id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 27 juni 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240627.1N.11 Rolnummer: C.23.0116.N Zaak: ECHHYPPO contra BELGISCHE STAAT fod Financiën Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2024-08-02 Raadplegingen: 599 - laatst gezien 2026-06-15 07:22 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiche De wetgever beoogde met artikel 20 van de wet van 21 februari 2003 tot oprichting van een Dienst voor alimentatievorderingen bij de FOD Financiën, een eenvormige procedure van vereenvoudigd beslag onder derden in te voeren voor de invordering van de alimentatieschuldvorderingen die onder de bevoegdheid van de Dienst voor alimentatievorderingen vallen, gebaseerd op de invorderingsprocedure die geldt inzake btw, inkomstenbelastingen en niet-fiscale schuldvorderingen, zodat voor de schuldvorderingen die onder de toepassing van die wet vallen, de procedure van beslag onder derden in zijn geheel is geregeld in afwijking van de regels van het Gerechtelijk Wetboek en artikel 1389 Gerechtelijk Wetboek, dat voorschrijft welke vermeldingen het beslagexploot op straffe van nietigheid moet bevatten, derhalve niet van toepassing is op een aangetekende brief die wordt verstuurd met toepassing van artikel 20, § 1, van voormelde wet. Thesaurus CAS: BESLAG - GEDWONGEN TENUITVOERLEGGING Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 2 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 1389 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Wet 21 februari 2003 tot oprichting van een Dienst voor alimentatievorderingen bij de FOD Financiën - 21-02-2003 - Art. 20, §§ 1, 3, eerste lid, en 5 - 44 ELI link Pub nr 2003003146 Tekst van de beslissing Nr. C.23.0116.N ECHHYPPO bv, met zetel te 2440 Geel, Sasachtweg 1, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0480.081.506, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1170 Brussel, Terhulpensesteenweg 177 bus 7, waar de eiseres woonplaats kiest, tegen BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kabinet te 1000 Brussel, Wetstraat 12, voor wie optreedt de adviseur-invordering-ontvanger van het Team Invordering Natuurlijke Personen Geel, met kantoor te 2440 Geel, Werft 65, verweerder, vertegenwoordigd door mr. Willy van Eeckhoutte, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 9051 Gent, Drie Koningenstraat 3, waar de verweerder woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 17 oktober
- Raadsheer Ilse Couwenberg heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Els Herregodts heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste onderdeel
- Krachtens artikel 2 Gerechtelijk Wetboek zijn de in dit wetboek gestelde regels van toepassing op alle rechtsplegingen, behoudens wanneer deze worden geregeld door niet uitdrukkelijk opgeheven wetsbepalingen of door rechtsbeginselen, waarvan de toepassing niet verenigbaar is met de toepassing van de bepalingen van dit wetboek.
- Krachtens artikel 20, § 1, van de wet van 21 februari 2003 tot oprichting van een Dienst voor alimentatievorderingen bij de FOD Financiën (hierna Wet van 21 februari 2003), zoals van toepassing, kan de ontvanger, na kennisgeving of betekening van het in artikel 13 bedoelde dwangbevel, bij aangetekende brief uitvoerend beslag onder derden leggen op de aan de onderhoudsplichtige of aan de medeschuldenaar verschuldigde of toebehorende sommen of zaken, tot beloop van het bedrag van de schuldvordering, geheel of gedeeltelijk, dat door de onderhoudsplichtige verschuldigd is of tot betaling van hetgeen waartoe de medeschuldenaar gehouden is. Dit beslag heeft uitwerking vanaf de overhandiging van het stuk aan de geadresseerde. Krachtens artikel 20, § 3, eerste lid, eerste zin, van deze wet, zoals van toepassing, wordt het beslag onder derden eveneens bij aangetekende brief aan de onderhoudsplichtige of medeschuldenaar aangezegd. Krachtens artikel 20, § 5, van deze wet, zoals van toepassing, zijn, onder voorbehoud van het bepaalde in de paragrafen 1, 2 en 3, op dit beslag onder derden de bepalingen toepasselijk van de artikelen 1539, 1540, 1542, eerste en tweede lid, en 1543 Gerechtelijk Wetboek.
- Uit de wetsgeschiedenis van 26 maart 2018 betreffende de versterking van de economische groei en de sociale cohesie blijkt dat de wetgever met het vermelde artikel 20 beoogde een eenvormige procedure van vereenvoudigd beslag onder derden in te voeren voor de invordering van de alimentatieschuldvorderingen die onder de bevoegdheid van de Dienst voor alimentatievorderingen vallen, gebaseerd op de invorderingsprocedure die geldt inzake btw, inkomstenbelastingen en niet-fiscale schuldvorderingen.
