id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 18 juni 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2024:
Art. 6
.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6
.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: BEWIJS - STRAFZAKEN - Bewijsvoering Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6
.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: ONAANTASTBARE BEOORDELING DOOR DE FEITENRECHTER Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6
.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Fiches 5 - 9 Wanneer het openbaar ministerie wordt geconfronteerd met een massa aan incriminerende gegevens betreffende een veelheid aan personen en mogelijk door hen gepleegde misdrijven en het daarom de strafvervolging lastens een bepaalde beklaagde dient te steunen op een selectie van die gegevens, dan heeft die beklaagde in principe het recht te vernemen welke criteria relevant waren om tot zijn identificatie en zijn betrokkenheid bij de hem verweten feiten te leiden maar dat recht is niet absoluut en de rechter oordeelt daarover onaantastbaar op grond van de concrete elementen van de zaak; daarbij kan de rechter onder meer rekening houden met het vermoeden dat het openbaar ministerie alle relevante gegevens à charge en à décharge heeft bijgebracht, de aannemelijkheid van het verweer van een beklaagde dat dit niet het geval is of dat het gebruik van een of meerdere criteria met een onregelmatigheid is behept, de nauwkeurigheid van het verzoek van de beklaagde en de ogenschijnlijke relevantie van de door de beklaagde bijkomend gevraagde gegevens in het licht van het ogenschijnlijk al dan niet doorslaggevende karakter van het reeds in het strafdossier aanwezige bewijsmateriaal, alsook met andere noodwendigheden zoals de bescherming van de privacy van derden en het geheim van een nog lopend strafonderzoek
(1).
(1)Cass. 23 januari 2023, AR P.22.1493.N ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230124.2N.10, AC 2023, nr. 64; EHRM 15 februari 2024, nr. 19920/20, Škoberne t. Slovenië; EHRM 25 juli 2019, nr. 1586/15, Rook t. Duitsland. Thesaurus CAS: OPENBAAR MINISTERIE Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6
.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: BEWIJS - STRAFZAKEN - Bewijsvoering Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6
.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: RECHT VAN VERDEDIGING - STRAFZAKEN Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6
.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: ONAANTASTBARE BEOORDELING DOOR DE FEITENRECHTER Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6
.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6
.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Fiches 10 - 13 De rechter die wordt geconfronteerd met onregelmatig bewijsmateriaal dat niet nietig of onbetrouwbaar is en die dat bewijsmateriaal doorslaggevend acht voor de beslissing over de schuldigverklaring, oordeelt op grond van de concrete gegevens van de zaak en in het licht van de gehele procedure onaantastbaar of het gebruik van dat bewijs in strijd is met het recht op een eerlijk proces en de rechter kan daarbij een afweging maken tussen een geheel van gegevens die eigen zijn aan de hem voorgelegde zaak, zoals de stand van de wetgeving op het moment van de onregelmatigheid, het feit dat de onregelmatigheid niet opzettelijk of ingevolge een niet te verontschuldigen nalatigheid is begaan en het feit dat de beklaagde voor de rechter tegenspraak heeft kunnen voeren over het bewijsmateriaal; de rechter moet zijn beslissing niet motiveren aan de hand van welbepaalde vaste criteria, maar uit zijn beslissing moet wel blijken dat hij, wanneer dat voor hem is aangevoerd, in het bijzonder rekening heeft gehouden met de door het Hof van Justitie bepaalde vereisten met het oog op het vrijwaren van de gelijkwaardigheid en de doeltreffendheid van de door het Unierecht geboden rechtsbescherming; evenmin dient de beslissing over de bewijsuitsluiting enkel te worden gesteund op het al dan niet voldoen aan een welbepaald criterium, maar kan de rechter meerdere criteria in hun onderling verband beoordelen en kan de beoordeling van het ene criterium de beoordeling van het andere versterken, vervolledigen of verduidelijken en het Hof gaat na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die niet te verzoenen zijn met het recht op een eerlijk proces
(1).
(1)Cass. 25 januari 2022, AR P.21.1353.N ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220125.2N.3, AC 2022, nr. 60, met concl. van advocaat-generaal D. SCHOETERS; Cass. 11 januari 2022, AR P.21.1245.N ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220111.2N.1, AC 2022, nr. 14. Thesaurus CAS: BEWIJS - STRAFZAKEN - Bewijsvoering Wettelijke bepalingen: Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Art. 32 - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Wettelijke bepalingen: Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Art. 32 - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Thesaurus CAS: EUROPESE UNIE - VERDRAGSBEPALINGEN - Instellingen Wettelijke bepalingen: Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Art. 32 - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Thesaurus CAS: ONAANTASTBARE BEOORDELING DOOR DE FEITENRECHTER Wettelijke bepalingen: Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Art. 32 - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Fiches 14 - 16 De rechter in strafzaken dient geen deskundigenonderzoek te bevelen om de enkele reden dat een beklaagde zich vragen stelt over de betrouwbaarheid van tegen hem ingebracht elektronisch bewijs en daarom kennis wil krijgen van de achterliggende technische aspecten van dat bewijs; die rechter oordeelt integendeel onaantastbaar over de noodzaak, de raadzaamheid en de gepastheid van een dergelijke onderzoekshandeling en aldus belet niets die rechter om, mits naleving van zijn motiveringsverplichting, de aanstelling van een deskundige te weigeren wanneer een partij haar verzoek tot het deskundigenonderzoek niet grondt op een aannemelijk gegeven of wanneer er geen dienstige reden bestaat om die maatregel te bevelen en ook andere omstandigheden, zoals de vertrouwelijkheid van de te onderzoeken gegevens in het licht van de afscherming van een nog lopend strafonderzoek of de privacy van derden, kunnen een rol spelen
(1).
(1)Cass. 29 december 2020, AR P.20.0988.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201229.2N.11, AC 2020, nr.
