id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 25 juni 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2024:
Art. 37quinquies - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: STRAF - ALGEMEEN.
STRAF EN MAATREGEL. WETTIGHEID Wettelijke bepalingen:
Art. 37q
uinquies - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: ONAANTASTBARE BEOORDELING DOOR DE FEITENRECHTER Wettelijke bepalingen:
Art. 37quinquies - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Tekst van de beslissing Nr.
P.24.0571.N M. L. M. V.H., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. David Frejlich, advocaat bij de balie Antwerpen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de correctionele rechtbank Antwerpen, afdeling Antwerpen, van 23 februari
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. Voorzitter Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het cassatieberoep
- Het bestreden vonnis spreekt de eiser vrij voor het feit omschreven onder de telastlegging J. In zoverre het cassatieberoep gericht is tegen die beslissing, is het bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Eerste middel
- Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet, artikel 65, tweede lid, Strafwetboek, artikel 195 Wetboek van Strafvordering en de artikelen 8.1.1° en volgende Burgerlijk Wetboek, alsmede miskenning van de bewijskracht van akten: het bestreden vonnis wijst ten onrechte het verzoek om toepassing van artikel 65, tweede lid, Strafwetboek af wegens het tijdsverloop tussen de thans beoordeelde feiten en de reeds door de vermelde vonnissen beoordeelde feiten; de vaststelling dat de feiten niet op hetzelfde tijdstip werden gepleegd, belet echter de toepassing van artikel 65, tweede lid, Strafwetboek niet; enkel van belang is de vaststelling dat er sprake is van eenzelfde opzet bij het plegen van de misdrijven; het is zelfs niet vereist dat het om dezelfde feiten gaat; het bestreden vonnis kan niet aannemen dat er sprake is van deels gelijkaardige feiten in dezelfde periode in zowel de huidige zaak als in de vermelde zes vonnissen en toch het verzoek om toepassing van artikel 65, tweede lid, Strafwetboek afwijzen, uitsluitend door te steunen op het tijdsverloop tussen de feiten en op de omstandigheid dat de feiten deels verschillend van aard zijn; het oordeel staat volledig haaks op de beoordeling in de vermelde vonnissen; de besluitvorming strookt geenszins met de stukken van het strafdossier aangezien daaruit geenszins volgt dat onmiskenbaar vaststaat dat er geen sprake is van hetzelfde misdadig opzet; het bestreden vonnis motiveert geenszins dat de eiser steeds opnieuw de bewuste keuze heeft gemaakt om misdrijven te plegen.
- In zoverre het middel de schending aanvoert van artikel 8.1.1° Burgerlijk Wetboek “en volgende”, zonder te specificeren welke bepaling precies geschonden wordt geacht, is het bij gebrek aan nauwkeurigheid niet ontvankelijk.
- Het middel laat na de stukken te identificeren waarvan het bestreden vonnis de bewijskracht miskent. In zoverre is het middel evenzeer bij gebrek aan nauwkeurigheid niet ontvankelijk.
- In zoverre het middel verplicht tot een onderzoek van feiten, waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft, is het niet ontvankelijk.
- De rechter oordeelt onaantastbaar of de voor de toepassing van artikel 65, tweede lid, Strafwetboek vereiste opeenvolgende en voortgezette uitvoering van eenzelfde misdadig opzet voorhanden is en met andere woorden of al die feiten zijn gekenmerkt door eenheid van drijfveer.
- Het tijdsverloop tussen de feiten kan een daarbij in aanmerking te nemen element zijn.
- De omstandigheid dat het feiten betreft die deels beantwoorden aan eenzelfde misdrijfomschrijving en die deels in dezelfde periode zijn gepleegd, verplicht de rechter niet noodzakelijk om aan te nemen dat die feiten met eenzelfde misdadig opzet werden gepleegd.
- Het Hof gaat wel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die op grond daarvan onmogelijk kunnen worden verantwoord.
- In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
- Het bestreden vonnis stelt vast dat de feiten zich over een lange tijdspanne uitstrekken, te weten van 2016 tot 2023 en oordeelt dat de eiser telkens opnieuw de bewuste keuze heeft gemaakt om misdrijven te plegen, die deels gelijklopend, deels verschillend van aard zijn.
- Op grond van die redenen kan het bestreden vonnis wettig oordelen dat geen toepassing kan worden gemaakt van artikel 65, tweede lid, Strafwetboek en is die beslissing regelmatig met redenen omkleed, zonder dat de appelrechters melding moeten maken van de feitelijke gegevens waarop hun oordeel over het telkens opnieuw maken van een bewuste keuze is gebaseerd. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Tweede middel
- Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet, artikel 37quinquies Strafwetboek, artikel 195 Wetboek van Strafvordering en de artikelen 8.1.1° en volgende Burgerlijk Wetboek, alsmede miskenning van de bewijskracht van akten: de afwijzing van het verzoek om een werkstraf is niet naar recht verantwoord en evenmin regelmatig gemotiveerd; de eiser heeft in zijn appelconclusie twee definitieve vonnissen aangehaald die hem tot een werkstraf hebben veroordeeld voor gelijkaardige feiten, gepleegd in eenzelfde periode; die werkstraffen werden zonder problemen uitgevoerd; uit de neergelegde stukken blijkt dat niets een correcte uitvoering van een werkstraf zou belemmeren; het bestreden vonnis stelt vast dat de eiser enorm gemotiveerd is om een werkstraf uit te voeren en alles in het werk heeft gesteld om definitief een streep te trekken onder zijn verleden; het wijst vervolgens eisers verzoek om een werkstraf af op grond van de enkele reden dat hij hardleers is en dat de werkstraf die hem werd opgelegd in 2020 hem niet heeft belet opnieuw gelijkaardige feiten te plegen, zonder de overige stukken in aanmerking te nemen.
