id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 20 juni 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240620.1N.12 Rolnummer: F.19.0132.N Zaak: NV BECH contra BELGISCHE STAAT, MIN FINANCIEN Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Belastingrecht - Unierecht - Overige - Constitutioneel recht Invoerdatum: 2024-07-18 Raadplegingen: 866 - laatst gezien 2026-06-18 15:28 Versie(s): Vertaling samenvatting(
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: EUROPESE UNIE - VERDRAGSBEPALINGEN - Grondslagen Vrije woorden: Vrijheid van vestiging - Overbrenging maatschappelijke zetel naar België - Terugname van in het buitenland geboekte waardevermindering - Regeling artikel 184ter, § 2, tweede lid samen met artikel 190 WIB92 - Verenigbaarheid Wettelijke bepalingen: Verdrag van 25 maart 1957 betreffende de werking van de Europese Unie - 25-03-1957 - Art. 49 - 01 Link Justel databank 19570325-01 Wetboek Inkomstenbelastingen 1992 - 12-06-1992 - Art. 190 - 32 Link Justel databank 19920612-32 Thesaurus CAS: PREJUDICIEEL GESCHIL Vrije woorden: Hof van Justitie van de Europese Unie - Aanleiding tot het stellen van een prejudiciële vraag - Vrijheid van vestiging - Overbrenging maatschappelijke zetel naar België - Terugname van in het buitenland geboekte waardevermindering - Regeling artikel 184ter, § 2, tweede lid samen met artikel 190 WIB92 - Verenigbaarheid Wettelijke bepalingen: Verdrag van 25 maart 1957 betreffende de werking van de Europese Unie - 25-03-1957 - Art. 49 - 01 Link Justel databank 19570325-01 Wetboek Inkomstenbelastingen 1992 - 12-06-1992 - Art. 190 - 32 Link Justel databank 19920612-32 Fiches 4 - 6 Vennootschappen die waardeverminderingen in het buitenland boeken en die deze waardeverminderingen na zetelverplaatsing naar België in België terugnemen enerzijds en rechtspersonen die waardeverminderingen boeken op een moment dat zij aan de rechtspersonenbelasting onderworpen zijn en die waardeverminderingen vervolgens na overgang naar het stelsel van de vennootschapsbelasting terugnemen anderzijds, bevinden zich niet in een vergelijkbare situatie. Thesaurus CAS: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART. 1 TOT 99) - Artikel 10 Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 10 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 11 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 172 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Thesaurus CAS: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART. 1 TOT 99) - Artikel 11 Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 10 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 11 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 172 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Thesaurus CAS: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART. 100 TOT EINDE) - Artikel 172 Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 10 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 11 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 172 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Fiches 7 - 9 Een verschil in behandeling kan slechts een miskenning van het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel opleveren indien dit kan worden toegeschreven aan de betwiste norm en niet louter te wijten is aan specifieke feitelijke omstandigheden; het verschil in behandeling mag niet louter het gevolg zijn van de concrete toepassing van de abstracte norm op een specifieke situatie. Thesaurus CAS: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART. 1 TOT 99) - Artikel 10 Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 10 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 11 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 172 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Thesaurus CAS: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART. 1 TOT 99) - Artikel 11 Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 10 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 11 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 172 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Thesaurus CAS: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART. 100 TOT EINDE) - Artikel 172 Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 10 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 11 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 172 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Fiche 10 Artikel 49 VWEU verzet zich niet tegen een nationale fiscale regeling op grond waarvan waardestijgingen op aandelen in vennootschappen die door een vennootschap in een lidstaat na de verplaatsing van haar statutaire zetel naar die lidstaat zijn geboekt, worden behandeld als latente meerwaarden zonder dat in aanmerking wordt genomen of die aandelen ertoe hebben geleid dat die vennootschap waardeverminderingen heeft geboekt toen zij fiscaal ingezetene van een andere lidstaat was. Thesaurus CAS: EUROPESE UNIE - VERDRAGSBEPALINGEN - Grondslagen Wettelijke bepalingen: Verdrag van 25 maart 1957 betreffende de werking van de Europese Unie - 25-03-1957 - Art. 49 - 01 Link Justel databank 19570325-01 Wetboek Inkomstenbelastingen 1992 - 12-06-1992 - Art. 184ter - 32 Link Justel databank 19920612-32 Wetboek Inkomstenbelastingen 1992 - 12-06-1992 - Art. 190 - 32 Link Justel databank 19920612-32 Fiche 11 Vennootschappen die waardeverminderingen in het buitenland boeken en die deze waardeverminderingen na zetelverplaatsing naar België in België terugnemen enerzijds en rechtspersonen die waardeverminderingen boeken op een moment dat zij aan de rechtspersonenbelasting onderworpen zijn en die waardeverminderingen vervolgens na overgang naar het stelsel van de vennootschapsbelasting terugnemen anderzijds, bevinden zich niet in een objectief vergelijkbare situatie zodat kennelijk geen schending voorligt van artikel 49 VWEU. Thesaurus CAS: EUROPESE UNIE - VERDRAGSBEPALINGEN - Grondslagen Wettelijke bepalingen: Verdrag van 25 maart 1957 betreffende de werking van de Europese Unie - 25-03-1957 - Art. 49 - 01 Link Justel databank 19570325-01 Annotaties Publicaties: Fisc.Act.