- Thesaurus CAS: BEWIJS - STRAFZAKEN - Bewijslast. Beoordelingsvrijheid DESKUNDIGENONDERZOEK ONAANTASTBARE BEOORDELING DOOR DE FEITENRECHTER Fiches 17 - 18 Wanneer de oprichtingsovereenkomst van een gemeenschappelijk onderzoeksteam uitdrukkelijk de identificatie van de gebruikers van een communicatiedienst en het in kaart brengen van criminele organisaties vermeldt als doelstelling voor de oprichting van het team, is de beslissing dat België als lid van het gemeenschappelijk onderzoeksteam de door dat team verzamelde communicatiegegevens kon gebruiken in het kader van de strafvordering naar recht verantwoord zonder dat daarvoor een specifieke toelating als bedoeld in artikel 10, § 3, Wet Internationale Rechtshulp is vereist. Thesaurus CAS: INTERNATIONALE RECHTSHULP Wettelijke bepalingen: Wet 9 december 2004 betreffende de internationale politiële verstrekking van gegevens van persoonlijke aard en informatie met gerechtelijke finaliteit, de wederzijdse internationale rechtshulp in strafzaken en tot wijziging van artikel 90ter van het ... - 09-12-2004 - Art. 10, § 3 - 40 ELI link Pub nr 2004009876 Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - OP CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Wettelijke bepalingen: Wet 9 december 2004 betreffende de internationale politiële verstrekking van gegevens van persoonlijke aard en informatie met gerechtelijke finaliteit, de wederzijdse internationale rechtshulp in strafzaken en tot wijziging van artikel 90ter van het ... - 09-12-2004 - Art. 10, § 3 - 40 ELI link Pub nr 2004009876 Tekst van de beslissing Nr. P.24.0240.N I S. J., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Jorgen Van Laer, advocaat bij de balie Antwerpen, tegen ANTWERP GATAWAY nv (DP WORLD), met zetel te 9130 Beveren, Molenweg-Haven 1950, burgerlijke partij, verweerster. II Y. C., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Philip De Cleene, advocaat bij de balie Antwerpen, tegen
- ANTWERP GATAWAY nv (DP WORLD), reeds vermeld, burgerlijke partij,
- TRIGION nv, met zetel te 2000 Antwerpen, Noorderplaats 7 bus 1, burgerlijke partij, verweersters. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 26 januari
- De eiser I voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vier middelen aan. De eiser II voert geen middel aan. Raadsheer Erwin Francis heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Alain Winants heeft geconcludeerd. De raadsman van de eiser heeft op 13 juni 2024 ter griffie van het Hof een door artikel 1107, derde lid, Gerechtelijk Wetboek bedoelde noot neergelegd. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het cassatieberoep van de eiser II
- Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat de eiser II zijn cassatieberoep heeft doen betekenen aan de verweersters II, zoals nochtans vereist door artikel 427 Wetboek van Strafvordering. In zoverre gericht tegen de beslissingen over de burgerlijke rechtsvorderingen van de verweersters II, is het cassatieberoep van de eiser II niet ontvankelijk. Eerste middel Eerste onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 6 EVRM, alsook miskenning van het recht op tegenspraak: het arrest oordeelt ten onrechte dat het vertrouwensbeginsel een nader onderzoek van de regelmatigheid van de bewijsgaring in Frankrijk verhindert; de rechter moet erover waken dat een beklaagde in het buitenland verkregen bewijsmateriaal concreet kan betwisten aan de hand van de beslissingen van de bevoegde buitenlandse overheden en de eventueel erbij horende stukken; het vertrouwensbeginsel is niet absoluut; de lidstaten van de Europese Unie kunnen zich niet achter dat beginsel verschuilen wanneer er, zoals hier aangetoond door de eiser, objectieve en concrete aanwijzingen zijn dat het recht op een eerlijk proces is miskend; de eiser kan wegens het ontbreken van essentiële documenten niet aan zijn aanvoeringsplicht voldoen; de eiser moet het bestaan van de door hem aangevoerde onregelmatigheden kunnen onderzoeken en kunnen nagaan of de buitenlandse wetgeving is geëerbiedigd.
- De eiser heeft de appelrechters verzocht om de voeging aan het strafdossier te bevelen van alle of een aantal stukken van het Belgische “moederdossier” (dossier (…) van onderzoeksrechter V. L.) en van alle of een aantal stukken vervat in het Franse strafonderzoek, teneinde de regelmatigheid van het door die onderzoeken opgeleverde bewijsmateriaal te kunnen nagaan. Het arrest (p. 31-38) beantwoordt dat verzoek met een opsomming van de reeds aan het strafdossier gevoegde stukken en het (p. 29-52) oordeelt verder als volgt: - met de reeds gevoegde stukken zijn alle belangrijke stukken van het moederdossier gevoegd, alsook de beschikkingen en bijhorende stukken uit het Franse strafdossier die toelaten de regelmatigheid van het in het kader van dat dossier verzamelde bewijs ingevolge de captaties en intercepties van telecommunicatie te onderzoeken; - op grond van het vertrouwensbeginsel, dat een algemeen beginsel is van het recht van de Europese Unie, moet ervan worden uitgegaan dat Unielanden zoals Frankrijk het Unierecht met inbegrip van de grondrechten naleven, zodat er moet worden aangenomen dat in een Frans strafdossier de bewijzen werden verkregen in overeenstemming met het geldende Unierecht; - de eiser maakt niet aannemelijk dat de Franse rechtsorde de standaarden die van een EU-lidstaat op het stuk van de rechtsstaat mogen worden verwacht, niet haalt; - indien een beklaagde aanvoert dat uit een buitenlands strafdossier afkomstige bewijsgegevens onregelmatig zijn, dient hij die bewering aannemelijk te maken, waarbij een loutere bewering of veronderstelling niet volstaat en de rechter onaantastbaar oordeelt of een beklaagde zijn bewering aannemelijk maakt; - die aanvoeringsplicht creëert voor de beklaagde geen recht van toegang tot het buitenlandse strafdossier of een recht op het verkrijgen van een afschrift van alle of bepaalde dossiergegevens; - het deloyaal handelen van een autoriteit mag niet worden vermoed. Bovendien is er geen enkele aanwijzing dat de deelnemers van het gemeenschappelijk onderzoeksteam zijn tekortgeschoten in hun essentiële verplichtingen onder de beginselen van hun eigen nationale recht, van de rechtsstaat of van de fundamentele rechten. Integendeel, in het dossier zitten de vertalingen van Franse beschikkingen waaruit kan worden afgeleid dat verschillende Franse rechters toestemming hebben gegeven voor het onderscheppen van Sky ECC-gegevens en dat er een periodieke rechterlijke controle heeft plaatsgevonden; - op geen enkele wijze wordt aannemelijk gemaakt dat er onwettigheden hebben plaatsgevonden in het Franse onderzoek, zoals bijvoorbeeld de overschrijding door de onderzoeksrechters van hun saisine, of dat er andere redenen zijn om de betrouwbaarheid van het bewijs dat voortvloeit uit het Franse onderzoek en de machtigingen in twijfel te trekken, of dat er uitzonderlijke omstandigheden zouden zijn die een afwijking van het vertrouwensbeginsel rechtvaardigen; - bovendien worden de bewijselementen voorgelegd aan onafhankelijke en onpartijdige rechters, waardoor voldaan is aan de vereisten van artikel 6 EVRM aangaande het recht op een eerlijk proces; - er is geen enkele reden of noodzaak om nog andere internationale of uit het buitenland afkomstige stukken te doen voegen aan het thans voorliggende strafdossier dan deze die op heden reeds eraan werden gevoegd; - er is ook geen reden waarom zou moeten worden overgegaan tot de voeging van “alle relevante documenten waarover België en Nederland beschikken op basis waarvan zij stellen dat SkyECC criminele doeleinden dient”. De elementen die de Belgische gerechtelijke autoriteiten ertoe hebben bewogen een onderzoek op te starten naar Sky ECC blijken genoegzaam uit de reeds in het strafdossier aanwezige bewijsstukken. Deze elementen betreffen overigens geen bewijselementen lastens de eiser, maar louter vaststellingen, informaties en overwegingen die het opstarten van een strafonderzoek lastens Sky ECC konden rechtvaardigen.
- Met die redenen steunt het arrest de afwijzing van eisers verzoek tot het voegen van bijkomende stukken uit het Franse, dan wel het Nederlandse onderzoek niet zonder meer op het onderlinge vertrouwen dat de lidstaten van de Europese Unie elkaar verschuldigd zijn, maar ook op een geheel van andere redenen die het onderdeel niet in de kritiek betrekt. In zoverre berust het onderdeel op een onvolledige lezing van het arrest en mist het bijgevolg feitelijke grondslag.
