← België

S. contra V.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 25 juni 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240625.2N.7 Rolnummer: P.24.0652.N Zaak: S. contra V. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Internationaal publiekrecht - Strafrecht Invoerdatum: 2024-06-28 Raadplegingen: 536 - laatst gezien 2026-06-15 07:15 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiches 1 - 2 Uit het enkele feit dat de rechter ingaand op een vraag van een beklaagde het openbaar ministerie verzoekt een polygraaftest te laten uitvoeren, volgt niet dat de rechter oordeelt dat de beschikbare dossiergegevens niet toelaten zich een oordeel te vormen over de schuld van de beklaagde, dat het resultaat van die polygraaftest bepalend zal zijn voor de schuldbeoordeling of dat het die indruk wekt. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 BEWIJS - STRAFZAKEN - Bewijslast. Beoordelingsvrijheid Tekst van de beslissing Nr. P.24.0652.N S. S., beklaagde, aangehouden, eiser, met als raadsman mr. Jürgen Millen, advocaat bij de balie Limburg, tegen J. V.E., burgerlijke partij, verweerder. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 29 februari

  1. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Voorzitter Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het cassatieberoep
  2. Het arrest oordeelt dat wat betreft de burgerlijke rechtsvordering van de verweerder de zaak niet in staat is, het heropent het debat om de verweerder toe te laten een stuk bij te brengen en het stelt de behandeling van zijn vordering uit naar een latere rechtszitting. Dat is geen eindbeslissing in de zin van artikel 420, eerste lid, Wetboek van Strafvordering en evenmin een beslissing die valt onder een van de uitzonderingsgevallen van het tweede lid van die bepaling.
  3. In zoverre ook gericht tegen die beslissing, is eisers cassatieberoep wegens voorbarigheid niet ontvankelijk. Middel
  4. Het middel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM en artikel 14.1 IVBPR en miskenning van het recht op een eerlijk proces door een onafhankelijk en onpartijdig rechter: niettegenstaande uit de op vraag van het appelgerecht uitgevoerde polygraaftest geen leugenachtige reacties zijn gebleken bij de eiser, verklaart het arrest de eiser toch schuldig aan het feit omschreven onder de telastlegging A; door die test te laten uitvoeren heeft het appelgerecht bij de eiser de indruk gecreëerd dat de stukken van het dossier niet volstonden voor de schuldbeoordeling en dat het vermoeden van onschuld het uitvoeren van de test noodzakelijk maakte; door niettegenstaande het resultaat van de test toch te beslissen tot eisers schuld wordt zijn recht op een eerlijk proces bestaande in een onafhankelijk en onpartijdig rechter miskend; daaruit volgt dat de appelrechters reeds voor het tussenarrest waarbij om de uitvoering van de polygraaftest werd verzocht, hadden beslist dat de eiser schuldig was aan het feit omschreven onder de telastlegging A; dit wordt bevestigd door het feit dat het resultaat van de polygraaftest en de daarmee verband houdende stukken ervoor hebben gezorgd dat het openbaar ministerie voor het feit omschreven onder de telastlegging A de vrijspraak heeft gevraagd.
  5. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat het openbaar ministerie gelet op het resultaat van de polygraaftest de vrijspraak heeft gevraagd voor het feit omschreven onder de telastlegging A. In zoverre mist het middel feitelijke grondslag.
  6. Uit het enkele feit dat de rechter ingaand op een vraag van een beklaagde het openbaar ministerie verzoekt een polygraaftest te laten uitvoeren, volgt niet dat de rechter oordeelt dat de beschikbare dossiergegevens niet toelaten zich een oordeel te vormen over de schuld van de beklaagde, dat het resultaat van die polygraaftest bepalend zal zijn voor de schuldbeoordeling of dat het die indruk wekt. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  7. Uit geen enkel stuk waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat de appelrechters op enig ogenblik de indruk hebben gewekt dat de schuld van de eiser aan het feit omschreven onder de telastlegging A reeds voor het arrest vaststond. In zoverre mist het middel feitelijke grondslag. Ambtshalve onderzoek
  8. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 110,61 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, de raadsheren Erwin Francis, Eric Van Dooren, Bruno Lietaert en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 25 juni 2024 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240625.2N.7 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.