← België

PROCUREUR DES KONINGS BIJ SUR BRUSSEL contra A.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 16 juli 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240716.VAK.3 Rolnummer: P.24.0956.N Zaak: PROCUREUR DES KONINGS BIJ SUR BRUSSEL contra A. Kamer: VAK - Vakantiekamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2024-07-19 Raadplegingen: 586 - laatst gezien 2026-06-15 07:20 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiche Verantwoordt zijn beslissing niet naar recht het vonnis dat nalaat een vonnis dat is gegeven voorafgaand aan de 1ste september 2023, in aanmerking te nemen en hierop artikel 16, tweede lid, van de Wet van 29 juni 2021 tot operationalisering van de procedure voor de uitvoering van vrijheidsstraffen van drie jaar of minder toe te passen. Thesaurus CAS: STRAFUITVOERING Wettelijke bepalingen: Wet 29 juni 2021 tot operationalisering van de procedure voor de uitvoering van vrijheidsstraffen van drie jaar of minder - 29-06-2021 - Art. 16, tweede lid - 22 Link Justel databank 20210629-22 Tekst van de beslissing Nr. P.24.0956.N PROCUREUR DES KONINGS TE BRUSSEL, eiser, tegen Y. A., verweerder. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis van de Nederlandstalige strafuitvoeringsrechtbank te Brussel van 21 juni

  1. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Sectievoorzitter Geert Jocqué heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bénédicte Inghels heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel
  2. Het middel voert schending aan van artikel 16, tweede lid, van de Wet van 29 juni 2021 tot operationalisering van de procedure voor de uitvoering van vrijheidsstraffen van drie jaar of minder: het bestreden vonnis heeft bij de beoordeling van het verzoek van Y. A. tot het verkrijgen van elektronisch toezicht ten onrechte nagelaten het vonnis van 24 juni 2022 van de politierechtbank te Vilvoorde in aanmerking te nemen.
  3. Artikel 16, eerste lid, van de Wet van 29 juni 2021 tot operationalisering van de procedure voor de uitvoering van vrijheidsstraffen van drie jaar of minder bepaalt: “Met inachtneming van de datum van inwerkingtreding bedoeld in artikel 17, zijn de bepalingen van de wet van 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten die betrekking hebben op de door de strafuitvoeringsrechter toe te kennen strafuitvoeringsmodaliteiten bepaald in titel V, (…) van toepassing op veroordeelden die uitsluitend een vonnis of arrest uitvoeren voor vrijheidsstraffen van drie jaar of minder, uitgesproken na de inwerkingtreding van deze wet, voor zover deze in kracht van gewijsde zijn getreden, tenzij de veroordeelde schriftelijk verzoekt om toch toepassing te maken van de voormelde bepalingen.” Artikel 16, tweede lid, van dezelfde wet bepaalt: “Ingeval een veroordeelde overeenkomstig het eerste lid, het voorwerp uitmaakt van de toepassing van de voormelde bepalingen en er ten aanzien van hem nadien een straf in uitvoering komt die werd uitgesproken voor de inwerkingtreding van deze wet, voor zover de veroordeling in kracht van gewijsde is getreden, blijven de voormelde bepalingen van toepassing.”
  4. Uit de stukken waarop het Hof acht kan slaan, blijkt dat: - op het ogenblik dat Y. A. zijn verzoek tot het verkrijgen van elektronisch toezicht indiende op 30 april 2024, een eerste veroordeling van 18 december 2023 van de politierechtbank te Vilvoorde, dit is na 1 september 2023, datum van inwerkingtreding van de wet van 17 mei 2006 voor wat betreft straffen van zes maanden tot en met twee jaar, in uitvoering werd gebracht; - nadien een veroordeling die door dezelfde rechtbank op 24 juni 2022 werd uitgesproken, hetzij voor 1 september 2023, in uitvoering werd gebracht; - op 30 april 2024 enkel het vonnis van 18 december 2023 in uitvoering was.
  5. Het bestreden vonnis dat nalaat het vonnis van 24 juni 2022 van de politierechtbank te Vilvoorde in aanmerking te nemen en hierop artikel 16, tweede lid, van de Wet van 29 juni 2021 tot operationalisering van de procedure voor de uitvoering van vrijheidsstraffen van drie jaar of minder toe te passen, verantwoordt zijn beslissing niet naar recht. Het middel is gegrond. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden vonnis. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde vonnis. Houdt de beslissing over de kosten aan en laat die over aan de rechter op verwijzing. Verwijst de zaak naar de strafuitvoeringsrechtbank Antwerpen. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, vakantiekamer, samengesteld uit sectievoorzitter ridder Jean de Codt, als voorzitter, sectievoorzitters Geert Jocqué en Mireille Delange, de raadsheren Ignacio de la Serna en Myriam Ghyselen, en in openbare rechtszitting van 16 juli 2024 uitgesproken door sectievoorzitter ridder Jean de Codt, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bénédicte Inghels, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240716.VAK.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.