id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 18 juni 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240618.2N.7 Rolnummer: P.24.0817.N Zaak: E. contra Belgische Staat Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Bestuursrecht - Internationaal publiekrecht - Constitutioneel recht - Overige Invoerdatum: 2024-06-24 Raadplegingen: 666 - laatst gezien 2026-06-18 22:03 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiches 1 - 4 Artikel 8 EVRM en de artikelen 15 en 22, eerste lid, Grondwet verbieden niet dat hij die geniet van het recht op bescherming van de woning daarvan afstand doet, onder meer door een overheid toe te staan om de woning te betreden; een afstand van een grondrecht is evenwel slechts geldig indien die afstand ondubbelzinnig gebeurt, met kennis van zaken, wat wil zeggen op basis van een geïnformeerde toestemming, alsook zonder dwang
(1)Cass. 10 oktober 2023, AR P.23.1327.N ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231010.2N.13, AC 2023, nr. 642; Cass. 5 oktober 2022, AR P.22.1200.F ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221005.2F.11, AC 2022, nr. 609, met concl. van advocaat-generaal D. VANDERMEERSCH, op datum in Pas., JLMB 2023, 208 noot S. VAN DROOGHENBROECK; Cass. 20 december 2017, AR P.17.1234.F ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20171220.3, AC 2017, nr.
- Zie eveneens EHRM 8 maart 2021, Sabani t/België, JLMB 2022, 748 en A. HENKES, “De vrijheidsberoving van een vreemdeling en het beroep bij de rechterlijke macht”, Mercuriale 2019, RW 2019-20,
- Thesaurus CAS: VREEMDELINGEN Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 8 - 30 Link Justel databank 19501104-30 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 15 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 22 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 8 Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 8 - 30 Link Justel databank 19501104-30 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 15 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 22 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Thesaurus CAS: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART. 1 TOT 99) - Artikel 15 Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 8 - 30 Link Justel databank 19501104-30 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 15 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 22 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Thesaurus CAS: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART. 1 TOT 99) - Artikel 22 Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 8 - 30 Link Justel databank 19501104-30 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 15 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 22 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Fiches 5 - 9 De door artikel 8 EVRM vereiste wettelijke basis om de inmenging van het openbaar gezag in de uitoefening van het recht op eerbiediging van de woonst te rechtvaardigen, is de Huiszoekingswet; uit de artikelen 2, eerste lid, 2, tweede lid, 3°, en 3 Huiszoekingswet volgt dat het verzoek of de toestemming als bedoeld door artikel 2, tweede lid, 3°, Huiszoekingswet aan politieambtenaren om een niet voor het publiek toegankelijke plaats zoals een woning te betreden om in het kader van de Vreemdelingenwet over te gaan tot de bestuurlijke vrijheidsberoving van een vreemdeling die onwettig in het Rijk verblijft, voorafgaand en schriftelijk moet worden gegeven; een mondelinge toestemming volstaat niet
(1)Cass. 10 oktober 2023, AR P.23.1327.N ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231010.2N.13, AC 2023, nr. 642; Cass. 5 oktober 2022, AR P.22.1200.F ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221005.2F.11, AC 2022, nr. 610, met concl. van advocaat-generaal D. VANDERMEERSCH, op datum in Pas., JLMB 2023, 208 noot S. VAN DROOGHENBROECK. Thesaurus CAS: VREEMDELINGEN Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 8 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet 7 juni 1969 tot vaststelling van de tijd gedurende welke geen opsporing ten huize, huiszoeking of vrijdheidsbeneming mag worden verricht - 07-06-1969 - Art. 2, eerste en tweede lid, 3° - 30 ELI link Pub nr 1969060701 Wet 7 juni 1969 tot vaststelling van de tijd gedurende welke geen opsporing ten huize, huiszoeking of vrijdheidsbeneming mag worden verricht - 07-06-1969 - Art. 3 - 30 ELI link Pub nr 1969060701 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 8 Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 8 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet 7 juni 1969 tot vaststelling van de tijd gedurende welke geen opsporing ten huize, huiszoeking of vrijdheidsbeneming mag worden verricht - 07-06-1969 - Art. 2, eerste en tweede lid, 3° - 30 ELI link Pub nr 1969060701 Wet 7 juni 1969 tot vaststelling van de tijd gedurende welke geen opsporing ten huize, huiszoeking of vrijdheidsbeneming mag worden verricht - 07-06-1969 - Art. 3 - 30 ELI link Pub nr 1969060701 Thesaurus CAS: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART. 1 TOT 99) - Artikel 15 Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 8 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet 7 juni 1969 tot vaststelling van de tijd gedurende welke geen opsporing ten huize, huiszoeking of vrijdheidsbeneming mag worden verricht - 07-06-1969 - Art. 2, eerste en tweede lid, 3° - 30 ELI link Pub nr 1969060701 Wet 7 juni 1969 tot vaststelling van de tijd gedurende welke geen opsporing ten huize, huiszoeking of vrijdheidsbeneming mag worden verricht - 07-06-1969 - Art. 3 - 30 ELI link Pub nr 1969060701 Thesaurus CAS: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART. 1 TOT 99) - Artikel 22 Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 8 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet 7 juni 1969 tot vaststelling van de tijd gedurende welke geen opsporing ten huize, huiszoeking of vrijdheidsbeneming mag worden verricht - 07-06-1969 - Art. 2, eerste en tweede lid, 3° - 30 ELI link Pub nr 1969060701 Wet 7 juni 1969 tot vaststelling van de tijd gedurende welke geen opsporing ten huize, huiszoeking of vrijdheidsbeneming mag worden verricht - 07-06-1969 - Art. 3 - 30 ELI link Pub nr 1969060701 Thesaurus CAS: TAALGEBRUIK - GERECHTSZAKEN (BUITEN WET 15 JUNI 1935) Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 8 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet 7 juni 1969 tot vaststelling van de tijd gedurende welke geen opsporing ten huize, huiszoeking of vrijdheidsbeneming mag worden verricht - 07-06-1969 - Art. 2, eerste en tweede lid, 3° - 30 ELI link Pub nr 1969060701 Wet 7 juni 1969 tot vaststelling van de tijd gedurende welke geen opsporing ten huize, huiszoeking of vrijdheidsbeneming mag worden verricht - 07-06-1969 - Art. 3 - 30 ELI link Pub nr 1969060701 Tekst van de beslissing Nr. P.24.0817.N H. E. J., vreemdelinge, vastgehouden, eiseres, met als raadsman mr. Ali Fadili, advocaat bij de balie Antwerpen, tegen BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de staatssecretaris bevoegd voor Asiel en Migratie, met kantoor te 1000 Brussel, Pachecolaan 44, vrijwillig tussenkomende partij, verweerder. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, kamer van inbeschuldigingstelling, van 21 mei
- De eiseres voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Jos Decoker heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel
- Het middel voert schending aan van artikel 8 EVRM, de artikelen 15, 22 en 149 Grondwet en artikel 3 van de wet van 7 juni 1969 tot vaststelling van de tijd gedurende welke geen opsporing ten huize, huiszoeking of vrijheidsbeneming mag worden verricht (hierna Huiszoekingswet), alsmede miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van de motiveringsplicht: de appelrechters stellen eensdeels dat er een tolk was opgeroepen op het commissariaat; zij verwijzen anderdeels naar het advies van de advocaat-generaal en naar een schrijven van de verweerder, waarbij niet betwist werd dat er voorafgaandelijk en op het moment van de woonstbetreding geen tolk aanwezig was om de eiseres in te lichten over de reden en het doel daarvan; de appelrechters antwoorden niet op het verweer van de eiseres dat het door haar ondertekende document niet kan worden gekwalificeerd als een voorafgaandelijke, geïnformeerde toestemming voor de woonstbetreding; teneinde te kunnen spreken van een geïnformeerde toestemming, dienden de appelrechters minstens te onderzoeken of de politie-inspecteur een tolk moest oproepen met het oog op het verkrijgen van een geïnformeerde toestemming, vooraleer men de woning mocht betreden.
- Artikel 8 EVRM bepaalt dat eenieder recht heeft op respect voor zijn woning en dat er slechts inmenging van enig openbaar gezag in de uitoefening van dit recht is toegestaan, voor zover deze inmenging bij wet is bepaald en een noodzakelijke maatregel vormt, onder meer vanuit het oogpunt van de nationale of de openbare veiligheid.
- Artikel 15 Grondwet bepaalt dat de woning onschendbaar is en dat huiszoekingen enkel kunnen plaatsvinden in de gevallen die de wet bepaalt en in de vorm die zij voorschrijft.
- Volgens artikel 22, eerste lid, Grondwet heeft eenieder recht op eerbiediging van zijn privé- en gezinsleven, behoudens in de gevallen en onder de voorwaarden door de wet bepaald.
- Deze bepalingen verbieden niet dat hij die geniet van het recht op bescherming van de woning daarvan afstand doet, onder meer door een overheid toe te staan om de woning te betreden.
- Een afstand van een grondrecht is evenwel slechts geldig indien die afstand ondubbelzinnig gebeurt, met kennis van zaken, wat wil zeggen op basis van een geïnformeerde toestemming, alsook zonder dwang.
- De door artikel 8 EVRM vereiste wettelijke basis om de inmenging van het openbaar gezag in de uitoefening van het recht op eerbiediging van de woonst te rechtvaardigen, is de Huiszoekingswet.
