id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 06 augustus 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240806.VAK.2 Rolnummer: P.24.1107.N Zaak: B. Kamer: VAK - Vakantiekamer Rechtsgebied: Strafrecht - Overige - Constitutioneel recht Invoerdatum: 2024-10-17 Raadplegingen: 328 - laatst gezien 2026-06-15 07:43 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiche 1 Uit samenlezing van de artikelen 16, eerste lid en 17, tweede lid van de wet van 29 juni 2021 tot operationalisering van de procedure voor de uitvoering van vrijheidsstraffen van drie jaar of minder en artikel 109, tweede lid, Wet Strafuitvoering, volgt dat indien een veroordeelde die één of meer vrijheidsstraffen ondergaat met een uitvoerbaar gedeelte van twee jaar of minder maar zes maanden of meer, de strafuitvoeringsrechter schriftelijk heeft gevraagd hem een in titel V Wet Strafuitvoering bedoelde strafuitvoeringsmodaliteit toe te kennen, de strafuitvoeringsrechter daarover uitspraak moet doen en dit ongeacht of dit uitvoerbaar gedeelte van twee jaar of minder maar zes maanden of meer een gevolg is of mede een gevolg is van een vonnis of arrest dat is uitgesproken na 31 augustus
- Thesaurus CAS: STRAFUITVOERING Wettelijke bepalingen: Wet 29 juni 2021 tot operationalisering van de procedure voor de uitvoering van vrijheidsstraffen van drie jaar of minder - 29-06-2021 - Art. 16, eerste lid - 22 Link Justel databank 20210629-22 Wet 29 juni 2021 tot operationalisering van de procedure voor de uitvoering van vrijheidsstraffen van drie jaar of minder - 29-06-2021 - Art. 17, tweede lid - 22 Link Justel databank 20210629-22 Wet 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten - 17-05-2006 - Art. 109 - 35 ELI link Pub nr 2006009456 Fiches 2 - 4 De strafuitvoeringsrechter omkleedt de beslissing tot afwijzing van een verzoek om een strafuitvoeringsmodaliteit, dat voldoet aan de vorm- en tijdsvoorwaarden, regelmatig met redenen indien hij vaststelt dat minstens één van de in artikel 28, § 1, Wet Strafuitvoering vermelde tegenaanwijzingen aanwezig is en hij de feitelijke gegevens vermeldt voor die vaststelling; niet is vereist dat de strafuitvoeringsrechter voor de vaststelling van de aanwezigheid van de door artikel 28, § 1, Wet Strafuitvoering bedoelde tegenaanwijzingen letterlijk de bewoordingen gebruikt waarin die bepaling die tegenaanwijzingen omschrijft maar wel is het noodzakelijk dat hij ondubbelzinnig vermeldt welke tegenaanwijzing of tegenaanwijzingen aanwezig zijn; wanneer het vonnis niet ondubbelzinnig vaststelt welke van de in artikel 28, § 1, Wet Strafuitvoering bedoelde tegenaanwijzing of tegenaanwijzingen de toekenning van de gevraagde strafuitvoeringsmodaliteiten beletten, is de tot afwijzing van de gevraagde strafuitvoeringsmodaliteit niet naar recht verantwoord. Thesaurus CAS: STRAFUITVOERING Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 149 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Wet 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten - 17-05-2006 - Art. 28, § 1 - 35 ELI link Pub nr 2006009456 Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - GEEN CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 149 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Wet 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten - 17-05-2006 - Art. 28, § 1 - 35 ELI link Pub nr 2006009456 Thesaurus CAS: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART. 100 TOT EINDE) - Artikel 149 Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 149 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Wet 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten - 17-05-2006 - Art. 28, § 1 - 35 ELI link Pub nr 2006009456 Tekst van de beslissing Nr. P.24.1107.N I en II T.R.B., veroordeelde tot vrijheidsstraf, gedetineerd, eiser, met als raadsman mr. Johan Vermeersch, advocaat bij de balie Gent. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep I is gericht tegen het vonnis van de strafuitvoeringsrechter Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, van 5 juli 2024 (nr. 24/2095) dat uitspraak doet over eisers verzoek om toekenning van elektronisch toezicht. Het cassatieberoep II is gericht tegen het vonnis van de strafuitvoeringsrechter Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, van 5 juli 2024 (nr. 24/2096) dat uitspraak doet over eisers verzoek om toekenning van een voorwaardelijke invrijheidstelling. De eiser voert in twee memories die aan dit arrest zijn gehecht, telkens eenzelfde middel aan. Voorzitter Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling (…) Middel
- Het middel voert schending aan van artikel 109 Wet Strafuitvoering: de regeling waarbij de strafuitvoeringsrechter bevoegd is om strafuitvoeringsmodaliteiten toe te kennen aan een veroordeelde met een straftotaal tussen de zes maanden en twee jaar, vereist dat alle straffen zijn uitgesproken na 31 augustus 2023; dat is hier niet het geval aangezien de eiser ook een in 2021 uitgesproken straf uitvoert.