-Fiscale actualiteit: wekelijkse nieuwsbrief - 2024, nr. 32, p. 6-11. - WILLEMS, Ward; Noot'Buitenlandse waardeverminderingen en verliezen na inwaartse zetelverplaatsing: prematuur eindarrest van Hof van Cassatie in VP Capital?' Tekst van de beslissing Nr. F.19.0132.N VP CAPITAL nv, voorheen BECH nv, met zetel te 2300 Turnhout, Parklaan 46 bus 201, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0812.302.447, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Michèle Grégoire, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor 1000 Brussel, Regentschapsstraat 4, waar de eiseres woonplaats kiest, en mr. Svjatoslav Gnedasj, advocaat bij de balie Brussel, met kantoor te 1050 Elsene, Louizalaan 99, tegen BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kabinet te 1000 Brussel, Wetstraat 12, verweerder, vertegenwoordigd door mr. Willy van Eeckhoutte, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 9051 Gent, Drie Koningenstraat 3, waar de verweerder woonplaats kiest, in aanwezigheid van 1. PRICEWATERHOUSECOOPERS BELASTINGADVISEURS nv, vennootschap naar Nederlands recht, met zetel 3065 WB Rotterdam, Fascinatio Boulevard 350, met als raadsman mr. Philippe Hinnekens, advocaat bij de balie van Brussel, met kantoor te 1050 Brussel, Louizalaan 106, opgevolgd door mr. Nicolas Engelmann en mr. Sophie Germis, beiden advocaat bij de balie te Brussel, met kantoor te 1000 Brussel, Wolstraat 70, waar de tot bindendverklaring van het arrest opgeroepen partij woonplaats kiest, 2. ERNST & YOUNG TAKS CONSULTANTS bv, met zetel te 1831 Machelen, Kouterveldstraat 7B bus 1, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0437.476.235, 3. ERNST & YOUNG BEDRIJFSREVISOREN bv, met zetel te 1831 Machelen, Kouterveldstraat 7B bus 1, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0446.334.711, tot bindendverklaring van het arrest opgeroepen partijen. III. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 4 september 2018. Advocaat-generaal Johan Van der Fraenen heeft op 9 februari 2021 een schriftelijke conclusie neergelegd. Met een arrest van 25 juni 2021 heeft het Hof geantwoord op het eerste, derde en vijfde middel en heeft het in verband met het zesde middel aan het Hof van Justitie van de Europese Unie een prejudiciële vraag gesteld. Het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft geantwoord met het arrest nr. C-414/21 van 10 november 2022. Raadsheer Bart Wylleman heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Johan Van der Fraenen heeft geconcludeerd. IV. CASSATIEMIDDELEN De eiseres voert in haar verzoekschrift dat gehecht is aan het voormelde arrest van 25 juni 2021, zes middelen aan. V. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling (…) Vierde middel (…) Tweede onderdeel (…) 5. In zoverre het onderdeel aanvoert dat enerzijds een Belgische vennootschap die waardeverminderingen terugneemt die in België werden geboekt en anderzijds een Luxemburgse vennootschap die na zetelverplaatsing naar België waardeverminderingen terugneemt die in Luxemburg werden geboekt, zich gelet op de doelstelling van artikel 74, tweede lid, 1°, derde streepje, KB/WIB92 in een voldoende vergelijkbare situatie bevinden, komt het op tegen een overtollige reden en is het bijgevolg bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. 6. De appelrechters oordelen niet over de vraag of enerzijds vennootschappen die waardeverminderingen in het buitenland boeken en die waardeverminderingen na zetelverplaatsing naar België in België terugnemen en anderzijds rechtspersonen die waardeverminderingen boeken op een moment dat zij aan de rechtspersonenbelasting onderworpen zijn en die waardeverminderingen vervolgens na overgang naar het stelsel van de vennootschapsbelasting terugnemen, zich al dan niet in een vergelijkbare situatie bevinden. 7. In zoverre het onderdeel aanvoert dat de appelrechters het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel miskennen door te oordelen dat enerzijds vennootschappen die waardeverminderingen in het buitenland boeken en die waardeverminderingen na zetelverplaatsing naar België in België terugnemen en anderzijds rechtspersonen die waardeverminderingen boeken op een moment dat zij aan de rechtspersonenbelasting onderworpen zijn en die waardeverminderingen vervolgens na overgang naar het stelsel van de vennootschapsbelasting terugnemen, zich in een voldoende vergelijkbare situatie bevinden, berust het op een onjuiste lezing van het bestreden arrest en mist het bijgevolg feitelijke grondslag. 