- Artikel 2, eerste lid, Huiszoekingswet bepaalt dat geen vrijheidsbeneming in een voor het publiek niet toegankelijke plaats mag worden verricht vóór vijf uur ’s morgens en na negen uur ’s avonds.
- Artikel 2, tweede lid, 3°, Huiszoekingswet bepaalt dat het in artikel 2, eerste lid, Huiszoekingswet vastgestelde verbod geen toepassing vindt ingeval van verzoek of toestemming van de persoon die het werkelijk genot heeft van de plaats of de persoon bedoeld in artikel 46, 2°, Wetboek van Strafvordering.
- Artikel 3 Huiszoekingswet bepaalt dat het verzoek of de toestemming waarvan sprake in artikel 2, tweede lid, 3°, Huiszoekingswet voorafgaand en schriftelijk aan de opsporing of huiszoeking wordt gegeven.
- Uit de voormelde bepalingen volgt dat het verzoek of de toestemming als bedoeld door artikel 2, tweede lid, 3°, Huiszoekingswet aan politieambtenaren om een niet voor het publiek toegankelijke plaats zoals een woning te betreden om in het kader van de Vreemdelingenwet over te gaan tot de bestuurlijke vrijheidsberoving van een vreemdeling die onwettig in het Rijk verblijft, voorafgaand en schriftelijk moet worden gegeven. Een mondelinge toestemming volstaat niet.
- Die regel geldt zowel voor woonstbetredingen verricht vóór vijf uur ’s morgens en na negen uur ’s avonds, als voor woonstbetredingen overdag.
- Uit het enkele feit dat de politieambtenaren die aan de vreemdeling een voorafgaande en schriftelijke toestemming tot woonstbetreding hebben gevraagd, daarbij geen beroep hebben gedaan op een tolk volgt niet dat de door de vreemdeling gegeven toestemming niet met kennis van zaken is gegeven en dus ongeldig is.
- Indien de vreemdeling voorhoudt dat de door hem gegeven toestemming niet met kennis van zaken is gegeven omdat hij de door de politieambtenaren gebruikte taal en de taal waarin de schriftelijke toestemming is opgesteld niet machtig is, dient de rechter dit verweer te beoordelen en te beantwoorden.
- Het Hof gaat enkel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die op grond daarvan onmogelijk kunnen worden verantwoord.
- In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
- Het arrest (p. 4, nr. 3.3) neemt de redenen van de nota van de fod Binnenlandse Zaken, Algemene Directie Vreemdelingenzaken van 2 mei 2024 over. Met die redenen en met eigen redenen oordeelt het arrest (p. 5) als volgt: - de bewering dat er geen communicatie mogelijk was tussen de eiseres en de politieambtenaren en dat er daardoor geen geïnformeerde toestemming zou zijn, is ongeloofwaardig; - uit de aanvraag tot machtiging van verblijf op grond van artikel 9bis Vreemdelingenwet blijkt een verregaande integratie en een voldoende kennis van het Nederlands bij de eiseres; - in die aanvraag van 4 februari 2022 gaf de eiseres onder meer aan dat zij goed is geïntegreerd in de Belgische samenleving, dat zij sinds 2018 in België verblijft, dat zij moeite deed om de Nederlandse taal te leren met verwijzing naar verschillende deelcertificaten Nederlands, dat zij geslaagd was voor een cursus maatschappelijke oriëntatie, dat zij jaren heeft gespendeerd om haar taal te verbeteren en haar inburgering te optimaliseren en dat zij duurzaam is verankerd in het Antwerpse; - de eiseres maakt niet aannemelijk dat de voorliggende schriftelijke toestemming tot woonstbetreding niet zou voldoen aan de wettelijke vereisten en dat in deze context de argumenten dat de schriftelijke toestemming en de arrestatie beiden worden gesitueerd om 9.35 u en dat er wel een tolk voor de eiseres was opgeroepen op het commissariaat niet van aard zijn om aan de overgenomen redenen afbreuk te doen.
- Daaruit blijkt dat de appelrechters het verweer van de eiseres over een gebrekkige toestemming wegens het niet kunnen beschikken over een tolk bij het verlenen van die toestemming beoordelen, beantwoorden en verwerpen. Op grond van die redenen kunnen de appelrechters wettig oordelen dat de door de eiseres gegeven toestemming tot woonstbetreding rechtsgeldig is. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiseres tot de kosten. Bepaalt de kosten op 94,11 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, de raadsheren Erwin Francis, Eric Van Dooren, Steven Van Overbeke en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 18 juni 2024 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240618.2N.7 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250506.2N.1 precedenten: ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20171220.3 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221005.2F.11 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231010.2N.13 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div