- Artikel 16, eerste lid, van de wet van 29 juni 2021 tot operationalisering van de procedure voor de uitvoering van vrijheidsstraffen van drie jaar of minder schrijft voor dat de bepalingen van de Wet Strafuitvoering die betrekking hebben op de door de strafuitvoeringsrechter toe te kennen strafuitvoeringsmodaliteiten als bedoeld in titel V Wet Strafuitvoering van toepassing zijn op veroordeelden die uitsluitend een vonnis of arrest uitvoeren voor vrijheidsstraffen van drie jaar of minder, uitgesproken na de inwerkingtreding van deze wet, tenzij de veroordeelde schriftelijk verzoekt om toch toepassing te maken van de voormelde bepalingen.
- Uit artikel 17, tweede lid, van de voormelde wet van 29 juni 2021 en artikel 109, tweede lid, Wet Strafuitvoering volgt dat de bepalingen van de Wet Strafuitvoering die betrekking hebben op de door de strafuitvoeringsrechter toe te kennen strafuitvoeringsmodaliteiten als bedoeld in titel V Wet Strafuitvoering aan veroordeelden die één of meer vrijheidsstraffen ondergaan waarvan het uitvoerbaar gedeelte twee jaar of minder maar zes maanden of meer bedraagt op 1 september 2023 in werking zijn getreden.
- Uit het voorgaande volgt dat indien een veroordeelde die één of meer vrijheidsstraffen ondergaat met een uitvoerbaar gedeelte van twee jaar of minder maar zes maanden of meer, de strafuitvoeringsrechter schriftelijk heeft gevraagd hem een in titel V Wet Strafuitvoering bedoelde strafuitvoeringsmodaliteit toe te kennen, de strafuitvoeringsrechter daarover uitspraak moet doen en dit ongeacht of dit uitvoerbaar gedeelte van twee jaar of minder maar zes maanden of meer een gevolg is of mede een gevolg is van een vonnis of arrest dat is uitgesproken na 31 augustus
- In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- De eiser heeft op 4 juni 2024 schriftelijke verzoeken ingediend strekkende tot het verkrijgen van de strafuitvoeringsmodaliteit van het elektronisch toezicht en de voorwaardelijke invrijheidstelling en dit volgens de in artikel 29 Wet Strafuitvoering bedoelde procedure. Derhalve diende de strafuitvoeringsrechter over die verzoeken uitspraak te doen en dit ongeacht dat de straf die de eiser uitvoert, welke twee jaar of minder maar meer dan zes maanden bedraagt, mede is gesteund op een veroordeling van 15 oktober
- In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Ambtshalve middel Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 149 Grondwet en artikel 28, § 1, Wet Strafuitvoering
- De strafuitvoeringsrechter omkleedt de beslissing tot afwijzing van een verzoek om een strafuitvoeringsmodaliteit, dat voldoet aan de vorm- en tijdsvoorwaarden, regelmatig met redenen indien hij vaststelt dat minstens één van de in artikel 28, § 1, Wet Strafuitvoering vermelde tegenaanwijzingen aanwezig is en hij de feitelijke gegevens vermeldt voor die vaststelling.
- Niet is vereist dat de strafuitvoeringsrechter voor de vaststelling van de aanwezigheid van de door artikel 28, § 1, Wet Strafuitvoering bedoelde tegenaanwijzingen letterlijk de bewoordingen gebruikt waarin die bepaling die tegenaanwijzingen omschrijft. Wel is het noodzakelijk dat hij ondubbelzinnig vermeldt welke tegenaanwijzing of tegenaanwijzingen aanwezig zijn.
- De bestreden vonnissen vermelden een aantal feitelijke gegevens betreffende het voorhanden zijn van tegenaanwijzingen. Ze maken melding van het negatief advies van de directeur en van het openbaar ministerie, waarvan de beweegredenen worden overgenomen. Ze oordelen vervolgens dat de eiser eerst een recidivebeperkend reclasseringsplan moet uitwerken en dat door het opleggen van bijzondere voorwaarden nog niet kan worden tegemoet gekomen aan de bestaande tegenaanwijzingen, om vervolgens te beslissen tot de afwijzing van de gevraagde strafuitvoeringsmodaliteiten.
- Aldus stellen de vonnissen niet ondubbelzinnig vast welke van de in artikel 28, § 1, Wet Strafuitvoering bedoelde tegenaanwijzing of tegenaanwijzingen de toekenning van de gevraagde strafuitvoeringsmodaliteiten beletten. De beslissingen tot afwijzing van de verzoeken om elektronisch toezicht en om voorwaardelijke invrijheidstelling zijn niet naar recht verantwoord. Dictum Het Hof, Vernietigt de bestreden vonnissen. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van de vernietigde vonnissen. Houdt de beslissing over de kosten aan en laat die over aan de rechter op verwijzing. Verwijst de zaak naar een andere strafuitvoeringsrechter van de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, vakantiekamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, sectievoorzitter Michel Lemal, de raadsheren Ariane Jacquemin, Maxime Marchandise en Bruno Lietaert, en in openbare rechtszitting van 6 augustus 2024 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Elien Van Isterdael. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240806.VAK.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div