8. De grondwettelijke regels inzake de gelijkheid van de Belgen en de niet-discriminatie inzake belastingen staan niet eraan in de weg dat een verschillende fiscale behandeling wordt ingesteld ten aanzien van bepaalde categorieën van personen, voor zover daarvoor een objectieve en redelijke verantwoording bestaat. De al dan niet aanwezigheid van zodanige verantwoording moet aan het doel en de gevolgen van de ingestelde belasting en aan de redelijkheid van de verhouding tussen de aangewende middelen en het beoogde doel worden getoetst. Om de bestaanbaarheid van een norm met de artikelen 10 en 11 Grondwet te beoordelen, moet eerst worden onderzocht of de categorieën van personen ten aanzien van wie een ongelijkheid wordt aangevoerd, in voldoende mate vergelijkbaar zijn. De beoordeling van de vergelijkbaarheid tussen categorieën van personen veronderstelt de beoordeling van de wet of het reglement waarin de onderscheiden behandeling wordt geconcretiseerd en inzonderheid het door de wet- of regelgever nagestreefde doel aan de hand waarvan de rechter de pertinentie van het vergelijkingspunt moet nagaan. Indien de verschillende categorieën van personen niet voldoende vergelijkbaar zijn, kan het verschil in behandeling niet aan het gelijkheidsbeginsel worden getoetst. 9. Krachtens artikel 184ter, § 2, tweede lid, WIB92 worden, ingeval van de overbrenging naar België van haar maatschappelijke zetel, voornaamste inrichting of zetel van bestuur of beheer door een buitenlandse vennootschap voor wat betreft de bestanddelen verbonden aan de buitenlandse inrichtingen of de in het buitenland gelegen bestanddelen waarover deze vennootschap beschikt, de later gerealiseerde meerwaarden en minderwaarden wat deze activa betreft, vastgesteld uitgaande van de boekwaarde die zij op het ogenblik van de verrichting hebben. Uit de wetsgeschiedenis van deze bepaling blijkt dat zij erop gericht is een evenwichtige verdeling van de heffingsbevoegdheid tussen staten te garanderen en het gevaar van dubbele verliesverrekening te voorkomen. (…) Derde onderdeel (…) 16. Krachtens artikel 184ter, § 2, tweede lid, WIB92 worden, in geval van de overbrenging door een buitenlandse vennootschap naar België van haar maatschappelijke zetel, voornaamste inrichting of zetel van bestuur of beheer voor wat betreft de bestanddelen verbonden aan de buitenlandse inrichtingen of de in het buitenland gelegen bestanddelen waarover deze vennootschap beschikt, de later gerealiseerde meerwaarden en minderwaarden wat deze activa betreft, vastgesteld uitgaande van de boekwaarde die zij hebben op het ogenblik van de verrichting. 17. Krachtens artikel 44, § 1, 1°, WIB92 zijn in afwijking van de artikelen 24, eerste lid, 2°, 27, tweede lid, 3°, 28 eerste lid, 1° en laatste lid, en onverminderd het bepaalde in artikel 24, eerste lid, 3°, vrijgesteld: uitgedrukte maar niet verwezenlijkte meerwaarden met uitsluiting van meerwaarden en bestellingen in uitvoering. Krachtens artikel 190, tweede lid, WIB92 is met betrekking tot het vrijgestelde of voorlopig niet-belaste gedeelte van de meerwaarden vermeld in de artikelen 44, §§ 1 en 3, 44bis, 44ter en 47, dat meerwaardestelsel slechts van toepassing in zoverre dat gedeelte op één of meer afzonderlijke rekeningen van het passief geboekt is en blijft en niet tot grondslag dient voor de berekening van de jaarlijkse dotatie aan de wettelijke reserve of van enige beloning of toekenning. 18. Het onderdeel voert aan dat voormelde wetsbepalingen een ongeoorloofde discriminatie met zich meebrengen indien zij aldus worden geïnterpreteerd dat een vennootschap die in België waardeverminderingen terugneemt die voorheen in het buitenland werden geboekt, slechts van belastingvrijstelling op die terugnames kan genieten indien aan de onaantastbaarheidsvoorwaarde van artikel 190, tweede lid, WIB92 is voldaan, terwijl een Belgische vennootschap die de waardeverminderingen onder het stelsel van de Belgische vennootschapsbelasting boekte, deze vervolgens onder het stelsel van de Belgische vennootschapsbelasting belastingvrij mag terugnemen. 19. Een verschil in behandeling kan slechts een miskenning van het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel opleveren indien dit kan worden toegeschreven aan de betwiste norm en niet louter te wijten is aan specifieke feitelijke omstandigheden. Het verschil in behandeling mag niet louter het gevolg zijn van de concrete toepassing van de abstracte norm op een specifieke situatie. 20. Het onderdeel komt louter op tegen een onderscheid tussen personen of categorieën van personen in dezelfde hoedanigheid, zijnde vennootschappen die voorheen geboekte waardeverminderingen terugnemen op basis van verschillende feitelijke toestanden, met name enerzijds Belgische vennootschappen die de waardeverminderingen onder het stelsel van de Belgische vennootschapsbelasting boeken en vervolgens onder het stelsel van de Belgische vennootschapsbelasting terugnemen en anderzijds Belgische vennootschappen die de waardeverminderingen onder het stelsel van de Luxemburgse vennootschapsbelasting boekten maar deze niet in mindering kunnen brengen van hun fiscaal resultaat in Luxemburg wegens de fiscale verliespositie waarin zij verkeren en de waardevermindering vervolgens na zetelverplaatsing naar België onder het stelsel van de Belgische vennootschapsbelasting terugnemen. Dit onderscheid in behandeling kan niet worden toegeschreven aan de betwiste norm, maar is louter te wijten aan de specifieke feitelijke situatie waarin de eiseres verkeert. In zoverre dient de voorgestelde prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof niet te worden