- Voor het overige komt het onderdeel op tegen de onaantastbare beoordeling van de feiten door het arrest of verplicht het tot een onderzoek van feiten, waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft, en is het bijgevolg niet ontvankelijk. Tweede onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 6 EVRM, alsook miskenning van het recht op tegenspraak: het arrest oordeelt dat noch het moederdossier, noch het afgeleide federale opsporingsonderzoek (…) aan het strafdossier moet worden gevoegd en het beroept zich daarvoor ten onrechte op de privacy van de in het moederdossier betrokken personen en het geheim van het onderzoek; het arrest steunt op een onjuiste uitlegging van de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens inzake het recht van een beklaagde op toegang tot relevante stukken uit een ander strafonderzoek; minstens zijn er in het licht van de concrete omstandigheden van deze zaak onvoldoende waarborgen om de beperking van eisers recht op inzage in relevant bewijsmateriaal te compenseren; het zogenaamde recht op privacy van derden is een drogreden aangezien in dit dossier een medebeklaagde is geïdentificeerd met verwijzing naar gesprekken tussen derden; de eiser heeft wel degelijk aangetoond dat het openbaar ministerie deloyaal heeft gehandeld en relevante stukken heeft achtergehouden.
- Wanneer aan een voorliggend strafdossier gegevens uit een ander strafdossier zijn gevoegd, vereist het recht van verdediging weliswaar dat de verdediging inzage krijgt van alle elementen à charge en à décharge uit dat strafdossier die rechtstreeks of onrechtstreeks pertinent kunnen zijn voor de beoordeling van het lot van de strafvordering en de schuldvraag in het voorliggende strafdossier, maar dat impliceert niet dat de verdediging zonder meer recht heeft op de voeging van alle gegevens die het van belang acht om zich ervan te vergewissen dat het andere strafdossier niet behept is met een onregelmatigheid zoals een overschrijding door de onderzoeksrechter van zijn saisine. Vereist is dat de verdediging het bestaan van de aangevoerde onregelmatigheid en het belang daarvan voor de beoordeling van zijn zaak enigszins aannemelijk maakt. Een loutere speculatie over een onregelmatigheid volstaat daartoe niet.
- Zijn die onregelmatigheid en dat belang aannemelijk, dan dient de rechter in de regel de voeging te bevelen van alle stukken op grond waarvan uitsluitsel over de onregelmatigheid kan worden gegeven. Is dat niet het geval, dan oordeelt de rechter onaantastbaar of de voeging van die stukken vereist is opdat de beklaagde zijn recht van verdediging naar behoren kan uitoefenen. Daarbij kan de rechter rekening houden met alle dienstige gegevens die aan de tegenspraak van de partijen zijn onderworpen.
- In alle gevallen houdt de rechter bij de beoordeling van het verzoek tot voeging van stukken rekening met eventuele noodwendigheden die deze voeging concreet en ernstig in de weg kunnen staan, zoals de bescherming van de privacy van personen vernoemd in het andere strafdossier of het eerbiedigen van het geheim van een nog lopend strafonderzoek, met inbegrip van de afscherming van de in dat onderzoek gebruikte opsporings- of onderzoekstechnieken.
- Het Hof gaat wel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die op grond daarvan onmogelijk te verantwoorden zijn.
- In zoverre het onderdeel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
- Het arrest (p. 43-44) oordeelt onder meer als volgt: - het moederdossier en het federale opsporingsonderzoek (…) bevatten een uiterst omvangrijke hoeveelheid gegevens waarvan het gros betrekking heeft op communicaties tussen personen die met de actuele strafvervolging niets te maken hebben, alsook vertrouwelijke informatie over een groot aantal personen die al dan niet terecht worden verdacht van het plegen van een misdrijf. Het verstrekken van toegang tot de gehele Sky ECC-dataset aan de raadsman van één beklaagde in één specifieke strafzaak, zoals de eiser verzoekt, zou leiden tot een ernstige en niet-verantwoordbare miskenning van de privacy van talrijke andere Sky ECC-gebruikers die geen enkele band hebben met de strafbare feiten en verdachten in dit specifieke strafdossier en zou een miskenning van het geheim van het onderzoek uitmaken; - daarenboven hangt de doeltreffendheid van de onderzoeksdaden in het moederdossier en het vermelde federale opsporingsonderzoek eveneens af van de geheimhouding van de informatie die vreemd is aan de personen die in de actuele strafzaak werden vervolgd; - het openbaar ministerie geeft aan dat het aan het voorliggende dossier alle in het moederdossier beschikbare onderschepte communicatie liet voegen waarbij één van de PINS betrokken was die gelet op de inhoud van de onderschepte communicatie aan de in het geding zijnde feiten kan worden gekoppeld. Het tegendeel, met name dat er onderschepte communicatie zou bestaan die relevantie heeft voor onderhavige strafzaak, zoals communicatie die de eiser zou vrijpleiten of op enige andere wijze in zijn voordeel zou zijn, maar die het openbaar ministerie zou nalaten te voegen, wordt niet aannemelijk gemaakt; - hoewel niet alle Sky ECC-communicatie voorligt, wordt niet aannemelijk gemaakt, laat staan aangetoond, dat de Sky-communicatie die wel wordt voorgebracht onvolledig of onbetrouwbaar zou zijn; - voor wat betreft het verzoek tot voeging van nog andere stukken uit het moederdossier, stelt het openbaar ministerie dat alle stukken uit het moederdossier die op de in deze zaak onderzochte feiten betrekking hebben, inmiddels aan het dossier werden gevoegd; - het openbaar ministerie en de politieambtenaren worden geacht loyaal op te treden. Niemand maakt aan de hand van nauwkeurige en objectieve vermoedens aannemelijk dat het openbaar ministerie relevante bewijsstukken voor een correcte beoordeling van de voorliggende strafzaak achterhoudt; - zowel inzake de toegepaste bijzondere onderzoeksmaatregelen, waarin de kamer van inbeschuldigingstelling geen onregelmatigheden heeft vastgesteld, als inzake de saisine van de onderzoeksrechter in het moederdossier en de chronologie van dat dossier, bestaat er voldoende duidelijkheid en moeten er bijgevolg geen verdere stukken worden bijgebracht.
- Op grond van die redenen kan het arrest wettig beslissen dat het recht op tegenspraak van de eiser niet vereist dat het moederdossier of het afgeleide federale opsporingsonderzoek (…), dan wel enig bijzonder stuk uit een van die dossiers of uit een ander dossier, aan het voorliggende strafdossier wordt toegevoegd omdat de eiser in het licht van de concrete omstandigheden van deze zaak zijn recht op tegenspraak afdoende kan uitoefenen. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen.
- In zoverre het onderdeel aanvoert dat er compenserende maatregelen vereist waren voor de beperking van eisers recht op inzage in relevant bewijsmateriaal, zonder die aanvoering nader te preciseren, is het onduidelijk en bijgevolg niet ontvankelijk.
