id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 20 juni 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240620.1N.7 Rolnummer: F.21.0034.N Zaak: BELGISCHE STAAT, MIN FINANCIEN contra RANSON nv Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Belastingrecht Invoerdatum: 2024-07-18 Raadplegingen: 1034 - laatst gezien 2026-06-18 08:13 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240620.1N.7 Fiche 1 Een bewijskrachtig gegeven in de zin van artikel 358, § 1, 4° WIB92 is een bekend, vaststaand en onbetwist feit dat, zonder dat verder onderzoek nodig is, op zich of in combinatie met elementen waarover de administratie al beschikt, uitwijst dat belastbare inkomsten niet werden aangegeven; een feit dat door de belastingplichtige wordt aangebracht, kan een dergelijk bewijskrachtig gegeven vormen
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - AANSLAGPROCEDURE - Aanslagtermijnen Wettelijke bepalingen: Wetboek Inkomstenbelastingen 1992 - 12-06-1992 - Art. 358 - 32 Link Justel databank 19920612-32 Fiche 2 De feiten die de belastingplichtige zelf bijbrengt omtrent het bestaan en de inhoud van een minnelijke schikking als bedoeld in artikel 216bis Wetboek van Strafvordering en omtrent de boekhoudkundige en fiscale verwerking van die minnelijke schikking, kunnen als bewijskrachtige gegevens in de zin van artikel 358, § 2, 3°, WIB92 in aanmerking komen; voor het in aanmerking nemen van die feiten als bewijskrachtige gegevens in de zin van artikel 358, § 2, 3°, WIB92 is niet vereist dat de administratie inzage neemt van het akkoord tussen de procureur des Konings en de belastingplichtige en van de stukken uit het gerechtsdossier waaruit blijkt dat de belastingplichtige de verschuldigde belastingen met inbegrip van de interest heeft voldaan
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - AANSLAGPROCEDURE - Aanslagtermijnen Wettelijke bepalingen: Wetboek Inkomstenbelastingen 1992 - 12-06-1992 - Art. 358 - 32 Link Justel databank 19920612-32 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 216bis - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiches 3 - 4 De geldsom die de dader van een misdrijf met toepassing van artikel 216bis Wetboek van Strafvordering aan de Federale Overheidsdienst Financiën stort, beoogt het verval van strafvordering en moet bijgevolg als een ‘transactionele geldboete' in de zin van artikel 53, 6°, WIB92, die niet als beroepskost aftrekbaar is, worden beschouwd
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - VENNOOTSCHAPSBELASTING - Vaststelling van het belastbaar netto-inkomen - Beroepskosten Wettelijke bepalingen: Wetboek Inkomstenbelastingen 1992 - 12-06-1992 - Art. 53 - 32 Link Justel databank 19920612-32 Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - PERSONENBELASTING - Beroepsinkomsten - Beroepskosten Wettelijke bepalingen: Wetboek Inkomstenbelastingen 1992 - 12-06-1992 - Art. 53 - 32 Link Justel databank 19920612-32 Tekst van de beslissing Nr. F.21.0034.N BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kabinet te 1000 Brussel, Wetstraat 12, voor wie optreedt de adviseur-generaal van het Centrum Grote Ondernemingen Brugge, met kantoor te 8000 Brugge, Gustave Vincke-Dujardinstraat 4, eiser, tegen RANSON nv, met zetel te 8530 Harelbeke, Generaal Deprezstraat 16, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0415.042.808, verweerster, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187/302, waar de verweerster woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent van 13 oktober 2020 (2019/AR/1041). Advocaat-generaal Johan Van der Fraenen heeft op 21 mei 2024 een schriftelijke conclusie neergelegd. Raadsheer Myriam Ghyselen heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Johan Van der Fraenen heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, vier middelen aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling (…) Tweede middel (…) Tweede onderdeel
- Krachtens artikel 358, § 1, 4°, WIB92 mag de belasting of de aanvullende belasting worden gevestigd, zelfs nadat de in artikel 354 bepaalde termijn is verstreken ingeval bewijskrachtige gegevens uitwijzen dat belastbare inkomsten niet werden aangegeven in de loop van één der vijf jaren vóór het jaar waarin de administratie kennis krijgt van die gegevens. Krachtens artikel 358, § 2, 3°, WIB92 moet de belasting of de aanvullende belasting in voormeld geval worden gevestigd binnen twaalf maanden, te rekenen vanaf de datum waarop de administratie kennis krijgt van de in § 1, 4°, vermelde bewijskrachtige gegevens. Een bewijskrachtig gegeven in de zin van deze wetsbepaling is een bekend, vaststaand en onbetwist feit dat, zonder dat verder onderzoek nodig is, op zich of in combinatie met elementen waarover de administratie al beschikt, uitwijst dat belastbare inkomsten niet werden aangegeven. Een feit dat door de belastingplichtige wordt aangebracht, kan een dergelijk bewijskrachtig gegeven vormen. Het gerecht waarbij het geschil aanhangig is, moet vaststellen op welke datum de administratie kennis heeft gekregen van de bewijskrachtige gegevens en dus nagaan of de aanslag of de aanvullende aanslag is gevestigd binnen de in artikel 358, § 2, 3°, WIB92 op straffe van verval vastgestelde termijn. Wanneer blijkt dat de administratie reeds eerder kennis had van deze gegevens, begint de termijn van één jaar, bedoeld in § 2, 3°, vanaf dit eerdere tijdstip te lopen.