- Hieruit volgt dat de wetgever voor de schuldvorderingen die onder de toepassing van de Wet van 21 februari 2003 vallen, de procedure van beslag onder derden in zijn geheel heeft willen regelen, in afwijking van de regels van het Gerechtelijk Wetboek waarnaar niet uitdrukkelijk wordt verwezen. Artikel 1389 Gerechtelijk Wetboek, dat voorschrijft welke vermeldingen het beslagexploot op straffe van nietigheid moet bevatten, is bijgevolg niet van toepassing op de aangetekende brief die wordt verstuurd met toepassing van artikel 20, § 1, Wet van 21 februari
- In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- In zoverre het onderdeel aanvoert dat het op basis van de elementen vermeld in de aangetekende brief van 7 december 2020 niet mogelijk was te achterhalen welk bedrag de onderhoudsplichtige schuldenaar was verschuldigd, vereist het een onderzoek van feiten waarvoor het Hof niet is bevoegd en is het niet ontvankelijk.
- Voor het overige is onderdeel afgeleid en bijgevolg evenmin ontvankelijk. Tweede onderdeel
- De appelrechters stellen vast en oordelen dat: - op 11 januari 2019 door de ontvanger een DAVO-dwangbevel werd uitgevaardigd voor 39.480,19 EUR achterstallige onderhoudsgelden voor echtscheiding, berekend tot 14 mei 2018, 497,38 EUR nalatigheidsinterest berekend tot 11 januari 2019 en 3.933,19 EUR werkingskosten DAVO; - dit dwangbevel op 22 januari 2019 uitvoerbaar werd verklaard en op 1 februari 2019 aan de onderhoudsplichtige werd betekend, met bevel tot onmiddellijke betaling van diezelfde bedragen die opnieuw in dat exploot werden vermeld; - noch de beslagakte noch het dwangbevel op straffe van nietigheid enige referte moest vermelden, en de datum van betekening van het dwangbevel duidelijk was weergegeven in de beslagakte, zodat er geen twijfel over mogelijk was op welke titel het beslag gesteund was; - de aanzegging zelf aan de beslagen schuldenaar evenmin was aangetast door enige formele nietigheid; - het feit dat een beslagakte niet geldig is voor het bedrag dat niet beantwoordt aan een uitvoerbare titel, geenszins uitsluit dat het geldig kan zijn voor het bedrag dat wel degelijk aan een uitvoerbare titel beantwoordt; - het gegeven dat volgens de beslagrechter geen kopie van de beslagakte zou zijn gevoegd bij de aangetekende brief waarmee de aanzegging aan de onderhoudsplichtige geschiedde, de geldigheid van de beslagakte op zich niet aantast. De appelrechters oordelen aldus dat het gegeven dat er geen kopie van de beslagakte werd gevoegd bij de aangetekende brief van aanzegging, geen invloed kan hebben op de geldigheid van de beslagakte, die niet is aangetast door enige formele nietigheid en die voldoende duidelijk verwijst naar de titel waarop het beslag is gebaseerd.
- In zoverre het onderdeel ervan uitgaat dat de appelrechters hun oordeel dat het vereenvoudigd fiscaal derdenbeslag geldig was voor de door de verweerder herleide bedragen, louter baseren op het feit dat de beslagrechter brieven die onder de bescherming van artikel 29 Grondwet vallen, heeft geopend, berust het op een onjuiste lezing van het arrest en mist het bijgevolg feitelijke grondslag.
- In zoverre het onderdeel aanvoert dat de appelrechters oordelen dat geen regelmatig bewijs werd geleverd van het feit dat er geen kopie van de beslagakte was gevoegd bij de aangetekende brief waarmee de aanzegging gebeurde, berust het eveneens op een onjuiste lezing van het arrest en mist het bijgevolg feitelijke grondslag. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiseres tot de kosten. Bepaalt de kosten voor de eiseres op 214,28 euro en op de som van 650 euro rolrecht verschuldigd aan de Belgische Staat. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Koen Mestdagh, als voorzitter, en de raadsheren Bart Wylleman, Ilse Couwenberg, Sven Mosselmans en Myriam Ghyselen, en in openbare rechtszitting van 27 juni 2024 uitgesproken door sectievoorzitter Koen Mestdagh, in aanwezigheid van advocaat-generaal Els Herregodts, met bijstand van griffier Elien Van Isterdael. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240627.1N.11 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div