← België

D. contra WOONINSPECTEUR VAN HET VLAAMS GEWEST

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 27 juni 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240627.1N.9 Rolnummer: C.21.0287.N Zaak: D. contra WOONINSPECTEUR VAN HET VLAAMS GEWEST Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2024-10-18 Raadplegingen: 409 - laatst gezien 2026-06-17 13:00 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240627.1N.9 Fiche In geval de dwangsomrechter een bedrag heeft bepaald waarboven de dwangsom niet meer wordt verbeurd, moeten de verbeurde, maar verjaarde dwangsommen mee in rekening moeten worden gebracht om te bepalen of het gestelde maximumbedrag bereikt is

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: DWANGSOM Wettelijke bepalingen: Benelux-Overeenkomst houdende eenvormige wet betreffende de dwangsom, gedaan te 's Gravenhage op 26 november 1973 - 26-11-1973 - Art. 2 - 32 Link Justel databank 19731126-32 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 1385bis, eerste, derde en vierde lid - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 1385ter - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 1385octies, eerste lid - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Tekst van de beslissing Nr. C.21.0287.N R.D.B., eiser, vertegenwoordigd door mr. Beatrix Vanlerberghe, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187/302, waar de eiser woonplaats kiest, tegen WOONINSPECTEUR VAN HET VLAAMSE GEWEST, met kantoor te 1000 Brussel, Havenlaan 88, bus 22, verweerder, vertegenwoordigd door mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1170 Brussel, Terhulpensesteenweg 177/7, waar de verweerder woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 16 november
  1. Advocaat-generaal Els Herregodts heeft op 15 maart 2022 een schriftelijke conclusie neergelegd. Het Hof heeft bij arrest van 7 april 2022 een prejudiciële vraag gesteld aan het Benelux Gerechtshof. Het Benelux Gerechtshof heeft bij arrest van 6 juli 2023 deze vraag beantwoord. Advocaat-generaal Els Herregodts heeft op 24 mei 2024 een schriftelijke conclusie neergelegd. Raadsheer Sven Mosselmans heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Els Herregodts heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiser voert in zijn verzoekschrift dat is gehecht aan het voormelde arrest van het Hof van 7 april 2022, een middel aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste onderdeel
  2. Krachtens artikel 1385bis, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek, dat overeenstemt met artikel 1, lid 1, van de Eenvormige Beneluxwet betreffende de dwangsom, kan de rechter op vordering van een partij de wederpartij veroordelen tot betaling van een dwangsom voor het geval dat aan de hoofdveroordeling niet wordt voldaan. Krachtens artikel 1385bis, derde lid, Gerechtelijk Wetboek, dat overeenstemt met artikel 1, lid 3, van de Eenvormige Beneluxwet betreffende de dwangsom, kan geen dwangsom worden verbeurd vóór de betekening van de uitspraak waarbij zij is vastgesteld. Krachtens artikel 1385bis, vierde lid, Gerechtelijk Wetboek, dat overeenstemt met artikel 1, lid 4, van de Eenvormige Beneluxwet betreffende de dwangsom, kan de rechter bepalen dat pas na verloop van een zekere termijn dwangsommen kunnen verbeuren. Krachtens artikel 1385ter Gerechtelijk Wetboek, dat overeenstemt met artikel 2 van de Eenvormige Beneluxwet betreffende de dwangsom, kan de rechter de dwangsom vaststellen op hetzij een bedrag ineens hetzij een bedrag per tijdseenheid of per overtreding en, in de laatste twee gevallen, kan de rechter eveneens een bedrag bepalen waarboven geen dwangsom meer wordt verbeurd. Krachtens artikel 1385octies, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek, dat overeenstemt met artikel 7, lid 1, van de Eenvormige Beneluxwet betreffende de dwangsom, verjaart een dwangsom door verloop van zes maanden na de dag waarop zij is verbeurd.
  3. Bij arrest van 7 april 2022 heeft het Hof de volgende prejudiciële vraag gesteld aan het Benelux Gerechtshof: “In geval de dwangsomrechter een bedrag heeft bepaald waarboven de dwangsom niet meer wordt verbeurd, moeten dan de verbeurde, maar verjaarde dwangsommen mee in rekening worden gebracht om te bepalen of het gestelde maximumbedrag van de dwangsom bereikt is?”
