id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 18 juni 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2024:
Art. 206, zesde en zevende lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: GRIFFIE.
GRIFFIER Wettelijke bepalingen: Wetboek
Art. 206
, zesde en zevende lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: AFSTAND (RECHTSPLEGING) - AFSTAND VAN PROCESHANDELING Wettelijke bepalingen: Wetboek
Art. 206
, zesde en zevende lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiches 4 - 6 Wanneer het appelgerecht op een rechtszitting akte verleent van de door een raadsman van een beklaagde en door het openbaar ministerie gedane verklaringen van afstand van de door hen ingestelde hogere beroepen en de zaak in voortzetting stelt op een latere rechtszitting om de beklaagde in persoon te horen, kunnen de voormelde afstanden op die laatste rechtszitting nog worden ingetrokken, ook al werd de beklaagde op die rechtszitting niet bijgestaan door een raadsman; noch een door het openbaar ministerie gedane afstand van hoger beroep, noch een intrekking van die afstand is afhankelijk van een voorafgaande afstand, respectievelijk intrekking van de afstand van hoger beroep door de beklaagde; de omstandigheid dat een beklaagde een eerder door hem gedane afstand van zijn hoger beroep intrekt, leidt dan ook niet noodzakelijk ertoe dat ook het openbaar ministerie op zijn beurt een eerder gedane afstand van het tegen die beklaagde ingestelde hoger beroep moet of zal intrekken; uit geen enkele wets- of verdragsbepaling noch uit enig algemeen rechtsbeginsel, met inbegrip van het recht op een eerlijk proces, kan worden afgeleid dat, wanneer een beklaagde afstand doet van zijn hoger beroep, het openbaar ministerie ertoe verplicht is om eveneens afstand te doen van het tegen die beklaagde ingestelde hoger beroep
(1).
(1)M.-A. BEERNAERT, H.D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale, die Keure, 2021,
- Over het zelfstandig hoger beroep van het OM zie S. VAN OVERBEKE, Grievenstelsel en hoger beroep in strafzaken, Kluwer, 2022, 228-
- Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - STRAFZAKEN (DOUANE EN ACCIJNZEN INBEGREPEN) - Rechtspleging in hoger beroep Wettelijke bepalingen: Wetboek
Art. 206
, zesde en zevende lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Wettelijke bepalingen: Wetboek
Art. 206
, zesde en zevende lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: AFSTAND (RECHTSPLEGING) - AFSTAND VAN PROCESHANDELING Wettelijke bepalingen: Wetboek
Art. 206
, zesde en zevende lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Tekst van de beslissing Nr. P.24.0537.N M. R., alias M. N., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Thibaud Delva, advocaat bij de balie Antwerpen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 14 maart
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Steven Van Overbeke heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel
- Het middel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM en artikel 14.1 IVBPR: door eisers recht op een eerlijk proces tijdens de rechtszitting van 15 februari 2024 in de namiddag te miskennen en het hoger beroep van het openbaar ministerie ontvankelijk te verklaren, verantwoorden de appelrechters niet naar recht de veroordeling van de eiser tot een gevangenisstraf van veertig maanden, dit is een zwaardere straf dan de gevangenisstraf van twee jaar en de geldboete die het beroepen vonnis had opgelegd; op de rechtszitting van 15 februari 2024 in de voormiddag, waarop de eiser was vertegenwoordigd door zijn raadsman, heeft die laatste verklaard afstand te doen van het door de eiser ingestelde hoger beroep, waarop het openbaar ministerie eveneens afstand heeft gedaan van het tegen de eiser ingestelde hoger beroep; op de rechtszitting van 15 februari 2024 in de namiddag, waarop de eiser in persoon aanwezig was maar niet werd bijgestaan door een raadsman, heeft de eiser zijn afstand van hoger beroep ingetrokken, waarna ook het openbaar ministerie de afstand van het tegen de eiser ingestelde hoger beroep heeft ingetrokken en heeft gevorderd met betrekking tot de strafmaat; hierop heeft de eiser op de rechtszitting van 15 februari 2024 in de namiddag andermaal verklaard afstand te doen van zijn hoger beroep, waarbij het openbaar ministerie zijn vordering evenwel heeft gehandhaafd; zonder de intrekking van de afstand van het hoger beroep door de eiser op de rechtszitting van 15 februari 2024 in de namiddag zou ook het openbaar ministerie de afstand van het hoger beroep tegen de eiser niet hebben ingetrokken en zouden de appelrechters akte hebben verleend van die afstanden, waardoor er in hoger beroep geen zwaardere straf zou zijn opgelegd; de appelrechters miskennen dan ook eisers recht op een eerlijk proces door eisers raadsman niet te verwittigen van de intrekkingen van de voormelde afstanden op de rechtszitting van 15 februari 2024 in de namiddag, zodat die raadsman zich nog naar de rechtszitting kon begeven, of minstens door de eiser niet duidelijk uit te leggen wat de gevolgen zijn van de intrekking van de afstand van hoger beroep, wat blijkt uit de omstandigheid dat de eiser pas na het debat heeft verklaard dat de situatie hem nu duidelijk is.
