← België

A.V.D.B. en Z. c. BELGISCHE STAAT, MIN FINANCIEN

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 20 juni 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2024:

Art. 77

- 32 Link Justel databank 19690703-32 Wet 3 juli 1969 tot invoering van de belasting over de

Art. 82

- 32 Link Justel databank 19690703-32 Wet 3 juli 1969 tot invoering van de belasting over de

Art. 82bis- 32 Link Justel databank 19690703-32 KB nr.

4 van 29 december 1969 met betrekking tot de teruggaven inzake belasting over de toegevoegde waarde - 4 - 29-12-1969 - Art. 3 - 30 Link Justel databank 19691229-30 Fiche 2 In geval van faillissement ontstaat de vordering tot teruggaaf reeds op de datum van het vonnis van faillietverklaring, omdat reeds op dat ogenblik redelijk waarschijnlijk is dat de schuldvordering van de leverancier-belastingplichtige niet zal worden voldaan

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: BELASTING OVER DE TOEGEVOEGDE WAARDE Wettelijke bepalingen: Wet 3 juli 1969 tot invoering van de belasting over de

Art. 77

- 32 Link Justel databank 19690703-32 Wet 3 juli 1969 tot invoering van de belasting over de

Art. 82

- 32 Link Justel databank 19690703-32 Wet 3 juli 1969 tot invoering van de belasting over de

Art. 82bis- 32 Link Justel databank 19690703-32 KB nr.

4 van 29 december 1969 met betrekking tot de teruggaven inzake belasting over de toegevoegde waarde - 4 - 29-12-1969 - Art. 3 - 30 Link Justel databank 19691229-30 Tekst van de beslissing Nr. F.22.0126.N A.V.D.B.E.Z. nv, handelend in eigen naam en, voor zoveel als nodig, namens de BTW-eenheid GROEP V.D.B., EEKLO-GENT, ingeschreven bij de KBO onder het nummer (…), eiseres, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187/302, waar de eiseres woonplaats kiest, tegen BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kabinet te 1000 Brussel, Wetstraat 12, voor wie optreedt de adviseur-generaal directeur van het Centrum Grote Ondernemingen Gent, met kantoor te 9050 Gent (Ledeberg), Gaston Crommenlaan 6, bus 703, verweerder, vertegenwoordigd door mr. Geoffroy de Foestraets en mr. Stefan De Vleeschouwer, advocaten bij het Hof van Cassatie, beiden met kantoor te 1000 Brussel, Dalstraat 67, waar de verweerder woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent van 15 februari