- Voor het overige komt het onderdeel op tegen het onaantastbare oordeel van het arrest over de feiten of verplicht het tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft en is het evenmin ontvankelijk. Derde onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 6 EVRM, alsook miskenning van het recht van verdediging: het arrest oordeelt dat het openbaar ministerie aangeeft dat het aan het dossier alle in het moederdossier beschikbare onderschepte communicatie heeft laten voegen waarbij één van de PINS betrokken was die gelet op de inhoud van de onderschepte communicatie aan de in het geding zijnde feiten kan worden gekoppeld en dat het tegendeel, met name dat er onderschepte communicatie zou bestaan die relevantie heeft voor de voorliggende strafzaak, zoals communicatie die de eiser zou vrijpleiten of op enige andere wijze in zijn voordeel zou zijn, maar die het openbaar ministerie zou nalaten te voegen, niet aannemelijk wordt gemaakt; vervolgens oordeelt het arrest: “Door te stellen dat informatie over het filterproces en de filtercriteria zouden moeten worden bijgebracht, gaat [de eiser] voorbij aan precies die vaststelling, met name dat er niet “gefilterd” werd, met uitzondering van het feit dat enkel de communicatie wordt bijgebracht van de PINS die berichten verstuurden die betrekking hebben op de in onderhavig dossier onderzochte feiten”; de eiser dient kennis te kunnen nemen van de informatie waarover de onderzoeksinstanties beschikken na een initiële (automatische) filtering, minstens van het filteringsproces en de gehanteerde filteringscriteria bij de doorzoeking van de geïntercepteerde data; anders dan het arrest oordeelt, is het duidelijk dat de onderzoekers reeds vóór de samenwerkingsovereenkomst over heel wat gegevens beschikten waaruit op niet-automatische wijze een selectie werd gemaakt; het is voor de eiser onduidelijk hoe en waarom men een bepaalde PIN als “relevant om op te volgen” heeft kunnen bestempelen; het openbaar ministerie voegt ook geen lijst van criteria.
- Wanneer het openbaar ministerie wordt geconfronteerd met een massa aan incriminerende gegevens betreffende een veelheid aan personen en mogelijk door hen gepleegde misdrijven en het daarom de strafvervolging lastens een bepaalde beklaagde dient te steunen op een selectie van die gegevens, dan heeft die beklaagde in principe het recht te vernemen welke criteria relevant waren om tot zijn identificatie en zijn betrokkenheid bij de hem verweten feiten te leiden. Dat recht is evenwel niet absoluut. De rechter oordeelt daarover onaantastbaar op grond van de concrete elementen van de zaak. Daarbij kan de rechter onder meer rekening houden met het vermoeden dat het openbaar ministerie alle relevante gegevens à charge en à décharge heeft bijgebracht, de aannemelijkheid van het verweer van een beklaagde dat dit niet het geval is of dat het gebruik van een of meerdere criteria met een onregelmatigheid is behept, de nauwkeurigheid van het verzoek van de beklaagde en de ogenschijnlijke relevantie van de door de beklaagde bijkomend gevraagde gegevens in het licht van het ogenschijnlijk al dan niet doorslaggevende karakter van het reeds in het strafdossier aanwezige bewijsmateriaal, alsook met andere noodwendigheden zoals de bescherming van de privacy van derden en het geheim van een nog lopend strafonderzoek.
- In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- Het arrest (p. 11-13 “4.4.1 Opbouw van het strafdossier” en p. 52-57 “4.4.3.7 Wat betreft de saisine van de onderzoeksrechter”) vermeldt hoe het strafdossier is opgebouwd, alsook de chronologie van de erin gestelde opsporings- en onderzoekshandelingen. Uit de daar vermelde gegevens blijkt onder meer in welke processen-verbaal de eiser werd geïdentificeerd en met welke achtergrond en welk doel de vermelde opsporings- en onderzoekshandelingen werden gesteld. Het arrest (p. 63) verduidelijkt verder dat de identiteit van de eiser werd achterhaald met eensdeels de beperkte verkeers- en locatiegegevens waarover de speurders via publieke providers konden beschikken en anderdeels een aantal elementen zoals terugkerende en gelijkaardige gebruiksnamen, de inhoud van gevoerde communicaties, verstuurde foto’s en gemeenschappelijke contacten. Het oordeelt dat het bewijs van de ten laste gelegde feiten in het bijzonder is gesteund op de inhoud van de door de eiser gevoerde communicaties. Met de redenen die het onderdeel aanhaalt, vermeldt het arrest bovendien dat de enige selectie die is toegepast vanuit het geheel van de gegevens die zijn vervat in het moederdossier, erin bestaat dat aan het voorliggende dossier alle onderschepte communicatie werd gevoegd die kan worden gekoppeld aan de lastens de beklaagden vervolgde feiten. Voor het overige blijkt uit de redenen vermeld onder het eerste en het tweede onderdeel waarom de eerbiediging van eisers recht op tegenspraak niet vereist dat hij bovendien beschikt over de verder achterliggende gegevens die de speurders op het spoor hebben gebracht van zijn identiteit en de door hem gebruikte PINS. Met het geheel van die redenen verantwoordt het arrest de beslissing naar recht. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen.
- Voor het overige verplicht het onderdeel tot een onderzoek van feiten, waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft, en is het bijgevolg niet ontvankelijk. Vierde onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 6 EVRM, alsook miskenning van het recht op tegenspraak: het arrest weigert de voeging te bevelen van bijkomende gegevens uit het moederdossier en de buitenlandse strafonderzoeken, die aan de eiser de gelegenheid zouden geven de regelmatigheid van de uitgevoerde onderzoekshandelingen te controleren; die controle vereist dat het ganse moederdossier wordt gevoegd; minstens dienen alle vorderingen overeenkomstig de artikelen 46bis en 88bis Wetboek van Strafvordering vanuit het moederdossier te worden gevoegd; uit het strafdossier blijkt immers dat niet alle vorderingen zijn gevoegd; dat geldt ook voor de stukken in verband met de aanvang van het Belgische opsporingsonderzoek en de toepasselijke buitenlandse wetgeving en de gegevens die toelaten het buitenlandse bewijs als betrouwbaar te beschouwen.
- Het arrest (p. 57) oordeelt: “Bij nazicht van het voorliggende strafdossier dient te worden vastgesteld dat in het kader van het gerechtelijk onderzoek (…) – (…) door onderzoeksrechter V. L. 36 vorderingen werden uitgevaardigd overeenkomstig artikel 88bis Sv., zowel retroactief als opvolging in reële tijd. Al deze vorderingen werden gevoegd aan huidig strafdossier en zijn relevant in de beoordeling van huidig strafdossier voor zover deze betrekking hebben op het IMEI- nummer gekoppeld aan de PINS waarvan sprake in dit dossier dewelke in gebruik werden genomen door [de beklaagden], en betrekking hebben op de feiten van tenlasteleggingen A en B”, alsook (p. 52): “Samen met de eerste rechter is het hof (van beroep) van oordeel dat de regelmatigheid van de vorderingen en de saisine van de onderzoeksrechter in voormeld 'moederdossier' afdoende kunnen worden nagegaan aan de hand van de hoger vermelde gevoegde stukken aan voorliggend strafdossier. Het hof (van beroep) stelt vast dat de samenlezing van alle tot op heden gevoegde stukken toelaat vast te stellen dat inmiddels volledige transparantie werd geboden waardoor het voor het hof (van beroep) duidelijk is dat onderzoek (…) zich toespitste op de vraag of SKY ECC zelf, een onderneming die via eigen Europese (en Belgische) 'resellers' (wederverkopers) telefoons verkocht die enkel geëncrypteerde communicatie toelaten, een criminele organisatie is”.
- Het arrest (p. 41) oordeelt eveneens: “De stelling van [de eiser] dat buitenlandse wetgeving betreffende de opstart van een onderzoek, EOB's, onderzoeksmaatregelen en het Frans staatsgeheim zou moeten worden gevoegd, kan evenmin worden bijgetreden. Deze regelgeving is immers publiek consulteerbaar op https://www.legifrance.gouv.fr/, de officiële overheidswebsite waarop Frankrijk haar regelgeving ter beschikking stelt. In strafzaken betreft het bewijs de feiten en niet het recht.”
