← België

D.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 25 juni 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240625.2N.19 Rolnummer: P.24.0476.N Zaak: D. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Internationaal publiekrecht - Strafrecht Invoerdatum: 2024-06-28 Raadplegingen: 485 - laatst gezien 2026-06-15 07:15 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiches 1 - 2 Uit geen enkele bepaling of algemeen rechtsbeginsel volgt dat de rechter die een verklaring van een getuige, welke door een beklaagde wordt betwist, als geloofwaardig aanneemt en daarop de beslissing over de schuld van die beklaagde steunt of mede steunt, verplicht is die getuige onder eed op de rechtszitting te horen; indien de beklaagde ondubbelzinnig het verhoor van deze getuige onder eed op de rechtszitting vraagt, dient de rechter dit verzoek te toetsen aan de criteria die het Europees Hof voor de Rechten van de Mens uit artikel 6 EVRM heeft afgeleid. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.3 Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.3 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: BEWIJS - STRAFZAKEN - Getuigen Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.3 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Tekst van de beslissing Nr. P.24.0476.N S. D., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Koen Bentein, advocaat bij de balie West-Vlaanderen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de correctionele rechtbank West-Vlaanderen, afdeling Kortrijk, van 23 februari

  1. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Voorzitter Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. I. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
  2. Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM, artikel 149 Grondwet en artikel 195, tweede lid, 3°, Wetboek van Strafvordering, alsook miskenning van het recht van verdediging: het bestreden vonnis beantwoordt eisers verweer betreffende de afwezigheid van het voor vluchtmisdrijf vereiste moreel bestanddeel met een nietszeggende dooddoener; het bestreden vonnis beantwoordt evenmin het verweer van de eiser betreffende de verklaring van de getuige; deze verklaring was voor de appelrechters van doorslaggevend belang om te beslissen tot de schuld van de eiser aan vluchtmisdrijf; de appelrechters hadden gelet op de door de eiser gevoerde betwisting deze getuige onder eed op de rechtszitting moeten horen; daardoor is eisers recht van verdediging miskend; minstens is er twijfel over het moreel bestanddeel voor het vluchtmisdrijf en dit had in het voordeel van de eiser moeten spelen.
  3. De op de rechter rustende verplichting te antwoorden op het in een conclusie ontwikkeld verweer van een beklaagde over zijn schuld aan het hem verweten misdrijf houdt niet in dat de rechter moet ingaan op elk argument dat wordt aangevoerd tot staving van dit verweer, zonder echter zelf een afzonderlijk verweer te vormen.
  4. Uit de omstandigheid dat de rechter feitelijke gegevens anders beoordeelt dan zoals voorgehouden door een beklaagde in zijn conclusie, volgt niet dat de rechter het in die conclusie ontwikkelde verweer niet beantwoordt.
  5. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
  6. Het bestreden vonnis maakt melding van de feitelijke gegevens van de zaak, waaronder de verklaring van de getuige en de foto’s betreffende de schade aan beide voertuigen. Het verklaart het aan de eiser verweten vluchtmisdrijf bewezen waarbij het verwijst naar de vastgestelde schade waaruit blijkt dat de eiser niet onwetend kon zijn over het feit dat hij bij een aanrijding betrokken was, alsook naar de verklaring van de getuige die niet alleen de aanrijding duidelijk hoorde maar ook zag hoe de passagierster na de aanrijding haar hoofd naar buiten stak om naar de schade te kijken. Aldus beantwoorden en verwerpen de appelrechters de door de eiser in zijn conclusie gevoerde betwistingen, zonder dat zij dienden in te gaan op alle feitelijke gegevens die tot staving van die betwistingen werden aangevoerd. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.
