet noodzakelijk, aangezien de beroepstermijn nog niet was verstreken en op een later tijdstip nog op een correcte wijze hoger beroep kon worden aangetekend. Op grond van die redenen verantwoorden de appelrechters naar recht de beslissing om het hoger beroep van de eiseres niet ontvankelijk te verklaren. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek
  15. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiseres tot de kosten. Bepaalt de kosten op 74,31 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, de raadsheren Erwin Francis, Eric Van Dooren, Steven Van Overbeke en Bruno Lietaert, en in openbare rechtszitting van 18 juni 2024 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240618.2N.24 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050413.5 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220517.2N.15 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231107.2N.8 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.