id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 25 juni 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2024:
Art. 66
- 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: MISDRIJF - DEELNEMING Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 149 - 30 ELI link Pub nr 1994021048
Art. 66- 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART.
100 TOT EINDE) - Artikel 149 Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 149 - 30 ELI link Pub nr 1994021048
Art. 66
- 01 ELI link Pub nr 1867060850 Fiche 7 Indien twee beklaagden aan drie telastleggingen zijn schuldig verklaard en één van hen ook aan een vierde telastlegging, is de hoofdelijke veroordeling van beiden tot alle kosten van de strafvordering overeenkomstig artikel 50 Strafwetboek slechts wettig indien de rechter vaststelt dat al deze kosten zijn veroorzaakt door de telastleggingen waaraan de beide beklaagden werden schuldig verklaard
(1).
(1)Zie Cass. 4 januari 2011, AR P.10.1198.N ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110104.4, AC 2011, nr. 3. Thesaurus CAS: GERECHTSKOSTEN - STRAFZAKEN - Procedure voor de feitenrechter Wettelijke bepalingen:
Art. 50- 01 ELI link Pub nr 1867060850 Tekst van de beslissing Nr.
P.23.1755.N A. G., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Celine Vollemaere, advocaat bij de balie Antwerpen, tegen M. E.M., burgerlijke partij, verweerder. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 7 november
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. Voorzitter Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
- Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM en miskenning van het algemeen rechtsbeginsel houdende eerbiediging van het recht van verdediging: met de afwijzing van eisers verzoek om de persoonlijke verschijning te bevelen van de verweerder, miskennen de appelrechters onherstelbaar eisers recht op een eerlijk proces en zijn recht van verdediging; het arrest wijst dit verzoek af met het oordeel dat er geen redenen zijn om de verweerder in persoon op te roepen omdat de appelrechters niet twijfelen aan het mandaat ad litem van zijn raadsman en een overgelegde afdruk van een e-mail die afkomstig zou zijn van de verweerder daaraan geen afbreuk doet; de eiser heeft niet de mogelijkheid gehad om de verweerder te ondervragen.
- Uit artikel 6 EVRM en het algemeen rechtsbeginsel houdende eerbiediging van het recht van verdediging kan niet worden afgeleid dat de rechter verplicht is in te gaan op het verzoek van een procespartij om de persoonlijke verschijning te bevelen van een andere procespartij teneinde die eerste procespartij de gelegenheid te geven die laatste procespartij te ondervragen over het door haar aan haar raadsman gegeven mandaat. Het middel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht. Tweede middel
- Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 195 Wetboek van Strafvordering: het arrest verklaart de eiser schuldig aan de feiten omschreven onder de telastleggingen A, B en C2 als dader of mededader in de zin van artikel 66 Strafwetboek, maar het laat na in de bewoordingen van artikel 66 Strafwetboek of in gelijkaardige bewoordingen de deelnemingsvorm vast te stellen; de schuldigverklaring van de eiser is dan ook niet naar recht verantwoord.
- Uit artikel 149 Grondwet volgt voor de rechter die een beklaagde schuldig verklaart als deelnemer aan een misdrijf, de verplichting om in de bewoordingen van de artikelen 66 of 67 Strafwetboek of in gelijkaardige bewoordingen de deelnemingsvorm vast te stellen, die hij bewezen acht.
- Voor een veroordeling als dader, zoals bedoeld in het eerste zinsdeel van artikel 66, tweede lid, Strafwetboek, volstaat het nochtans dat de rechter vaststelt dat de beklaagde de constitutieve bestanddelen van het misdrijf in zijn persoon verenigt.
- Het arrest (p. 11) stelt door overname van de redenen van het beroepen vonnis (p. 23-27) uitdrukkelijk of impliciet vast dat de eiser de constitutieve bestanddelen van de onder de telastleggingen A (specifiek voor wat betreft de-I-phone en het geld), B en C2 omschreven misdrijven in zich verenigt en aldus dader is in de zin van artikel 66, eerste lid, eerste zinsdeel, Strafwetboek.
- Met betrekking tot de feiten omschreven onder de telastlegging A (specifiek voor wat betreft de kledij en de sleutel) vermeldt het beroepen vonnis dat de eiser door zijn bijzijn in het bos het slachtoffer wetens en willens mee heeft gedomineerd waarbij hij aldus noodzakelijke hulp heeft verleend aan de medebeklaagde (p. 26, vierde alinea). Met deze overgenomen redenen stelt het arrest in gelijkaardige bewoordingen vast dat de eiser aan dit misdrijf heeft deelgenomen in de zin van artikel 66, derde lid, Strafwetboek.
- De schuldigverklaring van de eiser aan de feiten omschreven onder de telastleggingen A, B en C2 is dan ook regelmatig met redenen omkleed. Het middel mist feitelijke grondslag. Derde middel
- Het middel voert schending aan van artikel 50 Strafwetboek en de artikelen 162, 194 en 211 Wetboek van Strafvordering: het arrest veroordeelt de eiser, die enkel schuldig wordt verklaard aan de feiten omschreven onder de telastleggingen A, B en C2, hoofdelijk met de medebeklaagde tot de betaling van alle kosten van de strafvordering, zonder evenwel vast te stellen dat al die kosten zijn veroorzaakt door de misdrijven die aan de beide beklaagden gemeen zijn.
- Indien twee beklaagden aan drie telastleggingen zijn schuldig verklaard en één van hen ook aan een vierde telastlegging, is de hoofdelijke veroordeling van beiden tot alle kosten van de strafvordering overeenkomstig artikel 50 Strafwetboek slechts wettig indien de rechter vaststelt dat al deze kosten zijn veroorzaakt door de telastleggingen waaraan de beide beklaagden werden schuldig verklaard.
- Het arrest verklaart de eiser en de medebeklaagde schuldig aan de telastleggingen A, B en C2 en de medebeklaagde bovendien ook aan de telastlegging C1 en het veroordeelt hen hoofdelijk tot de kosten van de procedure in eerste aanleg, zonder evenwel vast te stellen dat deze kosten ondeelbaar zijn veroorzaakt door de misdrijven die aan hen gemeen zijn. Die beslissing is niet naar recht verantwoord. Het middel is gegrond. Ambtshalve onderzoek voor het overige
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het de eiser hoofdelijk met de medebeklaagde veroordeelt tot betaling van de kosten van de strafvordering in eerste aanleg. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest. Verwerpt het cassatieberoep voor het overige. Veroordeelt de eiser tot negen tienden van de kosten van zijn cassatieberoep. Houdt de beslissing over de overige kosten aan en laat die over aan de rechter op verwijzing. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, anders samengesteld. Bepaalt de kosten op 384,50 euro waarvan 189,48 euro is verschuldigd. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, de raadsheren Erwin Francis, Eric Van Dooren, Bruno Lietaert en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 25 juni 2024 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240625.2N.29 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110104.4 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211109.2N.1 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231003.2N.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div