- Krachtens artikel 216bis, § 1, eerste lid, Wetboek van Strafvordering kan de procureur des Konings, voor zover het feit niet van die aard schijnt te zijn dat het gestraft moet worden met een hoofdstraf van meer dan twee jaar correctionele gevangenisstraf of een zwaardere straf, desgevallend met inbegrip van de verbeurdverklaring, en dat het geen zware aantasting inhoudt van de lichamelijke integriteit, de dader verzoeken een bepaalde geldsom te storten aan de Federale Overheidsdienst Financiën. Krachtens artikel 216bis, § 2, voorlaatste lid, Wetboek van Strafvordering, in de hier van toepassing zijnde versie, stelt de bevoegde rechter, op vordering van de procureur des Konings en na te hebben nagegaan of voldaan is aan de formele toepassingsvoorwaarden van § 1, eerste lid, of de dader de voorgestelde minnelijke schikking heeft aanvaard en nageleefd en het slachtoffer en de fiscale of sociale administratie werden vergoed overeenkomstig § 4 en § 6, tweede lid, het verval van de strafvordering vast ten aanzien van de dader. Krachtens artikel 216bis, § 2, laatste lid, Wetboek van Strafvordering, in de hier van toepassing zijnde versie, kunnen, indien de procureur des Konings geen akte kan verlenen van een akkoord, de documenten die werden opgemaakt en de mededelingen die werden gedaan tijdens het overleg niet ten laste van de dader worden aangewend in een strafrechtelijke, burgerrechtelijke, administratieve, arbitrale of enige andere procedure voor het oplossen van conflicten en zijn ze niet toelaatbaar als bewijs, zelfs niet als buitengerechtelijke bekentenis. Krachtens artikel 216bis, § 6, tweede lid, Wetboek van Strafvordering, in de hier van toepassing zijnde versie, is de minnelijke schikking voor de fiscale of sociale misdrijven waarmee belastingen of sociale bijdragen konden worden omzeild, pas mogelijk nadat de dader van het misdrijf de door hem verschuldigde belastingen of sociale bijdragen, inclusief de interest, heeft betaald, en de fiscale of de sociale administratie daarmee heeft ingestemd. Uit deze wetsbepaling volgt dat, indien de procureur des Konings geen akte kan verlenen van een akkoord met de dader van een fiscaal misdrijf, de inhoud van het overleg tussen de procureur des Konings en de dader niet tegen de dader als bewijs kan worden aangewend. Uit deze wetsbepaling volgt eveneens dat voor het verval van de strafvordering ten aanzien van de dader van een fiscaal misdrijf, vereist is dat het akkoord waarvan de procureur des Konings akte verleent, aan de bevoegde rechter wordt voorgelegd, op een ogenblik dat de dader de verschuldigde belastingen inclusief de interest heeft voldaan. Uit deze wetsbepaling volgt niet dat het bewijs van het bestaan en de inhoud van een akkoord dat met toepassing van artikel 216bis Wetboek van Strafvordering, werd gesloten, enkel kan worden geleverd door inzage van het akkoord tussen de procureur des Konings en de dader van een fiscaal misdrijf en van de stukken uit het gerechtsdossier waaruit blijkt dat de dader de verschuldigde belastingen met inbegrip van de interest heeft voldaan.
- Uit de samenhang van voormelde wetsbepalingen volgt dat de feiten die de belastingplichtige zelf bijbrengt omtrent het bestaan en de inhoud van een minnelijke schikking als bedoeld in artikel 216bis Wetboek van Strafvordering en omtrent de boekhoudkundige en fiscale verwerking van die minnelijke schikking, als bewijskrachtige gegevens in de zin van artikel 358, § 2, 3°, WIB92 in aanmerking kunnen komen. Voor het in aanmerking nemen van die feiten als bewijskrachtige gegevens in de zin van artikel 358, § 2, 3°, WIB92 is niet vereist dat de administratie inzage neemt van het akkoord tussen de procureur des Konings en de belastingplichtige en van de stukken uit het gerechtsdossier waaruit blijkt dat de belastingplichtige de verschuldigde belastingen met inbegrip van de interest heeft voldaan.