gesteld. (…) Zesde middel (…) Zevende onderdeel 29. De appelrechters stellen vast en oordelen dat: - opdat er van een belemmering van de vrijheid van vestiging sprake kan zijn, vereist is dat de beide situaties vergelijkbaar zijn, doch dat dit in het voorliggende geval niet zo is, aangezien, daar waar de Luxemburgse vennootschap, toen ze nog haar zetel in Luxemburg had, de waardeverminderingen in mindering van haar fiscaal resultaat kon brengen, dat voor de Belgische vennootschap niet mogelijk was, gelet op artikel 198, eerste lid, 7°, WIB92; - gelet op dit verschil aan de Belgische wetgever niet kan worden verweten dat de Belgische vennootschap bij een latere terugname van de waardevermindering wel van een vrijstelling overeenkomstig artikel 74, tweede lid, 1°, derde streepje, KB/WIB92 kan genieten en de Luxemburgse vennootschap na zetelverplaatsing niet; - het gegeven dat de waardevermindering niet effectief van het Luxemburgs fiscaal resultaat kon worden afgetrokken, enkel te wijten is aan het feit dat de eiseres destijds verlieslatend was en dat de vennootschap de geboekte verliezen naar aanleiding van de zetelverplaatsing niet naar België heeft overgebracht; - hoewel het voorliggend dossier niet de recuperatie van vorige verliezen betreft, deze problematiek hier wel zijn belang heeft, vermits een deel van die vorige verliezen het gevolg is van de geboekte waardeverminderingen op aandelen; - er inderdaad sprake is van een belemmering van de vrijheid van vestiging, aangezien het feit dat eerdere in de vertrekstaat geleden verliezen niet recupereerbaar zijn in de staat waarnaar de vennootschap haar zetel overbrengt, buitenlandse vennootschappen met overdraagbare verliezen ervan zouden kunnen worden weerhouden om hun maatschappelijke zetel naar België over te brengen; - deze belemmering overeenkomstig de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie kan worden gerechtvaardigd met het oog op het voorkomen van een verstoring van de evenwichtige verdeling van de heffingsbevoegdheid tussen de lidstaten, van het gevaar van dubbele verliesverrekening en van het gevaar van belastingontwijking; - een dergelijke belemmering overeenkomstig diezelfde rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie niettemin onverenigbaar is met het recht van de Unie wanneer een moedermaatschappij de mogelijkheid wordt ontzegd om aan te tonen dat haar niet-ingezeten dochteronderneming de mogelijkheden tot verrekening van dat verlies heeft uitgeput en dat zijzelf noch een derde dat verlies in haar lidstaat van vestiging in toekomstige belastingjaren kan verrekenen; - het feit dat aan deze uitputtingsvereiste is voldaan, door de vennootschap die het verlies met haar toekomstige winsten wenst te verrekenen, moet worden bewezen, maar de eiseres, die daartoe wel de mogelijkheid heeft gehad, niet aantoont dat ze al het mogelijke heeft gedaan om de verliezen, geleden toen de vennootschap nog in Luxemburg gevestigd was, te verrekenen; - bovendien de mogelijkheid bestond om de terugname van de waardevermindering naar een onbeschikbare rekening van het passief over te boeken en aldus van de belastingvrijstelling van artikel 44, § 1, WIB92 te genieten en op die manier een Luxemburgse vennootschap die haar zetel naar België overbrengt, niet minder gunstig behandeld wordt dan een Belgische vennootschap die haar hier eerder geboekte waardeverminderingen op aandelen slechts belastingvrij kan terugnemen op voorwaarde dat die waardevermindering eerder als verworpen uitgave in de belastbare grondslag werd opgenomen met toepassing van artikel 198, eerste lid, 7°, WIB92; - er bijgevolg geen schending is van artikel 49 VWEU. Aldus oordelen de appelrechters over de bestaanbaarheid met artikel 49 VWEU van (
- i)de uitsluiting van de eiseres van de belastingvrijstelling bedoeld in artikel 74, tweede lid, 1°, derde streepje, KB/WIB92 juncto artikel 198, eerste lid, 7°, WIB92 voor wat betreft de terugname door de eiseres in België van waardeverminderingen die zij eerder in Luxemburg heeft geboekt en van (
- ii)de regel van de niet-overdraagbaarheid van buitenlandse fiscale verliezen van artikel 206, § 3, WIB92. Met de overweging dat bovendien de mogelijkheid bestond om de terugname van de waardevermindering naar een onbeschikbare rekening van het passief over te boeken en aldus van de belastingvrijstelling van artikel 44, § 1, WIB92 te genieten en dat op die manier een Luxemburgse vennootschap die haar zetel overbrengt naar België niet minder gunstig behandeld wordt dan een Belgische vennootschap die haar in België eerder geboekte waardeverminderingen op aandelen slechts belastingvrij kan terugnemen op voorwaarde dat die waardevermindering eerder als verworpen uitgave in de belastbare grondslag werd opgenomen met toepassing van artikel 198, eerste lid, 7°, WIB92, oordelen zij niet over de bestaanbaarheid met artikel 49 VWEU van de toepassing op voormelde terugnames van de regeling voorzien in artikel 184ter, § 2, tweede lid, juncto artikel 44, § 1, 1°, en artikel 190 WIB92, waaromtrent de appelrechters door de eiseres niet werden bevraagd. Deze overweging kadert louter in de toetsing van artikel 74, tweede lid, 1°, derde streepje, KB/WIB92 juncto artikel 198, eerste lid, 7°, WIB92 en van artikel 206, § 3, WIB92 aan artikel 49 VWEU. 30. In zoverre het onderdeel is gebaseerd op de veronderstelling dat de appelrechters hebben geoordeeld over de bestaanbaarheid van artikel 184ter, § 2, tweede lid, juncto artikel 44, § 1, 1°, en artikel 190 WIB92 met artikel 49 VWEU, berust het op een onjuiste lezing van het bestreden arrest en mist het bijgevolg feitelijke grondslag. 