← België

B.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 25 juni 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240625.2N.32 Rolnummer: P.24.0904.N Zaak: B. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2024-06-28 Raadplegingen: 598 - laatst gezien 2026-06-15 07:15 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiches 1 - 2 Voorlopige Hechteniswet volgt dat een verzoeker tot voorlopige invrijheidstelling in beginsel het recht heeft om persoonlijk te verschijnen; uit het gegeven dat een verzoeker tot voorlopige invrijheidstelling die, hoewel hij dit wenste, niet persoonlijk is kunnen verschijnen voor de eerste rechter door omstandigheden buiten zijn wil en de eerste rechter bovendien niet heeft vastgesteld dat hij zich niet kon verplaatsen naar de gevangenis, kan geen miskenning van het recht van verdediging van de betrokkene worden afgeleid indien de rechtspleging in hoger beroep voor het appelgerecht regelmatig is verlopen en de betrokkene daar persoonlijk is kunnen verschijnen en dit houdt geen uitholling in van het recht op persoonlijke verschijning. Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - VOORLOPIGE INVRIJHEIDSTELLING Wettelijke bepalingen: Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 27, § 3 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Thesaurus CAS: RECHT VAN VERDEDIGING - STRAFZAKEN Wettelijke bepalingen: Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 27, § 3 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Tekst van de beslissing Nr. P.24.0904.N A. B., beklaagde, verzoeker tot voorlopige invrijheidstelling, eiser, met als raadsman mr. Ward Reniers, advocaat bij de balie Brussel, met kantoor te 1050 Brussel, Louizalaan 54, waar de eiser woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel, correctionele kamer, van 13 juni

  1. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Jos Decoker heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel
  2. Het middel voert schending aan van artikel 27, § 3, Voorlopige Hechteniswet, alsmede miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging: de appelrechters oordelen dat het juist is dat de eerste rechter niet heeft vastgesteld dat hij in de onmogelijkheid verkeerde zich naar de gevangenis te verplaatsen; met die bewoordingen oordelen zij dat de eerste rechter niet correct vaststelde dat de aanwezigheid van de eiser onmogelijk werd gemaakt door een situatie van overmacht; in casu werd de politie niet gecontacteerd, noch werd er getracht een videoconferentie op te starten en verplaatste de eerste rechter zich niet naar de gevangenis, noch werd er vastgesteld waarom de eerste rechter zich niet verplaatste, zodat van overmacht geen sprake kan zijn; de appelrechters hadden dan ook slechts kunnen vaststellen dat de termijn van vijf dagen van artikel 27, § 3, Voorlopige Hechteniswet niet werd nageleefd en dat de eiser in vrijheid diende te worden gesteld; de appelrechters oordelen ten onrechte dat de schending van artikel 27, § 3, Voorlopige Hechteniswet en de miskenning van het recht van verdediging konden worden rechtgezet door de regelmatige procedure in hoger beroep; een dergelijke zienswijze houdt een uitholling in van de Voorlopige Hechteniswet en het recht op persoonlijke verschijning; gelet op de schorsende werking van artikel 30, § 3, tweede lid, Voorlopige Hechteniswet en de devolutieve werking van het hoger beroep zorgt een dergelijke lezing, die contra legem is en ingaat tegen de ratio legis van de wet, ervoor dat er “geen enkele waarborg” meer bestaat voor het recht op persoonlijke aanwezigheid op de rechtszitting in het kader van een verzoek tot voorlopige invrijheidstelling.
  3. Uit artikel 27, § 3, Voorlopige Hechteniswet volgt dat een verzoeker tot voorlopige invrijheidstelling in beginsel het recht heeft om persoonlijk te verschijnen.
  4. Uit het gegeven dat een verzoeker tot voorlopige invrijheidstelling die, hoewel hij dit wenste, niet persoonlijk is kunnen verschijnen voor de eerste rechter door omstandigheden buiten zijn wil en de eerste rechter bovendien niet heeft vastgesteld dat hij zich niet kon verplaatsen naar de gevangenis, kan geen miskenning van het recht van verdediging van de betrokkene worden afgeleid indien de rechtspleging in hoger beroep voor het appelgerecht regelmatig is verlopen en de betrokkene daar persoonlijk is kunnen verschijnen. Dit houdt geen uitholling in van het recht op persoonlijke verschijning. Het middel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht. Ambtshalve onderzoek
  5. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 61,11 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, de raadsheren Erwin Francis, Eric Van Dooren, Bruno Lietaert en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 25 juni 2024 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240625.2N.32 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.