- Verder preciseert het arrest met de in dit onderdeel vermelde redenen en met de redenen vermeld onder het eerste tot het derde onderdeel: - hoe het aanvankelijke strafonderzoek is opgebouwd; - waarom het bewijsmateriaal dat aan het strafdossier is toegevoegd vanuit het moederdossier en het Franse onderzoeksdossier regelmatig en betrouwbaar is; - dat die regelmatigheid en betrouwbaarheid afdoende blijken uit de bij het strafdossier gevoegde stukken; - waarom eisers recht op inzage van gegevens uit andere strafdossiers beperkt is; - waarom artikel 6 EVRM hier niet vereist dat nog bijkomende gegevens, laat staan alle gegevens uit het moederdossier of het Franse onderzoeksdossier, moeten worden bijgebracht. Aldus verantwoordt het arrest naar recht de beslissing dat ook de in dit onderdeel geviseerde gegevens niet moeten worden bijgebracht opdat de eiser zijn recht op tegenspraak in zijn zaak kan uitoefenen. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen.
- Voor het overige komt het onderdeel op tegen het onaantastbare oordeel van het arrest over de feiten of verplicht het tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft en is het bijgevolg niet ontvankelijk. Vijfde onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 6 EVRM en artikel 32 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering, alsook miskenning van het recht op een eerlijk proces: het arrest oordeelt ten onrechte dat op grond van de concrete gegevens van de zaak en in het licht van de gehele procedure, het gebruik van de telecommunicatiegegevens verkregen op grond van de artikelen 46bis en 88bis Wetboek van Strafvordering niet uit het bewijs moeten worden geweerd als zijnde strijdig met het recht op een eerlijk proces; de telecomoperatoren waren verplicht telecommunicatiegegevens te bewaren op grond van artikel 126 van de wet van 13 juni 2005 betreffende de elektronische communicatie (hierna Wet Elektronische Communicatie); die bepaling werd gewijzigd bij de wet van 29 mei 2016 betreffende het verzamelen en het bewaren van de gegevens in de sector van de elektronische communicatie omdat het Grondwettelijk Hof bij arrest nr. 84/2015 van 11 juni 2015 had beslist tot de vernietiging van de vorige wetswijziging van 30 juli 2013, die een omzetting vormde van de Dataretentierichtlijn 2006/24/EG van 15 maart 2006, die op zijn beurt was vernietigd bij het arrest C-293/12 en C-594/12 van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna Hof van Justitie) van 8 april 2014 wegens het feit dat de algemene en ongedifferentieerde bewaring van communicatiegegevens een miskenning inhoudt van de bescherming van het privéleven en van persoonsgegevens, zoals onder meer gewaarborgd door de artikelen 7 en 8 Handvest Grondrechten EU; het Hof van Justitie heeft artikel 126 Wet Elektronische Communicatie, in de versie na de wetswijziging van 29 mei 2016, eveneens in strijd bevonden met de voormelde bepalingen van het Unierecht, waarop het Grondwettelijk Hof bij arrest nr. 57/2021 van 22 april 2021 ook die versie heeft vernietigd; hieruit volgt dat de beschikkingen van de onderzoeksrechter die deze gegevens opvroegen onregelmatig zijn omdat die gegevens niet hadden mogen worden bewaard aangezien de wettelijke basis daarvoor manifest strijdig is met de Europese regelgeving; bovendien heeft artikel 126 Wet Elektronische Communicatie nooit de vereiste uitvoering gekend bij een koninklijk besluit dat de toepassingsvoorwaarden van dat artikel diende te bepalen, zodat het ook daarom geen rechtsgrond biedt voor de verplichte bewaring van communicatiegegevens door telecomoperatoren; door de begane onregelmatigheid wordt het recht op een eerlijk proces miskend, zodat het erdoor opgeleverde bewijsmateriaal moet worden uitgesloten op grond van artikel 32 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering; de overheid heeft de onrechtmatigheid immers opzettelijk of minstens ingevolge een niet te verontschuldigen onachtzaamheid begaan door artikel 126 Wet Elektronische Communicatie toe te passen; de ernst van de begane onrechtmatigheid overstijgt ook de ernst van het misdrijf, gelet op de onmiddellijke en onherstelbare impact ervan op onder meer het recht op privacy van alle burgers; de onrechtmatigheid betreft niet louter een formaliteit, maar raakt de kern van het onderzoek naar en de vervolging van de eiser; ten slotte heeft de onrechtmatigheid wel degelijk een impact op het rechtsgoed dat beschermd wordt door artikel 8 EVRM en de artikelen 7 en 8 Handvest Grondrechten EU; er kan onmogelijk worden aanvaard dat een overheidsinstantie de inbreuk op de door het Unierecht verleende waarborgen zomaar naast zich neer kan leggen en gebruik kan maken van de resultaten van een fundamentele inbreuk op de bescherming van het privéleven; bijgevolg moesten alle uit de begane inbreuk volgende onderzoeksdaden, minstens alle processen-verbaal, die de eiser betroffen uit het bewijs worden geweerd; met de toepassing van de Antigoonleer verleent het arrest geen enkel gevolg aan het onrechtmatig verkrijgen van het bewijsmateriaal; zonder de begane onregelmatigheid zou de eiser niet zijn vervolgd; bijgevolg heeft de onregelmatigheid een doorslaggevende impact gehad op eisers schuldigverklaring; verder volstaat het enkele feit dat de onregelmatigheid een beklaagde niet belet tegenspraak te voeren over het bewijs of de verkrijging ervan, volgens de Belgische rechtspraak waarop de eiser zich ingevolge het gelijkwaardigheidsbeginsel mag beroepen, niet om te oordelen dat het gebruik van het onrechtmatig verkregen bewijs niet in strijd is met het recht op een eerlijk proces.
- Uit de rechtspraak van het Hof van Justitie inzake dataretentie blijkt dat: - het uitsluitend een zaak van het nationale recht is om de regels vast te stellen met betrekking tot de aanvaarding en de beoordeling van informatie en bewijzen die door middel van een met het Unierecht strijdige gegevensbewaring zijn verkregen in het kader van een strafrechtelijke procedure tegen personen die worden verdacht van ernstige strafbare feiten; - het een aangelegenheid van de interne rechtsorde van elke lidstaat is om de procedureregels vast te stellen voor rechtsvorderingen die ertoe strekken de rechten die de justitiabelen aan het Unierecht ontlenen, te beschermen, op voorwaarde evenwel dat die regels niet ongunstiger zijn dan deze die voor soortgelijke situaties naar nationaal recht gelden (gelijkwaardigheidsbeginsel) en zij de uitoefening van de door het Unierecht verleende rechten in de praktijk niet onmogelijk of uiterst moeilijk maken (doeltreffendheidsbeginsel); - met betrekking tot het doeltreffendheidsbeginsel moet worden opgemerkt dat nationale regels inzake de aanvaarding en het gebruik van informatie en bewijzen tot doel hebben om in overeenstemming met de in het nationale recht gemaakte keuzen te voorkomen dat onrechtmatig verkregen informatie en bewijzen ongerechtvaardigd nadeel toebrengen aan een persoon die ervan wordt verdacht strafbare feiten te hebben gepleegd, wat niet alleen kan worden bereikt door een verbod op het gebruik van dergelijke informatie en bewijzen, maar ook door nationale regels en praktijken met betrekking tot de beoordeling en de weging van de informatie en de bewijzen of door het in aanmerking nemen van het onrechtmatige karakter ervan bij de straftoemeting; - het doeltreffendheidsbeginsel voor de nationale strafrechter de verplichting meebrengt om informatie en bewijzen die door middel van een met het Unierecht onverenigbare algemene en ongedifferentieerde bewaring van verkeers- en locatiegegevens zijn verkregen, in het kader van een strafrechtelijke procedure tegen personen die worden verdacht van strafbare handelingen, buiten beschouwing te laten indien die personen niet in de gelegenheid zijn om doeltreffend commentaar te leveren op die informatie en die bewijzen, die betrekking hebben op een gebied waarvan de rechter geen kennis heeft en een doorslaggevende invloed kunnen hebben op de beoordeling van de feiten.