31. Een Belgische vennootschap die waardeverminderingen op aandelen terugneemt, is onderworpen aan de regeling van de artikelen 198, 7°, WIB92 en 74, tweede lid, 1°, derde streepje, KB/WIB92. Op basis van artikel 198, 7°, WIB92, in de hier van toepassing zijnde versie, zijn waardeverminderingen en minderwaarden op aandelen in de vennootschapsbelasting in principe niet als beroepskosten aftrekbaar. Aldus worden waardeverminderingen en minderwaarden op aandelen op het ogenblik dat zij worden geboekt, aan belasting onderworpen. Daartegenover staat dat de latere terugname van die waardeverminderingen van belasting is vrijgesteld. Immers, op basis van artikel 74, eerste lid, KB/WIB92 wordt, om het aan de vennootschapsbelasting te onderwerpen resultaat vast te stellen, het resultaat van het belastbare tijdperk volgens bestemming onderverdeeld in drie categorieën: 1° reserves; 2° verworpen uitgaven; 3° dividenden. Krachtens artikel 74, tweede lid, 1°, KB/WIB92 moet voor de toepassing van het eerste lid onder ‘reserves’ het gereserveerde resultaat worden verstaan, verminderd met de krachtens de artikelen 182 en 251 WIB92 vrijgestelde meerwaarden op aandelen “en de tijdens het belastbare tijdperk teruggenomen waardeverminderingen op aandelen die voorheen krachtens artikel 198, 7°, WIB92 als verworpen uitgaven zijn belast, in zover die waardeverminderingen op het einde van het belastbaar tijdperk niet meer zijn verantwoord.” 32. Een vennootschap die in het buitenland waardeverminderingen op aandelen boekt en die deze waardeverminderingen na zetelverplaatsing naar België terugneemt, is, wat de terugname van die waardeverminderingen in België betreft, niet aan artikel 74, tweede lid, 1°, derde streepje, KB/WIB92, maar wel aan artikel 184ter, § 2, tweede lid, WIB92 onderworpen. Krachtens artikel 184ter, § 2, tweede lid, WIB92, in de hier van toepassing zijnde versie, worden, ingeval van overbrenging naar België van haar maatschappelijke zetel, voornaamste inrichting of zetel van bestuur of beheer door een buitenlandse vennootschap voor wat betreft de bestanddelen verbonden aan de buitenlandse inrichtingen of de in het buitenland gelegen bestanddelen waarover deze vennootschap beschikt, de later gerealiseerde meerwaarden en minderwaarden wat deze activa betreft, vastgesteld uitgaande van de boekwaarde die zij hebben op het ogenblik van de verrichting. Zoals reeds werd geoordeeld in het arrest van dit Hof van 25 juni 2021, volgt uit de tekst en de wetsgeschiedenis van deze bepaling dat de terugname door een vennootschap in België van voorheen in het buitenland geboekte waardeverminderingen, nadat de vennootschap haar maatschappelijke zetel van het buitenland naar België heeft verplaatst, op fiscaal vlak als een “gerealiseerde meerwaarde” in de zin van artikel 184ter, § 2, tweede lid, WIB92 moet worden beschouwd, die moet worden vastgesteld uitgaande van de boekwaarde die zij op het ogenblik van zetelverplaatsing had, ook al wordt de meerwaarde op dat ogenblik niet effectief verwezenlijkt of ontvangen. Aldus wordt de terugname van voorheen in het buitenland geboekte waardeverminderingen, nadat de vennootschap haar maatschappelijke zetel van het buitenland naar België heeft verplaatst, voor Belgische fiscale doeleinden als een uitgedrukte maar niet-verwezenlijkte meerwaarde in de zin van artikel 44, § 1, 1°, WIB92 beschouwd. Op basis van artikel 44, § 1, 1°, WIB92 zijn uitgedrukte maar niet-verwezenlijkte meerwaarden, met uitsluiting van meerwaarden op voorraden en bestellingen in uitvoering, van belasting vrijgesteld. Evenwel zijn krachtens artikel 190, tweede lid, WIB92 de meerwaarden vermeld in artikel 44, § 1, 1°, WIB92 in de vennootschapsbelasting slechts van belasting vrijgesteld in zoverre zij op één of meer afzonderlijke rekeningen van het passief geboekt zijn en blijven en niet tot grondslag dienen voor de berekening van de jaarlijkse dotatie aan de wettelijke reserve of van enige beloning of toekenning. 33. Bij arrest van 25 juni 2021 heeft het Hof aan het Hof van Justitie van de Europese Unie de vraag gesteld of de vrijheid van vestiging zoals gewaarborgd door artikel 49 VWEU wordt geschonden door een nationale regeling zoals hier aan de orde in die mate dat zij tot gevolg heeft dat een Luxemburgse vennootschap die in Luxemburg waardeverminderingen op aandelen boekt en deze waardeverminderingen weliswaar principieel in mindering van haar fiscaal resultaat brengt, maar niet daadwerkelijk van haar fiscaal resultaat kan aftrekken wegens het bestaan van een fiscale verliespositie, na verplaatsing van haar statutaire zetel naar België, op de terugname van die waardeverminderingen wordt belast, tenzij de waardestijgingen die achter die terugname schuil gaan op een onbeschikbare rekening van het passief worden geboekt, terwijl een Belgische vennootschap die in België waardeverminderingen op aandelen heeft geboekt, op de terugname van die waardeverminderingen niet wordt belast, op voorwaarde dat de waardeverminderingen voorheen niet in mindering van het Belgisch fiscaal resultaat werden gebracht, zonder dat de waardestijgingen die achter die terugname schuil gaan, op een onbeschikbare rekening van het passief moeten worden geboekt. 