id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 18 juni 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240618.2N.8 Rolnummer: P.24.0808.N Zaak: F. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2024-06-24 Raadplegingen: 466 - laatst gezien 2026-06-15 07:13 Versie(s): Vertaling samenvatting(
- en)FR nog niet beschikbaar Fiche 1 Artikel 28 Wet Strafuitvoering voorziet niet in de verplichting voor de strafuitvoeringsrechter om een veroordeelde die om een strafuitvoeringsmodaliteit verzoekt te horen. Thesaurus CAS: STRAFUITVOERING Wettelijke bepalingen: Wet 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten - 17-05-2006 - Art. 28 - 35 ELI link Pub nr 2006009456 Fiche 2 Samenvatting(
- en)nog niet beschikbaar Thesaurus CAS: RECHT VAN VERDEDIGING - STRAFZAKEN Wettelijke bepalingen: Wet 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten - 17-05-2006 - Art. 28 - 35 ELI link Pub nr 2006009456 Tekst van de beslissing Nr. P.24.0808.N S. F., veroordeelde tot vrijheidsstraf, eiser, met als raadslieden mr. Jesse Van den Broeck en mr. Alexander Van Heeschvelde, beiden advocaat bij de balie Gent, met kantoor te 9000 Gent, Baudelostraat 36, waar de eiser woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis van de strafuitvoeringsrechter Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, van 17 mei 2024. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Voorzitter Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel 1. Het middel voert schending aan van de artikelen 28, § 1, en 35, § 1, Wet Strafuitvoering: het vonnis wijst het verzoek om de strafuitvoeringsmodaliteit van het elektronisch toezicht af op grond van de niet-verschijning van de eiser op de rechtszitting van 7 mei 2024 en het aldus nalaten om verdere toelichting te verstrekken en stavingsstukken te bezorgen; volgens het proces-verbaal van de rechtszitting van 21 maart 2024 werd de zaak in voortzetting geplaatst naar de rechtszitting van 30 mei 2024 en dus niet naar de rechtszitting van 7 mei 2024; de eiser werd daardoor ten onrechte niet gehoord. 2. Artikel 28 Wet Strafuitvoering voorziet niet in de verplichting voor de strafuitvoeringsrechter om een veroordeelde die om een strafuitvoeringsmodaliteit verzoekt te horen. Artikel 35 Wet Strafuitvoering is opgeheven. In zoverre het middel schending aanvoert van die bepalingen, faalt het naar recht. 3. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat: - eisers verzoek om de strafuitvoeringsmodaliteit van het elektronisch toezicht werd behandeld op de rechtszitting van 21 maart 2024 en de eiser daarbij werd gehoord; - de behandeling van de zaak volgens het proces-verbaal van die rechtszitting werd uitgesteld naar de rechtszitting van 30 mei 2024 om de eiser toe te laten verdere toelichting te verstrekken en stavingsstukken te bezorgen; - de eiser bij aangetekende brief van 30 april 2024 werd opgeroepen voor de rechtszitting van 7 mei 2024 betreffende zijn verzoek om de strafuitvoeringsmodaliteit van het elektronisch toezicht en dit met de mededeling dat zijn dossier ter inzage lag; - de eiser niet is verschenen op de rechtszitting van 7 mei 2024. Daaruit volgt dat de eiser in de mogelijkheid was om op de rechtszitting van 7 mei 2024 te worden gehoord door de strafuitvoeringsrechter, verdere toelichting had kunnen verstrekken en stavingssstukken had kunnen bezorgen, dat zijn niet-horen aan hemzelf te wijten is en dat dit dan ook niet aan de strafuitvoeringsrechter kan worden verweten. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek 4. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 6,11 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, de raadsheren Erwin Francis, Eric Van Dooren, Steven Van Overbeke en Bruno Lietaert, en in openbare rechtszitting van 18 juni 2024 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240618.2N.8 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.