- In het arrest nr. 57/2021 van 22 april 2021 (B.24.3) heeft het Grondwettelijk Hof geoordeeld dat het aan de bevoegde strafrechter staat om uitspraak te doen over de toelaatbaarheid van de bewijzen die werden verzameld bij de tenuitvoerlegging van de vernietigde bepalingen, overeenkomstig artikel 32 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering en in het licht van de preciseringen aangebracht door het Hof van Justitie.
- Op grond van artikel 32 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering is een onregelmatig verkregen bewijs slechts nietig en dient het bijgevolg te worden uitgesloten indien de naleving van de betrokken vormvoorwaarden wordt voorgeschreven op straffe van nietigheid, de begane onregelmatigheid de betrouwbaarheid van het bewijs heeft aangetast, of het gebruik van het bewijs in strijd is met het recht op een eerlijk proces.
- De rechter die wordt geconfronteerd met onregelmatig bewijsmateriaal dat niet nietig of onbetrouwbaar is, oordeelt, in zoverre hij dat bewijsmateriaal doorslaggevend acht voor de beslissing over de schuldigverklaring, op grond van de concrete gegevens van de zaak en in het licht van de gehele procedure onaantastbaar of het gebruik van dat bewijs in strijd is met het recht op een eerlijk proces. De rechter kan daarbij een afweging maken tussen een geheel van gegevens die eigen zijn aan de hem voorgelegde zaak, zoals de stand van de wetgeving op het moment van de onregelmatigheid, het feit dat de onregelmatigheid niet opzettelijk of ingevolge een niet te verontschuldigen nalatigheid is begaan en het feit dat de beklaagde voor de rechter tegenspraak heeft kunnen voeren over het bewijsmateriaal. De rechter moet zijn beslissing niet motiveren aan de hand van welbepaalde vaste criteria, maar uit zijn beslissing moet wel blijken dat hij, wanneer dat voor hem is aangevoerd, in het bijzonder rekening heeft gehouden met de door het Hof van Justitie bepaalde vereisten ter vrijwaring van de gelijkwaardigheid en de doeltreffendheid van de door het Unierecht geboden rechtsbescherming. Evenmin dient de beslissing over de bewijsuitsluiting enkel te worden gesteund op het al dan niet voldoen aan een welbepaald criterium, maar kan de rechter meerdere criteria in hun onderling verband beoordelen en kan de beoordeling van het ene criterium de beoordeling van het andere versterken, vervolledigen of verduidelijken. Het Hof gaat wel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die niet te verzoenen zijn met het recht op een eerlijk proces.
- Het enkele feit dat de algemene en ongedifferentieerde bewaarplicht van communicatiegegevens door telecomoperatoren in strijd is met het Unierecht zoals uitgelegd door het Hof van Justitie en een miskenning uitmaakt van het recht op de bescherming van het privéleven en van de persoonsgegevens van een algemeenheid van burgers, heeft niet tot gevolg dat die onregelmatigheid steeds de ernst van het door een beklaagde gepleegd misdrijf overstijgt.
- In zoverre het onderdeel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
- Op het moment waarop de onderzoeksrechter de bekritiseerde beschikkingen verleende, bestond er een ogenschijnlijke rechtsgrond voor de bewaarplicht en de opvraging van hier bedoelde communicatiegegevens, namelijk artikel 126 Wet Elektronische Communicatie. Daaraan wordt geen afbreuk gedaan door het gegeven dat het Hof van Justitie de in deze bepaling voorgeschreven bewaarplicht, ook na de wijziging ervan bij de wet van 29 mei 2016, in strijd heeft bevonden met het Unierecht, noch door het vermelde vernietigingsarrest nr. 57/2021 van het Grondwettelijk Hof. Uit die arresten volgt dan ook niet dat de loutere bewaarplicht of opvraging van hier bedoelde gegevens op grond van de op dat moment geldende wetgeving een opzettelijke of niet te verontschuldigen fout uitmaakt.
- Op grond van de redenen die het middel aanhaalt, onder meer dat de door de onderzoeksrechter opgevraagde communicatiegegevens niet doorslaggevend waren voor eisers schuldigverklaring en dat is voldaan aan de vereisten van artikel 32 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering, begrepen in het licht van het gelijkwaardigheidsbeginsel en het doeltreffendheidsbeginsel zoals vooropgesteld in de rechtspraak van het Hof van Justitie, kan het arrest (p. 60-63) wettig oordelen dat de vrijwaring van het recht op een eerlijk proces van de eiser niet vereist dat die communicatiegegevens uit het bewijs worden geweerd. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Zesde onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM, alsook miskenning van het recht op een eerlijk proces: het arrest weigert een technisch deskundige aan te stellen met het oog op een algemene analyse en uiteenzetting over de wijze waarop de bij het strafdossier gevoegde communicatiegegevens lastens de eiser zijn verkregen; het strafdossier bevat enkel resultaten die het gevolg zijn van een complex technisch proces, waarop de eiser geen zicht heeft; de eiser heeft het recht om de betrouwbaarheid van dat proces te controleren, temeer daar er bepaalde berichten ontbreken ingevolge technische problemen bij de onderschepping van gegevens; gelet het ontbreken van concrete informatie over de juistheid en de integriteit van deze gegevens, was de aanstelling van een deskundige zeker nodig ter eerbiediging van het recht op een eerlijk proces van de eiser, waarvan de wapengelijkheid en de betrouwbaarheid van het bewijs essentiële elementen zijn.