  4. Bij arrest nr. A/2022/2 van 6 juli 2023 heeft het Benelux Gerechtshof in antwoord op de gestelde prejudiciële vraag voor recht verklaard dat: “Artikel 2 van de Eenvormige Beneluxwet betreffende de dwangsom dient aldus te worden uitgelegd dat, in geval de dwangsomrechter een bedrag heeft bepaald waarboven de dwangsom niet meer wordt verbeurd, de verbeurde, maar verjaarde dwangsommen mee in rekening worden gebracht om te bepalen of het gestelde maximumbedrag van de dwangsom bereikt is.”
  5. De appelrechters stellen vast en oordelen dat: - bij vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen van 24 maart 2015 aan de eiser het bevel werd opgelegd om aan zeven panden een andere bestemming te geven, dan wel ze te slopen, en dit binnen een termijn van één jaar na de uitspraak, onder verbeurte van een dwangsom van 150 euro per dag vertraging en met een maximum van 75.000 euro per pand; - bij exploot van 30 mei 2016 een eerste bevel werd betekend tot betaling van 57.900,67 euro, waaronder verbeurd verklaarde dwangsommen voor de periode van 24 maart 2016 tot 27 mei 2016, aan 150 euro per dag vertraging tot het herstel van de gebreken in zes van de zeven panden, en diverse uitvoeringskosten; - dit bevel stuitende werking heeft voor wat betreft de verjaring van de dwangsommen waarop het bevel betrekking heeft; - bij exploot van 28 oktober 2016 een tweede bevel werd betekend tot betaling van 75.474,75 euro, waaronder verbeurd verklaarde dwangsommen voor de periode van 24 maart 2016 tot 27 oktober 2016, aan 150 euro per dag vertraging tot het herstel van de gebreken in zes van de zeven panden, “doch beperkt tot het maximum van 75.000 euro”, en diverse uitvoeringskosten; - dit bevel de verjaring van de dwangsommen die zijn verbeurd in de periode van 24 maart 2016 tot 27 oktober 2016 slechts stuit voor een bedrag van 75.000 euro, zelfs wanneer een correcte becijfering aanleiding had kunnen geven tot stuiting van verbeurde dwangsommen ten belope van 195.300 euro; - met het derde bevel van 25 januari 2017 opnieuw de verjaring werd gestuit van de nog niet verjaarde dwangsommen tot en met 27 oktober 2016 (75.000 euro), als van de dwangsommen die nog steeds aan het verbeuren waren zolang de hoofdveroordeling niet voldaan werd; - aldus de verjaring werd gestuit voor 155.100 euro aan verbeurde dwangsommen (75.000 euro + 80.100 euro [89 dagen x 6 x 150 euro]); - telkens binnen een termijn van zes maanden een nieuw stuitend bevel werd betekend met het laatste op 26 mei 2020; - gelet op al de navolgende bevelen die betekend werden na het tweede bevel, de verjaring van de verbeurde dwangsommen uiteindelijk ten belope van hun maximum van 450.000 euro geldig werd gestuit, zelfs wanneer geen stuitende werking wordt toegekend aan het tweede bevel van 27 oktober 2016 voor een hoger bedrag dan 75.000 euro; - het gegeven dat in het tweede bevel ten onrechte gewag werd gemaakt van een beperking tot 75.000 euro, terwijl dat maximum gold per pand, niet heeft kunnen beletten dat het maximum van 450.000 euro nog zou worden bereikt; - de eerste rechter dan ook terecht heeft geoordeeld dat niet-verjaarde dwangsommen ten belope van het maximum van 450.000 euro konden worden aangerekend.
  6. De appelrechters die aldus bij hun beoordeling of het gestelde maximumbedrag van de dwangsom bereikt is, geen rekening houden met de in de periode van 24 maart 2016 tot en met 27 oktober 2016 verbeurde, maar verjaarde dwangsommen, verantwoorden hun beslissing niet naar recht. Het onderdeel is gegrond. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest. Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de zaak naar het hof van beroep te Gent. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Koen Mestdagh, als voorzitter, en de raadsheren Ilse Couwenberg, Sven Mosselmans, Myriam Ghyselen en Michael Traest, en in openbare rechtszitting van 27 juni 2024 uitgesproken door sectievoorzitter Koen Mestdagh, in aanwezigheid van advocaat-generaal Els Herregodts, met bijstand van griffier Elien Van Isterdael. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240627.1N.9 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240627.1N.9 voorafgegaan door: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220407.1N.11 ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20220407.1N.11 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.