- Het middel dat van een andere rechtsopvatting uitgaat, faalt naar recht. Derde middel Vierde onderdeel
- Krachtens artikel 53, 6°, WIB92, in de versie zoals van toepassing op het geding, kunnen niet als beroepskosten worden aangemerkt, geldboeten, met inbegrip van transactionele geldboeten, verbeurdverklaringen en straffen van alle aard, zelfs indien die geldboeten of straffen worden opgelopen door een persoon die van de belastingplichtige bezoldigingen ontvangt als vermeld in artikel
- Uit de wetsgeschiedenis van dit artikel blijkt dat onder het begrip ‘transactionele geldboeten’, die niet als beroepskost aftrekbaar zijn, moeten worden begrepen de sommen die een beklaagde aan de Staat betaalt om een door het openbaar ministerie ingestelde vordering teniet te doen. De geldsom die de dader van een misdrijf met toepassing van artikel 216bis Wetboek van Strafvordering aan de Federale Overheidsdienst Financiën stort, beoogt het verval van strafvordering en moet bijgevolg als een ‘transactionele geldboete’ in de zin van artikel 53, 6°, WIB92, die niet als beroepskost aftrekbaar is, worden beschouwd.
- De appelrechters stellen vast en oordelen dat: - artikel 53, 6°, WIB92 geldboeten viseert, het begrip ‘geldboete’ in de fiscale wetgeving niet wordt gedefinieerd en in haar gewone betekenis moet worden begrepen, met name een wegens een overtreding opgelegde straf in de vorm van een som geld; - voor de uitbreiding van het toepassingsgebied van artikel 53, 6°, WIB92 bij wet van 25 december 2017 tot administratieve geldboeten, door de fiscale administratie werd aanvaard dat onder het begrip ‘geldboete’ in de zin van artikel 53, 6°, WIB92 enkel sancties vielen die het karakter van een straf hebben; - de geldsom betaald met toepassing van artikel 216bis Wetboek van Strafvordering geen straf in de zin van artikel 14 Grondwet is, de minnelijke schikking niet door een rechter op basis van een strafwet wordt opgelegd, geen bestraffing inhoudt, geen strafrechtelijk bewijs van de feiten levert en geen schuldbekentenis inhoudt, ongeacht de terminologie gebruikt in de parlementaire voorbereiding bij het wetsontwerp van 2 maart 2011 houdende diverse bepalingen; - ten overvloede overigens uit de in de wet gebruikte terminologie blijkt dat de wetgever de sanctie voortvloeiend uit de toepassing van artikel 216bis Wetboek van Strafvordering niet als een ‘geldboete’ beschouwt en dat de betaling van een geldsom met toepassing van artikel 216bis Wetboek van Strafvordering als een onweerlegbaar vermoeden van fout op burgerrechtelijk vlak geldt, niet impliceert dat deze geldsom als een straf of als een geldboete kwalificeert; - dergelijke geldsom niet onder het toepassingsgebied van artikel 53, 6°, WIB92 valt, aangezien een geldsom betaald met toepassing van artikel 216bis Wetboek van Strafvordering geen straf is, dus geen geldboete, transactioneel of niet, of straf van alle aard; - dergelijke geldsom evenmin een verbeurdverklaring is; - de omstandigheid dat deze geldsom in de context van een strafrechtelijke procedure wordt betaald, niet impliceert dat deze geldsom kwalificeert als een straf; - een geldsom betaald als minnelijke schikking in de zin van artikel 216bis Wetboek van Strafvordering louter een oorzaak van verval van de strafvordering is en de wijze waarop de geldsom wordt bepaald, hiervan geen straf in de zin van artikel 53, 6°, WIB92 maakt.
- De appelrechters die op deze gronden oordelen dat de geldsom betaald met toepassing van artikel 216bis Wetboek van Strafvordering niet als een transactionele geldboete in de zin van artikel 53, 6°, WIB92 moet worden beschouwd en bijgevolg als beroepskost aftrekbaar is, verantwoorden hun beslissing niet naar recht. Het onderdeel is gegrond. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest in zoverre de aanslag voor het aanslagjaar 2015 integraal ontheft en uitspraak doet over de kosten. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest. Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Antwerpen. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Geert Jocqué, als voorzitter, en de raadsheren Ilse Couwenberg, Sven Mosselmans, Myriam Ghyselen en Michael Traest, en in openbare rechtszitting van 20 juni 2024 uitgesproken door sectievoorzitter Geert Jocqué, in aanwezigheid van advocaat-generaal Johan Van der Fraenen, met bijstand van griffier Elien Van Isterdael. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240620.1N.7 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240620.1N.7 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div