- De rechter in strafzaken dient geen deskundigenonderzoek te bevelen om de enkele reden dat een beklaagde zich vragen stelt over de betrouwbaarheid van tegen hem ingebracht elektronisch bewijs en daarom kennis wil krijgen van de achterliggende technische aspecten van dat bewijs. Die rechter oordeelt integendeel onaantastbaar over de noodzaak, de raadzaamheid en de gepastheid van een dergelijke onderzoekshandeling. Aldus belet niets die rechter om, mits naleving van zijn motiveringsverplichting, de aanstelling van een deskundige te weigeren wanneer een partij haar verzoek tot het deskundigenonderzoek niet grondt op een aannemelijk gegeven of wanneer er geen dienstige reden bestaat om die maatregel te bevelen. Ook andere omstandigheden, zoals de vertrouwelijkheid van de te onderzoeken gegevens in het licht van de afscherming van een nog lopend strafonderzoek of de privacy van derden, kunnen een rol spelen. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- Het arrest (p. 79-82) verwerpt eisers verzoek tot het aanstellen van een deskundige met de in het onderdeel vermelde opdracht op de volgende gronden: - de eiser maakt niet aannemelijk dat de technische bewijsgaring zou hebben geleid tot de onbetrouwbaarheid van het thans voorgebrachte bewijs noch dat twijfels rijzen over de onpartijdigheid van de verbalisanten of over de volledigheid van de aan het strafdossier toegevoegde gegevens; - het openbaar ministerie heeft in zijn beroepsbesluiten de redenen toegelicht waarom niet steeds de volledige elektronische communicatie kon worden onderschept. De Franse onderzoekers hebben tijdens het onderzoek in Frankrijk, waar de interceptie plaatsvond, zelf ook meermaals in verslaggeving aangegeven dat niet alle communicaties werden onderschept; - deze kennisgevingen wijzen op een onpartijdige en loyale houding van de onderzoekers en het openbaar ministerie. Alle relevante communicaties werden aan het strafdossier gevoegd. Er is geen sprake van het achterhouden van beschikbaar bewijs à décharge. De vermelde onvolledigheid maakt het wel bijgebrachte bewijs niet onbetrouwbaar; - de appelrechters houden bij de bewijswaardering rekening met het eventueel onvolledige karakter van de betreffende gevoerde communicatie ingevolge technische omstandigheden. Alle beklaagden hebben volledige tegenspraak kunnen voeren over de inhoud van deze bijgebrachte communicaties; - de eiser maakt niet concreet aannemelijk dat er zich bij de verwerking en de analyse van de gegevens problemen zouden hebben voorgedaan die van invloed zouden kunnen zijn op de regelmatigheid van de bewijsgaring of op de bewijswaardering; - de bewijsgaring in België en Frankrijk is gebeurd onder de leiding van een onpartijdige en onafhankelijke onderzoeksrechter en een deloyaal optreden van de politieambtenaren of bevoegde magistraat wordt niet aannemelijk gemaakt. Aldus verantwoordt het arrest de beslissing naar recht. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Tweede middel Eerste onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 10, 3, 1°, van de wet van 9 december 2004 betreffende de internationale politiële verstrekking van gegevens van persoonlijke aard en informatie met gerechtelijke finaliteit, de wederzijdse internationale rechtshulp in strafzaken en tot wijziging van artikel 90ter van het Wetboek van Strafvordering (hierna Wet Internationale Rechtshulp) en de artikelen 2 en 9.1 van de overeenkomst tot oprichting van een gemeenschappelijk onderzoeksteam: het arrest oordeelt ten onrechte dat er geen uitdrukkelijke toestemming was vereist van alle partners van het gemeenschappelijk onderzoeksteam om de door dat team verzamelde communicatiegegevens lastens de eiser te gebruiken, omdat het gegevens zijn die worden gebruikt voor het doel waarvoor het team werd opgericht; het doel voor de oprichting van het team en van de daarin bepaalde mogelijkheid tot identificatie van gebruikers was echter het ontmaskeren van Sky ECC als criminele organisatie, maar niet de vervolging van de vermeende gebruikers van de diensten van Sky ECC.
- Een overeenkomst tot oprichting van een gemeenschappelijk onderzoeksteam, zoals bedoeld in hoofdstuk III van de Wet Internationale Rechtshulp, is geen wet als bedoeld in artikel 608 Gerechtelijk Wetboek, waarvan de schending kan worden aangevoerd voor het Hof.
- Een grief die verplicht tot een kennisname van gegevens uit dossierstukken, die niet zijn opgenomen in het vonnis zelf of enig ander stuk waarop het Hof vermag acht te slaan, vereist een onderzoek van feiten waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft en is bijgevolg niet ontvankelijk.
- In zoverre het onderdeel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
- Artikel 10, § 3, Wet Internationale Rechtshulp bepaalt: “Gegevens die een Belgisch gedetacheerd lid, in het kader van zijn deelname aan het gemeenschappelijk onderzoeksteam, in het buitenland verkrijgt overeenkomstig het recht van de Staat waarin het team optreedt, kunnen voor de volgende doeleinden worden gebruikt : 1° het doel waarvoor het team is opgericht; 2° mits voorafgaande toestemming van de Staat waarvan de gegevens afkomstig zijn, voor de opsporing, het onderzoek en de vervolging van andere strafbare feiten; 3° ter voorkoming van een onmiddellijke en ernstige bedreiging voor de openbare veiligheid, zulks onverminderd het bepaalde onder 2°, indien vervolgens een strafrechtelijk onderzoek wordt ingesteld; 4° andere doeleinden, voorzover dat overeengekomen is tussen de Staten die het team hebben ingesteld.”
- Het arrest (p. 48) leidt de beslissing dat de vervolging van gebruikers van de Sky ECC-diensten wel degelijk een doel is waarvoor het gemeenschappelijk onderzoeksteam is opgericht af uit de uitdrukkelijke vermelding in de doelstelling van de oprichtingsovereenkomst dat tevens de gebruikers van de Sky ECC communicatiedienst zullen worden geïdentificeerd en criminele organisaties in kaart zullen worden gebracht. Aldus verantwoordt het arrest naar recht de beslissing dat België als lid van het gemeenschappelijk onderzoeksteam de door dat team verzamelde communicatiegegevens kon gebruiken in het kader van de strafvordering lastens de eiser, zonder dat daarvoor een specifieke toelating als bedoeld in artikel 10, § 3, Wet Internationale Rechtshulp was vereist. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen.
- Voor het overige komt het onderdeel op tegen het onaantastbare oordeel van het arrest over de feiten of verplicht het tot een onderzoek van feiten en is het bijgevolg niet ontvankelijk. Tweede onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 3 van de richtlijn 2002/58/EG van 12 juli 2002 betreffende de verwerking van persoonsgegevens en de bescherming van de persoonlijke levenssfeer in de sector elektronische communicatie (hierna e-privacy Richtlijn): het arrest oordeelt dat de e-privacy Richtlijn niet van toepassing is op de geïntercepteerde gegevens van Sky ECC aangezien Sky ECC niet als een publieke provider te beschouwen is; de criteria waarop het arrest steunt, namelijk dat Sky ECC private APN-instellingen en eigen servers gebruikt en private datasessies tot stand brengt die ontsnappen aan reguliere interceptiemogelijkheden, zijn echter irrelevant; het enige relevante element om te bepalen of er sprake is van een openbaar communicatienetwerk waarop de e-privacy-Richtlijn van toepassing kan zijn, is namelijk of er via het netwerk openbare-elektronische-communicatiediensten worden aangeboden; het arrest past dat criterium niet toe; er kan hier niet worden gesteld dat de Sky ECC-diensten niet werden geleverd aan het publiek; er kan geen duidelijke doelgroep voor de Sky ECC-diensten worden afgebakend, minstens ontbreekt hiervan het bewijs zolang het moederdossier nog niet definitief is beoordeeld door een vonnisrechter.