34. In zijn arrest van 10 november 2022 in de huidige zaak (nr. C-414/21) heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie geoordeeld dat artikel 49 VWEU zich niet verzet tegen een nationale fiscale regeling op grond waarvan waardestijgingen op aandelen in vennootschappen die door een vennootschap in een lidstaat na de verplaatsing van haar statutaire zetel naar die lidstaat zijn geboekt, worden behandeld als latente meerwaarden zonder dat in aanmerking wordt genomen of die aandelen ertoe hebben geleid dat die vennootschap waardeverminderingen heeft geboekt toen zij fiscaal ingezetene van een andere lidstaat was. Het Hof van Justitie van de Europese Unie kwam tot dit oordeel op grond van de volgende overwegingen. - Ingevolge artikel 49 VWEU, gelezen in samenhang met artikel 54 VWEU, genieten vennootschappen die in overeenstemming met de wetgeving van een lidstaat zijn opgericht en die hun statutaire zetel, hun hoofdbestuur of hun hoofdvestiging binnen de Europese Unie hebben, de vrijheid van vestiging. Deze vrijheid omvat ook het recht voor een dergelijke vennootschap om haar statutaire zetel, haar hoofdbestuur of haar hoofdvestiging naar een andere lidstaat te verplaatsen. In die context kan een naar het recht van een lidstaat opgerichte vennootschap die haar statutaire zetel naar een andere lidstaat verplaatst, zich op artikel 49 VWEU beroepen ter betwisting van de fiscale gevolgen van die verplaatsing naar de lidstaat van ontvangst (r.o. 16 tot 18). - Artikel 49 VWEU biedt evenwel niet de garantie dat die verplaatsing fiscaal neutraal is. Gelet op de verschillen tussen de regelingen van de lidstaten, kan de verplaatsing naargelang van het geval fiscaal meer of minder voor- of nadelig uitvallen. De vrijheid van vestiging leidt er niet toe dat een lidstaat verplicht is om zijn belastingregeling af te stemmen op die van andere lidstaten teneinde te waarborgen dat in alle situaties de belasting aldus wordt geheven dat alle verschillen als gevolg van de nationale belastingregelingen verdwijnen (r.o. 19). - Een regeling als die in het hoofdgeding leidt ten nadele van vennootschappen die naar het recht van een lidstaat zijn opgericht en die hun vrijheid van vestiging uitoefenen, tot een verschil in behandeling waardoor zij ervan kunnen afzien hun economische activiteiten aldaar uit te oefenen. Dat verschil in behandeling kan enkel worden aanvaard indien het betrekking heeft op situaties die niet objectief vergelijkbaar zijn of indien het wordt gerechtvaardigd door een dwingende reden van algemeen belang en daaraan evenredig is (r.o. 22). - Bij het onderzoek van de vergelijkbaarheid van een grensoverschrijdende situatie met een binnenlandse situatie moet rekening worden gehouden met het door de betrokken nationale bepalingen nagestreefde doel. Waar het gaat om maatregelen die door een lidstaat worden genomen om de verdeling van de heffingsbevoegdheid tussen lidstaten te handhaven, bevindt een vennootschap die waardeverminderingen op aandelen in een lidstaat heeft geboekt, zich in beginsel niet in een vergelijkbare situatie als een vennootschap die haar statutaire zetel naar die lidstaat heeft verplaatst na dergelijke waardeverminderingen te hebben geboekt in een andere lidstaat, aangezien een vennootschap die haar zetel verplaatst, achtereenvolgens onder de fiscale bevoegdheid van twee lidstaten valt. Bij gebrek aan fiscale bevoegdheid van de lidstaat van ontvangst voor het tijdvak waarin waardeverminderingen op aandelen in vennootschappen werden geboekt, bevindt een vennootschap die haar statutaire zetel naar die lidstaat heeft verplaatst en daar vervolgens waardestijgingen van die aandelen boekt, zich niet in een vergelijkbare situatie als een vennootschap die reeds onder de fiscale bevoegdheid van die lidstaat viel in het tijdvak waarin die waardeverminderingen werden geboekt. Om dezelfde reden is de situatie van een vennootschap die haar statutaire zetel naar een lidstaat heeft verplaatst en vervolgens vóór die verplaatsing geboekte waardeverminderingen terugneemt, niet vergelijkbaar met die van een in die lidstaat gevestigde holding die in een fiscale verliespositie verkeert, met die van een vennootschap die aan de vennootschapsbelasting onderworpen was en in die lidstaat waardeverminderingen heeft geboekt of met die van een in die lidstaat gevestigde vennootschap die een vaste inrichting sluit in een andere lidstaat, alwaar waardeverminderingen werden geboekt (r.o. 24-27). - Bovendien moet worden vastgesteld dat de eiseres zich in Luxemburg heeft beroepen op de waardeverminderingen die zij vóór de verplaatsing van haar statutaire zetel had geboekt, hetgeen gelet op haar verliespositie haar overdraagbare verliezen heeft doen toenemen. De omstandigheid dat zij die verliezen niet daadwerkelijk van haar belastbaar resultaat heeft kunnen aftrekken, vloeit voort uit de vervolgens door haar gemaakte keuze om haar vrijheid van vestiging uit te oefenen en haar zetel te verplaatsen (r.o. 28). - Aan het voorgaande wordt niet afgedaan door het arrest van 12 juni 2018, Bevola en Jens W. Trock (nr. C-650/16), aangezien de in dat arrest gehanteerde oplossing ziet op de rechtspraak van het Hof met betrekking tot de inaanmerkingneming in de lidstaat waar de moedermaatschappij is gevestigd, van definitieve verliezen die door een dochteronderneming of door een gedurende hetzelfde belastingtijdvak in een andere lidstaat gelegen vaste inrichting zijn geleden, en deze oplossing niet kan worden toegepast voor een vennootschap die haar statutaire zetel van de ene lidstaat naar een andere lidstaat heeft verplaatst en wil dat vóór die verplaatsing in de eerste lidstaat geboekte transacties in de tweede lidstaat in aanmerking worden genomen (r.o. 29). Het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft er evenwel in zijn arrest op aangestuurd dat het Hof zou verifiëren dat de doelstelling van artikel 184ter, § 2, tweede lid, WIB92, in de versie zoals van toepassing op het geding, erin bestaat de verdeling van de heffingsbevoegdheid tussen de lidstaten te handhaven (r.o. 24). 