  1. Advocaat-generaal Johan Van der Fraenen heeft op 21 mei 2024 een schriftelijke conclusie neergelegd. Raadsheer Michael Traest heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Johan Van der Fraenen heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling (…) Tweede onderdeel Eerste subonderdeel
  2. Artikel 77, § 1, 7°, Btw-wetboek bepaalt dat, onverminderd de toepassing van artikel 334 van de programmawet van 27 december 2004, de belasting die geheven werd van een levering van goederen, van een dienst of van een intracommunautaire verwerving van een goed tot beloop van het passende bedrag wordt teruggegeven wanneer de schuldvordering van de prijs geheel of ten dele verloren is gegaan. Artikel 79, § 1, derde lid, Btw-wetboek bepaalt dat de leverancier of de dienstverlener die tot beloop van het passende bedrag teruggaaf heeft bekomen van de belasting in geval van geheel of gedeeltelijk verlies van de schuldvordering van de prijs, in de veronderstelling dat de schuldenaar opnieuw vermogend is geworden en later het geheel of een gedeelte van de oninvorderbaar gewaande som aan de schuldeiser betaalt, aan de Staat het bedrag van de belasting moet terugstorten dat overeenstemt met het ingevorderde bedrag, en dit door het op te nemen in het bedrag van de verschuldigde belasting met betrekking tot de periode waarin hij deze storting heeft ontvangen.
  3. Krachtens artikel 82 Btw-wetboek begint de vordering tot teruggaaf van de belasting, van de interest en van de administratieve geldboeten te verjaren vanaf de dag dat deze vordering ontstaat. Krachtens artikel 82bis Btw-wetboek is er verjaring voor de vordering tot teruggaaf van de belasting, van de interest en van de administratieve geldboeten, na het verstrijken van het derde kalenderjaar volgend op dat waarin de oorzaak van teruggaaf van die belasting, interest en administratieve geldboeten zich heeft voorgedaan.
  4. Artikel 3 van het KB nr. 4 van 29 december 1969 met betrekking tot de teruggaven inzake belasting over de toegevoegde waarde bepaalt dat de vordering tot teruggaaf ontstaat op het tijdstip waarop de oorzaak van teruggaaf zich voordoet. De vordering tot teruggaaf bedoeld in artikel 77, § 1, 7°, Btw-wetboek ontstaat in geval van faillissement op de datum van het vonnis van faillietverklaring.
  5. Uit deze bepalingen volgt dat bij faillissement van de schuldenaar de vordering tot teruggaaf van de belasting bedoeld in artikel 77, § 1, 7°, Btw-wetboek verjaart na het verstrijken van het derde kalenderjaar volgend op de datum van het vonnis van faillietverklaring. De omstandigheid dat de schuldeiser op het ogenblik van het faillissement over een zakelijke of persoonlijke zekerheid beschikt op grond waarvan hij nog betaald kan worden, doet hieraan geen afbreuk. Het subonderdeel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht. Tweede subonderdeel
  6. Artikel 90, lid 1, van de Richtlijn 2006/112 van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (hierna Btw-richtlijn) bepaalt dat in geval van annulering, verbreking, ontbinding of gehele of gedeeltelijke niet-betaling, of in geval van prijsvermindering nadat de handeling is verricht, de maatstaf van heffing dienovereenkomstig wordt verlaagd onder de voorwaarden die door de lidstaten worden vastgesteld.
  7. Volgens de rechtspraak van het Hof van Justitie verplicht deze bepaling de lidstaten ertoe om de maatstaf van heffing, en dus het door de belastingplichtige verschuldigde btw-bedrag, te verlagen telkens wanneer de belastingplichtige na de sluiting van een overeenkomst de tegenprestatie geheel of gedeeltelijk niet ontvangt (HvJ 6 december 2018, Tratave, nr. C-672/17; HvJ 8 mei 2019, A-PACK CZ, nr. C-127/18; HvJ 15 oktober 2020, E., nr. C 335/19).
  8. Krachtens artikel 90, lid 2, Btw-richtlijn kunnen de lidstaten in geval van gehele of gedeeltelijke niet-betaling afwijken van de in het eerste lid neergelegde verplichting om de maatstaf van heffing van de btw te verlagen.
  9. Het Hof van Justitie heeft verduidelijkt dat die afwijkingsmogelijkheid berust op de overweging dat niet-betaling van de tegenprestatie in bepaalde omstandigheden en wegens de juridische situatie in de betrokken lidstaat mogelijkerwijs moeilijk te verifiëren of slechts voorlopig is (HvJ 3 juli 1997, Goldsmiths, nr. C 330/95; HvJ 23 november 2017, Di Maura, nr. C 246/16; HvJ 22 februari 2018, T 2, nr. C 396/16; HvJ 8 mei 2019, A-PACK CZ, nr. C-127/18; HvJ 11 juni 2020, SCT, nr. C 146/19). In dit verband heeft het Hof van Justitie geoordeeld dat die afwijkingsmogelijkheid er dan ook enkel toe strekt het de lidstaten mogelijk te maken de onzekerheid over de inning van de verschuldigde bedragen weg te nemen (HvJ 15 oktober 2020, E., nr. C 335/19; HvJ 11 juni 2020, SCT, nr. C 146/19; HvJ 3 maart 2021, FGSZ, nr. C-507/20; HvJ 11 november 2021, ELVOSPOL, nr. C-398/20).
  10. Het Hof van Justitie heeft bij arrest van 11 november 2021, ELVOSPOL, nr. C-398/20, geoordeeld dat met die onzekerheid niet alleen rekening kan worden gehouden door de belastingplichtige zijn recht op verlaging van de maatstaf van heffing te ontzeggen zolang de schuldvordering niet definitief oninbaar is, maar ook door de verlaging toe te staan indien de belastingplichtige aantoont dat het redelijk waarschijnlijk is dat de schuld niet zal worden voldaan, hetgeen onverlet laat dat de maatstaf van heffing kan worden verhoogd wanneer alsnog betaling plaatsvindt.
  11. Volgens de uitleg die het Hof van Justitie van artikel 90, lid 2, Btw-richtlijn geeft, is het de lidstaten aldus toegestaan om te bepalen dat de vordering tot teruggaaf van de belasting ontstaat op het tijdstip waarop het redelijk waarschijnlijk is dat de schuld niet zal worden voldaan.
  12. Artikel 77, § 1, 7°, Btw-wetboek bepaalt dat, onverminderd de toepassing van artikel 334 van de programmawet van 27 december 2004, de belasting die geheven werd van een levering van goederen, van een dienst of van een intracommunautaire verwerving van een goed tot beloop van het passende bedrag wordt teruggegeven wanneer de schuldvordering van de prijs geheel of ten dele verloren is gegaan.
  13. Artikel 3 van het KB nr. 4 van 29 december 1969 met betrekking tot de teruggaven inzake belasting over de toegevoegde waarde, zoals vervangen bij artikel 2 van de wet van 7 april 2005, bepaalt dat de vordering tot teruggaaf ontstaat op het tijdstip waarop de oorzaak van teruggaaf zich voordoet. De vordering tot teruggaaf bedoeld in artikel 77, § 1, 7°, Btw-wetboek ontstaat in geval van faillissement op de datum van het vonnis van faillietverklaring.
  14. Uit de wetsgeschiedenis van de wet van 7 april 2005 blijkt dat de wetgever ervoor geopteerd heeft om in geval van faillissement de vordering tot teruggaaf reeds te laten ontstaan op de datum van het vonnis van faillietverklaring, omdat reeds op dat ogenblik redelijk waarschijnlijk is dat de schuldvordering van de leverancier-belastingplichtige niet zal worden voldaan.
  15. Het subonderdeel dat ervan uitgaat dat artikel 3 van voormeld koninklijk besluit dat de vordering tot teruggaaf in geval van faillissement laat ontstaan op de datum van het vonnis van faillietverklaring, onverenigbaar is met artikel 90 Btw-richtlijn, zoals uitgelegd door het Hof van Justitie, omdat op de datum van het vonnis van faillietverklaring de schuldvordering van de belastingplichtige nog niet definitief oninbaar is, faalt naar recht.
  16. Voor het overige is het subonderdeel afgeleid en bijgevolg niet ontvankelijk. Prejudiciële vraag
  17. Gelet op de vaststaande rechtspraak van het Hof van Justitie wordt de prejudiciële vraag niet gesteld. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiseres tot de kosten. Bepaalt de kosten voor de eiseres op 313,13 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Geert Jocqué, als voorzitter, en de raadsheren Ilse Couwenberg, Sven Mosselmans, Myriam Ghyselen en Michael Traest, en in openbare rechtszitting van 20 juni 2024 uitgesproken door sectievoorzitter Geert Jocqué, in aanwezigheid van advocaat-generaal Johan Van der Fraenen, met bijstand van griffier Elien Van Isterdael. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240620.1N.9 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240620.1N.9 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.