- In zoverre het middel de schending aanvoert van artikel 8.1.1° Burgerlijk Wetboek “en volgende”, zonder te specificeren welke bepaling precies geschonden wordt geacht, is het bij gebrek aan nauwkeurigheid niet ontvankelijk.
- De rechter miskent de bewijskracht van een akte indien van een geschrift, waarnaar hij uitdrukkelijk verwijst, een uitlegging geeft die onverenigbaar is met de bewoordingen ervan, met andere woorden wanneer hij de akte doet liegen.
- Het feit dat de rechter stukken van het strafdossier of door een beklaagde ingediende stukken anders beoordeelt dan door die beklaagde gewenst, levert geen miskenning op van de bewijskracht van die stukken. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- De rechter oordeelt onaantastbaar of in het licht van de doelstellingen van de straftoemeting een werkstraf een gepaste strafrechtelijke reactie is op de bewezen verklaarde feiten.
- Een beklaagde kan geen recht op een werkstraf laten gelden, ook niet indien blijkt dat hij de tegen hem in het verleden uitgesproken werkstraffen probleemloos heeft uitgevoerd of dat er prima facie geen redenen zijn om aan te nemen dat hij de werkstraf opnieuw probleemloos zal uitvoeren.
- Bij het beoordelen van het verzoek om een werkstraf kan de rechter in aanmerking nemen dat in het verleden opgelegde werkstraffen de beklaagde niet hebben belet opnieuw strafbare feiten te plegen.
- Indien een beklaagde om een werkstraf heeft verzocht en daarover heeft geconcludeerd met opgave van argumenten, dan volgt uit artikel 37quinquies, § 3, tweede lid, Strafwetboek en artikel 149 Grondwet dat uit de rechterlijke beslissing moet blijken dat, voor zover de straf wettelijk mogelijk is, de rechter het verzoek om een werkstraf en de daartoe aangevoerde argumenten in aanmerking heeft genomen en hij bovendien de redenen vermeldt waarom op dat verzoek niet wordt ingegaan, zodat de beklaagde in staat is de beslissing te begrijpen.
- Niet is vereist dat de rechter ingaat op elk argument dat de beklaagde in zijn conclusie heeft aangevoerd ter ondersteuning van zijn verzoek om een werkstraf uit te spreken.
- In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
- Het bestreden vonnis (randnr. 4.2) stelt vast dat de eiser in ondergeschikte orde om een werkstraf heeft verzocht en vermeldt diverse gegevens betreffende de situatie van de eiser. Het (randnr. 4.5) oordeelt dat een werkstraf niet opportuun is omdat dit geen afdoende streng signaal naar de eiser is, de eiser zeer ernstige feiten heeft begaan, de eiser hardleers is zoals uit zijn strafverleden blijkt en aan de eiser in 2020 voor feiten van rijden zonder verzekering en sturen spijts verval al de gunst van de werkstraf werd verleend, wat hem niet heeft verhinderd om opnieuw gelijkaardige feiten te plegen. Met die redenen is de weigering een werkstraf uit te spreken regelmatig met redenen omkleed en naar recht verantwoord. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Derde middel
- Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en de artikelen 195 en 210 Wetboek van Strafvordering: het bestreden vonnis oordeelt ten onrechte dat er geen reden is om ambtshalve een middel op te werpen met betrekking tot eisers schuld aan de feiten omschreven onder de telastleggingen E en F; de eiser heeft in zijn grievenformulier weliswaar het vakje schuld niet aangeduid, maar hij heeft in zijn appelconclusie op gemotiveerde wijze zijn schuld aan de feiten omschreven onder de telastleggingen E, F en J betwist; de appelrechters werpen met betrekking tot het feit omschreven onder de telastlegging J wel een ambtshalve grief op en spreken de eiser daarvoor vrij, terwijl ze dat zonder enige motivering niet doen voor de telastleggingen E en F en ook eisers argumentatie daarover niet beantwoorden; een overdreven strenge interpretatie van de verplichting grieven te formuleren belemmert de toegang tot de rechter, zoals gewaarborgd door artikel 6 EVRM.
- Indien een appellant in de mogelijkheid is grieven aan te voeren tegen de schuldigverklaring aan bepaalde telastleggingen en dit niet doet en zo aangeeft dat hij niet wenst dat die beslissing behoort tot de saisine van het appelgerecht, dan kan hij niet voorhouden dat zijn recht op toegang tot de rechter is miskend.
- Indien een beklaagde zijn schuldigverklaring aan een bepaald feit niet als beroepsgrief heeft aangevoerd en die grief dus niet behoort tot de saisine van het appelgerecht, moet het appelgerecht het verweer van de beklaagde betreffende die schuldigverklaring niet beantwoorden.
- In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
- Het staat aan het appelgerecht te oordelen of er grond is om bij toepassing van artikel 210, tweede lid, Wetboek van Strafvordering ambtshalve een grief op te werpen.
- Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat het appelgerecht ertoe houden is een dergelijke grief op te werpen. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 97,41 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, de raadsheren Erwin Francis, Eric Van Dooren, Bruno Lietaert en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 25 juni 2024 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240625.2N.12 Gerelateerde publicatie(s) zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251104.2N.9 ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251118.2N.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div