- Het arrest (p. 11, 52, 53, 56, 64, 66) oordeelt dat Sky ECC ervan verdacht wordt een criminele organisatie te zijn die het gebruik van de communicatie-applicatie Sky en de daarbij horende smartphones met eigen wederverkopers op de markt brengt, ten behoeve van andere criminele organisaties en personen die misdrijven willen plegen onder dekking van volledig geëncrypteerde communicatie. Daarbij verwijst het (p. 53) onder meer naar de schriftelijke vordering van de federale procureur van 18 februari 2022 tot BOM-controle overeenkomstig artikel 235quater Wetboek van Strafvordering: “SKY ECC biedt op het Belgisch grondgebied (en wereldwijd) diensten aan aan hoofdzakelijk criminele organisaties en criminelen, er uit bestaande om bescherming te bieden tegen interventie van politie en justitie middels geëncrypteerde communicatie die naar de bewering van SKY ECC onbreekbaar is. Tevens worden er diensten aangeboden van o.a. het op afstand wissen van in beslag genomen communicatie(middelen). Deze diensten worden in België verzekerd door resellers (doorverkopers) en de opbrengsten worden naar de top van de criminele organisatie SKY ECC gekanaliseerd via witwas(sers). Althans daar zijn zeer ernstige aanwijzingen toe. Er zijn tevens ernstige aanwijzingen dat SKY ECC zeer goed weet dat haar producten en diensten hoofdzakelijk/exclusief gebruikt worden ter ondersteuning van de beschermde communicatie van de georganiseerde misdaad. Onder meer de onderschepte serviceberichten en bepaalde verklaringen van gearresteerde en aangehouden resellers bevestigen dit”. Eveneens oordeelt het arrest (p. 66) dat de hier onderschepte gegevens enkel van een afgebakende groep waren, namelijk de gebruikers van Sky ECC.
- Uit die redenen blijkt het oordeel van de appelrechters dat de Sky ECC-app niet werd aangeboden aan het publiek, maar wel degelijk enkel aan een afgebakende doelgroep van gebruikers. Het onderdeel berust op een onvolledige lezing van het arrest en mist bijgevolg feitelijke grondslag.
- Voor het overige komt het onderdeel op tegen dat onaantastbare oordeel van de appelrechters en is het bijgevolg niet ontvankelijk. Derde onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 66 en 67 Strafwetboek: het arrest (p. 87-88) oordeelt: “Het misdrijf invoer van verdovende middelen zoals bedoeld in onder meer artikel 2bis, § 1, Drugswet vereist dat de verdovende middelen daadwerkelijk worden overgebracht naar het Belgische grondgebied. Bijgevolg is die invoer voltooid vanaf het moment dat de verdovende middelen de Belgische grens overschrijden. Dit belet niet dat het welslagen van de invoer ook na die overschrijding nog een geheel van materiële handelingen kan vereisen, waaronder het uithalen van de verdovende middelen uit de containers waarin zij het land zijn ingevoerd. Dergelijke handelingen kunnen zodanig cruciaal zijn voor het slagen van de invoer dat zij, mede gelet op de op het spel staande belangen en risico's, noodzakelijkerwijze vóór de invoer moeten zijn afgesproken. Bijgevolg kunnen de handelingen die met deze uithaling gepaard gaan, daden van deelneming aan de invoer uitmaken”; handelingen gesteld na de voltooiing van het misdrijf kunnen geen vorm van deelneming uitmaken; wel kan er nog sprake zijn van afspraken die voorafgaand aan de uitvoering of de voltooiing zijn gemaakt en die betrekking hebben op hulp of bijstand na de voltooiing van het misdrijf; die afspraken of beloftes maken echter enkel een vorm van deelneming uit indien ze het wilsbesluit om een misdrijf te plegen, opwekken of versterken of omdat ze de uitvoering van het misdrijf vergemakkelijken; het arrest stelt dat niet vast.
- Het arrest (p. 88) concretiseert het in het onderdeel vermelde oordeel als volgt: “Uit het geheel van de hierna vermelde conversaties blijkt duidelijk dat [de eiser]: (i) zich meermaals op voorhand had geëngageerd tegenover personen die, nadat een partij verdovende middelen zou zijn ingevoerd via een container vervoerd per zeeschip, de drugs uit deze container wilden halen, om samen met o.m. 'zijn' bewakingsagenten [de overige beklaagden] bijstand te verlenen bij de uithaling van de ingevoerde partij verdovende middelen of wanneer er zich met betrekking tot de container of de illegale inhoud ervan problemen zouden voordoen. Het à la minute beroep kunnen doen op deze geboden bijstand vereist enerzijds een zekere voorbereiding (shiftwissels, tijdig verstrekken van concrete informatie inzake aankomst van het schip, aanwezigheid van camera's,..) en is anderzijds zodanig cruciaal voor het slagen van de invoer dat zij, mede gelet op de op het spel staande belangen en risico's, noodzakelijkerwijze vóór de invoer moet zijn afgesproken. In die omstandigheden vormen de door [de eiser] gestelde handelingen daden van deelneming aan de invoer van onbepaalde hoeveelheden cocaïne.”
- Met die redenen, in het bijzonder dat de vooraf afgesproken handelingen van de eiser die het beschrijft, cruciaal waren voor het slagen van de invoer van de cocaïne, geeft het arrest te kennen dat de daders zonder die afspraken niet tot die invoer zouden zijn overgegaan. Aldus verantwoordt het de beslissing naar recht. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Derde middel
- Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en de artikelen 195 en 211 Wetboek van Strafvordering: het arrest oordeelt enerzijds: “Het wordt niet aannemelijk gemaakt laat staan aangetoond dat de Sky-communicatie die wel wordt voorgebracht, onvolledig of onbetrouwbaar zou zijn”, “er bestaat geen twijfel over de volledigheid van de aan het strafdossier toegevoegde bewijsgegevens” en “[de eiser] maakt op geen enkele wijze enigszins aannemelijk dat twijfels rijzen nopens de volledigheid van de aan het strafdossier toegevoegde gegevens” en anderzijds: “[De eiser] voert terecht aan dat binnen bepaalde conversaties niet steeds alle berichten geïntercepteerd werden”, “niet van alle conversaties de totaliteit van berichten werd onderschept” en “niettegenstaande de onvolledigheid van sommige communicaties”; aldus is het arrest tegenstrijdig gemotiveerd.
- Met de in het middel vermelde redenen oordeelt het arrest dat weliswaar niet de totaliteit van de via de Sky ECC-app uitgewisselde berichten die op de eiser betrekking hebben, konden worden onderschept en derhalve bij het bewijsmateriaal gevoegd, maar dat het bewijsmateriaal met de wel onderschepte berichten volledig en betrouwbaar is, zodat de eiser zijn recht van verdediging aan de hand ervan kan uitoefenen en de zaak in staat is. Die redenen zijn niet tegenstrijdig. Het middel mist feitelijke grondslag. Vierde middel
- Het middel verzoekt het Hof acht prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie. Het legt evenwel niet ondubbelzinnig het verband tussen de door de eiser aangevoerde middelen en deze prejudiciële vragen. Een dergelijk verband blijkt evenmin uit de door eisers raadsman neergelegde noot.
- De prejudiciële vragen waarvan niet blijkt dat ze zijn gestoeld op een grief die een middel tegen het arrest aanvoert, moeten niet worden gesteld. Onmiddellijke aanhouding
- Gelet op de verwerping van het cassatieberoep van de eiser I, verkrijgt het arrest kracht van gewijsde. Hieruit volgt dat in zoverre ingesteld tegen de beslissing over de onmiddellijke aanhouding van de eiser I, zijn cassatieberoep geen bestaansreden meer heeft. Dictum Het Hof, Verwerpt de cassatieberoepen. Veroordeelt de eisers tot de kosten van hun cassatieberoep. Bepaalt de kosten in het geheel op 531,91 euro, waarvan de eiser I 265,95 euro is verschuldigd en de eiser II 265,96 euro is verschuldigd. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, de raadsheren Erwin Francis, Eric Van Dooren, Steven Van Overbeke en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 18 juni 2024 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240618.2N.25 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140401.4 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150915.5 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201229.2N.11 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220111.2N.1 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220125.2N.3 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230124.2N.10 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div