35. In het licht hiervan, herbevestigt het Hof de doelstelling van artikel 184ter, § 2, tweede lid, WIB92, in de versie zoals van toepassing op het geding, zoals reeds uiteengezet in r.o. 25 van het tussenarrest van 25 juni 2021: artikel 184ter, § 2, tweede lid, WIB92, in de versie zoals van toepassing op het geding, heeft in geval van een zetelverplaatsing van een vennootschap naar België tot doel een evenwichtige verdeling van de heffingsbevoegdheid tussen staten te bewerkstellingen, door meerwaarden die verbonden zijn aan de periode vóór de zetelverplaatsing niet in België te belasten en meerwaarden die ontstaan zijn vanaf de zetelverplaatsing wel volledig aan de Belgische belastingregeling te onderwerpen. De doelstelling van artikel 24, eerste lid, 3°, WIB92 juncto artikel 74, tweede lid, 1°, derde streepje, KB/WIB92 en artikel 198, eerste lid, 7°, WIB92, die van toepassing zijn op de terugname van waardeverminderingen op aandelen met een zuiver internrechtelijk karakter, is vreemd aan de doelstelling van artikel 184ter, § 2, tweede lid, WIB92, in de versie zoals van toepassing op het geding, dat de waardering van vermogensbestanddelen na zetelverplaatsing naar België betreft en dient bijgevolg niet mee in rekening te worden gebracht bij de beoordeling van de vergelijkbaarheid van de binnenlandse situatie enerzijds en de situatie van de vennootschap die haar zetel verplaatst anderzijds. 36. De appelrechters stellen vast dat: - de eiseres in de loop van 2008 op de participatie in E. een waardevermindering van 59.083.453,05 euro boekte; - voordat de eiseres in 2009 haar zetel naar België verplaatste, nog een waardevermindering op de participatie in E. van 26.339.800 euro werd geboekt; - de boekwaarde van de aandelen E. aldus op 30 april 2009 156.587.000 euro bedroeg; - in mei 2009 de maatschappelijke zetel van de eiseres naar België werd verplaatst; - in 2009 na de zetelverplaatsing voor 43.478.500 euro aan waardeverminderingen op de aandelen E. werden teruggenomen. 37. Derhalve heeft de eiseres geen belang bij de door haar aangevoerde argumentatie dat (
- i)er onder artikel 184ter, § 2, tweede lid, WIB92, in zijn hier van toepassing zijnde versie, geen sprake is van een zuivere en door de wetgever beoogde scheiding van de heffingsbevoegdheid tussen het tijdstip vóór en na de zetelverplaatsing, doordat (
- ii)deze wetsbepaling de boekwaarde en niet werkelijke waarde van de aandelen op het ogenblik van de zetelverplaatsing in aanmerking neemt, zodat (iii) de heffingsbevoegdheid van België zich kon uitstrekken naar waardestijgingen die betrekking hadden op het tijdvak waarin de vennootschap nog in Luxemburg gevestigd was, (
- iv)als gevolg waarvan geen rekening zou mogen worden gehouden met de door de wetgever nagestreefde doelstelling. 38. De door de eiseres in haar nota van 19 december 2022 naar aanleiding van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie dienaangaande voorgestelde prejudiciële vraag dient niet te worden gesteld, aangezien die vraag een louter hypothetisch karakter heeft. 39. Het arrest van de negende kamer van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 10 november 2022 in deze zaak is niet strijdig met de rechtspraak van de Grote kamer van het Hof van Justitie van de Europese Unie die door de eiseres in haar nota van 19 december 2022 naar aanleiding van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie uitvoerig wordt aangehaald. Het arrest National Grid Indus (nr. C-371/10) dat door de Grote Kamer van het Hof van Justitie van de Europese Unie op 29 november 2011 werd gewezen, betreft de feitelijke zetelverplaatsing van een Nederlandse vennootschap naar het Verenigd Koninkrijk, waarbij de Nederlandse fiscale overheid op het ogenblik van die zetelverplaatsing overging tot taxatie van latente meerwaarden die in Nederland vóór de zetelverplaatsing waren ontstaan, terwijl de huidige zaak de juridische zetelverplaatsing van een Luxemburgse vennootschap naar België betreft, waarbij de Belgische fiscale overheid overgaat tot taxatie van waardestijgingen die na de zetelverplaatsing naar België in België zijn ontstaan. Die situaties zijn fundamenteel verschillend voor wat betreft de beoordeling van de geoorloofdheid van een nationale regel die een evenwichtige verdeling van heffingsbevoegdheden beoogt. In het eerstgenoemde geval is er sprake van een belastingheffing door de lidstaat van herkomst op latente meerwaarden die in die lidstaat zijn ontstaan en waarvan de omvang op geen enkele wijze door de lidstaat van ontvangst wordt beïnvloed of kan worden beïnvloed, terwijl in laatstgenoemd geval sprake is van een belastingheffing door de lidstaat van ontvangst op waardestijgingen die in die lidstaat zijn ontstaan, maar waarvan de omvang wel wordt beïnvloed of kan worden beïnvloed