  7. Uit geen enkele bepaling of algemeen rechtsbeginsel volgt dat de rechter die een verklaring van een getuige, welke door een beklaagde wordt betwist, als geloofwaardig aanneemt en daarop de beslissing over de schuld van die beklaagde steunt of mede steunt, verplicht is die getuige onder eed op de rechtszitting te horen. Indien de beklaagde ondubbelzinnig het verhoor van deze getuige onder eed op de rechtszitting vraagt, dient de rechter dit verzoek te toetsen aan de criteria die het Europees Hof voor de Rechten van de Mens uit artikel 6 EVRM heeft afgeleid. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  8. Voor het overige komt het middel op tegen de onaantastbare beoordeling van de feiten door de appelrechters en is het niet ontvankelijk. Tweede middel
  9. Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM, artikel 149 Grondwet, artikel 195 Wetboek van Strafvordering en artikel 38, § 1, Wegverkeerswet: de motivering door het bestreden vonnis van het aan de eiser opgelegde effectieve verval van één maand, zijnde een facultatieve straf, is gebrekkig; de eiser had om mildheid verzocht, gewezen op het disproportioneel karakter van de straf in het licht van de specifieke omstandigheden en de beperkte omvang van de aanrijding en gevraagd geen verval op te leggen of het effectief gedeelte ervan minstens te herleiden tot het minimum van acht dagen; de motieven die het bestreden vonnis bevat zijn ofwel standaardmotiveringen, of impliceren dat bij vluchtmisdrijf altijd een verval moet worden opgelegd, of hebben enkel betrekking op de telastlegging B.
  10. Uit de artikelen 163, derde lid, 176 en 195, vijfde en tiende lid, Wetboek van Strafvordering volgt dat indien de politierechtbank, of de correctionele rechtbank rechtszitting houdend in hoger beroep, de bijkomende straf uitspreekt van het verval van het recht tot het besturen van een voertuig, de keuze voor die bijkomende straf en de maat ervan, indien de wetgever die aan de vrije beoordeling van de rechter heeft overgelaten, nauwkeurig moet motiveren, zij het dat die motivering beknopt mag zijn.
  11. Uit artikel 8, § 1, vierde lid, Probatiewet en artikel 195 Wetboek van Strafvordering volgt dat de rechter de weigering om uitstel van tenuitvoerlegging te verlenen nauwkeurig moet motiveren, zij het dat die motivering beknopt mag zijn.
  12. Het bestreden vonnis verwijst ter motivering van de keuze voor de aan de eiser opgelegde straffen en het effectief karakter ervan en dus ook wat betreft het verval naar de ernst van de feiten, de concrete omstandigheden waarin ze werden gepleegd, de vaststelling dat vluchtmisdrijven maatschappelijk niet worden getolereerd en de eiser moet beseffen dat hij bij het veroorzaken van of het betrokken zijn bij een verkeersongeval, ongeacht de omstandigheden zijn verantwoordelijkheid moet opnemen, het strafverleden van de eiser waaruit de staat voor herhaling voor het feit van de telastlegging B blijkt en ten slotte wat werd uiteengezet op de rechtszitting.
  13. In het bestreden vonnis worden onder de rubriek over de schuldvraag de concrete omstandigheden beschreven waarin de feiten werden gepleegd. Daaruit volgt dat de verwijzing naar de ernst van de feiten en de concrete omstandigheden waarin die werden gepleegd geen standaardmotivering is, maar is toegespitst op de aan de eiser verweten feiten.
  14. Uit de overwegingen betreffende het maatschappelijk niet kunnen tolereren van vluchtmisdrijf volgt niet dat de appelrechters oordelen dat bij het door artikel 33, § 1, 1°, Wegverkeerswet bedoelde misdrijf altijd een verval moet worden uitgesproken.
  15. Uit de verwijzing naar de toestand van herhaling van de eiser voor het feit omschreven onder de telastlegging B volgt niet dat de appelrechters dit gegeven niet in aanmerking hebben genomen ter verantwoording van de keuze voor het opleggen van het verval en de duur van dit verval.
  16. In zoverre berust het middel telkens op een onjuiste lezing van het bestreden vonnis en mist het feitelijke grondslag.
  17. Met het geheel van de voormelde redenen motiveert het bestreden vonnis op nauwkeurige wijze de keuze voor de bijkomende straf van het verval, de duur van dit verval en de weigering daarvoor uitstel van tenuitvoerlegging te verlenen. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek
  18. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten Bepaalt de kosten op 71,01 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, de raadsheren Erwin Francis, Eric Van Dooren, Bruno Lietaert en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 25 juni 2024 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240625.2N.19 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.