- Bij toepassing van artikel 206, zesde lid, Wetboek van Strafvordering kunnen de partijen in het geding op de rechtszitting afstand doen van het ingesteld hoger beroep of het ingesteld hoger beroep beperken. Volgens het zevende lid van datzelfde artikel kan de afstand of beperking van het ingesteld hoger beroep worden ingetrokken totdat er akte van is verleend door het hof of de rechtbank die van het hoger beroep kennis moet nemen.
- Uit de voormelde bepalingen volgt dat de omstandigheid dat het appelgerecht op het proces-verbaal van de rechtszitting akte verleent van de verklaring van een appellant of zijn raadsman dat hij afstand doet van het door hem ingestelde hoger beroep, als zodanig niet tot gevolg heeft dat die afstand hierdoor definitief is. Een door een appellant gedane afstand van het door hem ingestelde hoger beroep is immers pas definitief en heeft maar uitwerking wanneer het appelgerecht, na beoordeling van de regelmatigheid van die afstand, er akte van verleent.
- Wanneer het appelgerecht op een rechtszitting akte verleent van de door een raadsman van een beklaagde en door het openbaar ministerie gedane verklaringen van afstand van de door hen ingestelde hogere beroepen en de zaak in voortzetting stelt op een latere rechtszitting om de beklaagde in persoon te horen, kunnen de voormelde afstanden op die laatste rechtszitting nog worden ingetrokken, ook al werd de beklaagde op die rechtszitting niet bijgestaan door een raadsman.
- Noch een door het openbaar ministerie gedane afstand van hoger beroep, noch een intrekking van die afstand is afhankelijk van een voorafgaande afstand, respectievelijk intrekking van de afstand van hoger beroep door de beklaagde. De omstandigheid dat een beklaagde een eerder door hem gedane afstand van zijn hoger beroep intrekt, leidt dan ook niet noodzakelijk ertoe dat ook het openbaar ministerie op zijn beurt een eerder gedane afstand van het tegen die beklaagde ingestelde hoger beroep moet of zal intrekken.
- Uit geen enkele wets- of verdragsbepaling noch uit enig algemeen rechtsbeginsel, met inbegrip van het recht op een eerlijk proces, kan worden afgeleid dat, wanneer een beklaagde afstand doet van zijn hoger beroep, het openbaar ministerie ertoe verplicht is om eveneens afstand te doen van het tegen die beklaagde ingestelde hoger beroep.
- In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
- Het arrest verleent akte van de afstand van het hoger beroep van de eiser en verklaart het hoger beroep van het openbaar ministerie tegen de eiser ontvankelijk, waarbij het oordeelt dat die laatste een grief heeft geformuleerd met betrekking tot de straftoemeting. De devolutieve werking van het hoger beroep van het openbaar ministerie liet de appelrechters aldus toe om met eenparigheid van stemmen de eiser te veroordelen tot een zwaardere straf dan de eerste rechter. Bijgevolg kan het middel, in de mate het de beslissing over de straftoemeting bekritiseert en de eiser daarbij aanvoert dat hem op de rechtszitting van 15 februari 2024 in de namiddag niet duidelijk werd uitgelegd wat de gevolgen zijn van zijn intrekking van de afstand van zijn hoger beroep, niet leiden tot de vernietiging van die beslissing en is het in zoverre niet ontvankelijk.
- Uit het proces-verbaal van de rechtszitting van 15 februari 2024 in de namiddag blijkt dat de waarnemend kamervoorzitter de eiser ervan heeft ingelicht dat zijn raadsman op de rechtszitting van 15 februari 2024 in de voormiddag afstand van zijn hoger beroep heeft gedaan, waarna de eiser verklaarde dat hij zijn hoger beroep nu wel wenst te behandelen en hij zijn afstand van hoger beroep derhalve intrekt, waarbij hij tevens uitdrukkelijk verklaarde dat hij zichzelf wil verdedigen zonder bijstand van zijn raadsman en hij ook geen nieuwe raadsman wenst. Verder blijkt uit datzelfde proces-verbaal dat: - het openbaar ministerie navolgend ook de afstand van het tegen de eiser ingestelde hoger beroep heeft ingetrokken; - het openbaar ministerie vervolgens heeft gevorderd met betrekking tot de strafmaat, waarna de eiser werd gehoord in zijn middelen van verdediging; - de eiser na dit debat heeft verklaard “dat de situatie hem nu duidelijk is, [hij] tevreden [is] met de straf en [hij] andermaal afstand [doet] van zijn hoger beroep”; - het openbaar ministerie zijn vordering handhaaft.
- Gelet op de voormelde gegevens verantwoorden de appelrechters, zonder miskenning van eisers recht op een eerlijk proces, hun beslissing naar recht. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Onmiddellijke aanhouding
- Ingevolge de verwerping van zijn cassatieberoep verkrijgt de beslissing op de strafvordering voor wat betreft de eiser kracht van gewijsde. In zoverre zijn cassatieberoep ook gericht is tegen de beslissing over zijn onmiddellijke aanhouding, heeft het geen bestaansreden meer. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 113,91 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, de raadsheren Erwin Francis, Eric Van Dooren, Steven Van Overbeke en Bruno Lietaert, en in openbare rechtszitting van 18 juni 2024 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240618.2N.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div