door wat met die relevante vermogensbestanddelen in de lidstaat van herkomst is gebeurd. De overige door de eiseres in haar nota van 19 december 2022 aangehaalde rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ (Grote kamer) 12 december 2008, nr. C-374/04, Test Claimants; HvJ (Grote kamer) 17 juli 2014, nr. C-48/13, Nordea Bank; HvJ (Grote kamer) 26 februari 2019, nr. C-118/16, nr. C-119/16 en nr. C-299/16; HvJ (vijfde kamer) 22 november 2018, nr. C-575/17, Sofina; HvJ (vijfde kamer) 13 juli 2016, nr. C-18/15, Brisal; HvJ (vierde kamer) 21 december 2016, nr. C-593/14, Maso Denmark; HvJ (Grote kamer) 13 december 2005, nr. C-446/03, Marks & Spencer; HvJ (vierde kamer) 22 september 2022, nr. C-538/20, Finanzamt B) betreft gevallen waar een belastingplichtige vennootschap gelijktijdig onder de heffingsbevoegdheid van verschillende lidstaten valt, terwijl huidige zaak een geval betreft waarin een belastingplichtige vennootschap achtereenvolgens onder de heffingsbevoegdheid van verschillende lidstaten valt. Ook die situaties zijn fundamenteel verschillend voor wat betreft de beoordeling van de geoorloofdheid van een nationale regel die een evenwichtige verdeling van heffingsbevoegdheden beoogt. De door de eiseres in haar nota van 19 december 2022 naar aanleiding van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie in dat verband voorgestelde prejudiciële vraag dient bijgevolg niet te worden gesteld. 40. Uit al het voorgaande volgt dat in zoverre het onderdeel aanvoert dat de regeling die voortvloeit uit artikel 184ter, § 2, tweede lid, juncto de artikelen 24, eerste lid, 2°, 44, § 1, 1°, en 190, tweede lid, WIB92 een belemmering van de vrijheid van vestiging zoals gewaarborgd door artikel 49 VWEU inhoudt die niet geldig is omdat zij betrekking heeft op situaties die objectief vergelijkbaar zijn, het naar recht faalt. 41. De eiseres heeft de onverenigbaarheid met artikel 49 VWEU van de regeling die voortvloeit uit artikel 184ter, § 2, tweede lid, juncto de artikelen 24, eerste lid, 2°, 44, § 1, 1°, en 190, tweede lid, WIB92, voor het eerst voor het Hof opgeworpen. Zij heeft uitgebreid de mogelijkheid gekregen om over deze problematiek standpunt in te nemen, in het verzoekschrift tot cassatie zelf, in haar nota van 8 maart 2021 in antwoord op de conclusie van het openbaar ministerie, in haar schriftelijke opmerkingen voor het Hof van Justitie van de Europese Unie van 10 november 2021 en in haar opmerkingen van 19 november 2022 voor het Hof naar aanleiding van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie. Van een miskenning van het recht op tegenspraak is geen sprake. (…) Elfde onderdeel 49. Volgens de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie kan een verschil in behandeling ten nadele van vennootschappen die zijn opgericht naar het recht van een lidstaat en hun vrijheid van vestiging uitoefenen, waardoor zij ervan kunnen afzien hun statutaire zetel naar een andere lidstaat te verplaatsen om hun economische activiteiten aldaar uit te oefenen, in het licht van artikel 49 VWEU worden aanvaard indien dit verschil in behandeling betrekking heeft op situaties die niet objectief vergelijkbaar zijn. Bij het onderzoek van de vergelijkbaarheid van een grensoverschrijdende situatie met een binnenlandse situatie, moet rekening worden gehouden met het door de betrokken nationale bepalingen nagestreefde doel (HvJ 27 februari 2020, Aures Holdings, nr. C-405/18, r.o. 36-37, HvJ 10 november 2022, VP Capital, nr. C-414/21, r.o. 22-23). 50. Uit het antwoord op het tweede onderdeel van het vierde middel blijkt dat de niet-belastbaarheid van de terugname van waardeverminderingen van voorheen aan de rechtspersonenbelasting onderworpen vennootschappen een volledig andere doelstelling nastreeft dan artikel 184ter, § 2, tweede lid, WIB92. Hieruit volgt dat vennootschappen die waardeverminderingen in het buitenland boeken en die deze waardeverminderingen na zetelverplaatsing naar België in België terugnemen enerzijds en rechtspersonen die waardeverminderingen boeken op een moment dat zij aan de rechtspersonenbelasting onderworpen zijn en die waardeverminderingen vervolgens na overgang naar het stelsel van de vennootschapsbelasting terugnemen anderzijds, zich niet in een objectief vergelijkbare situatie bevinden zodat kennelijk geen schending voorligt van artikel 49 VWEU. Het onderdeel faalt naar recht. 51. Aangezien de juiste uitlegging van het Unierecht zo voor de hand ligt dat redelijkerwijze geen ruimte voor twijfel kan bestaan, behoeft de prejudiciële vraag niet te worden gesteld. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiseres tot de kosten. Bepaalt de kosten voor de eiseres op 909,51 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, en de raadsheren Bart Wylleman, Ilse Couwenberg, Sven Mosselmans en Michael Traest, en in openbare rechtszitting van 20 juni 2024 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Johan Vander Fraenen, met bijstand van griffier Elien Van Isterdael. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240620.1N.12 Gerelateerde publicatie(
- s)voorafgegaan door: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210625.1N.1 ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20210625.1N.1 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241122.1N.5 ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20241122.1N.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div