← België

M.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 27 augustus 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240827.VAK.6 Rolnummer: P.24.1257.N Zaak: M. Kamer: VAK - Vakantiekamer Rechtsgebied: Internationaal publiekrecht - Strafrecht - Overige Invoerdatum: 2024-09-05 Raadplegingen: 614 - laatst gezien 2026-06-15 07:25 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiches 1 - 3 Het enkele feit dat hij die van zijn vrijheid is beroofd ter fine van strafvervolging ongemakken ondervindt van zijn opsluiting, maakt die opsluiting nog niet strijdig met artikel 3 EVRM; daarvoor is een minimum aan zwaarwichtigheid vereist

(1).
(1)Cass. 23 januari 2024, AR P.24.0092.N ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240123.2N.16, AC 2024, nr. 63; Zie Cass. 12 januari 2022, AR P.21.0974.F ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220112.2F.5, AC 2022, nr. 27, met concl. van advocaat-generaal D. VANDERMEERSCH, op datum in Pas.; Cass. 20 september 2011, AR P.11.0239.N ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110920.5, AC 2011, nr. 482. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 3 VOORLOPIGE HECHTENIS - HANDHAVING VOORLOPIGE HECHTENIS - VONNISGERECHT Fiches 4 - 6 Een beklaagde in voorlopige hechtenis die voorhoudt dat hij is opgesloten in omstandigheden die strijdig zijn met artikel 3 EVRM, kan door middel van een overeenkomstig artikel 27, § 1, 1°, Voorlopige Hechteniswet ingediend verzoekschrift tot voorlopige invrijheidstelling de rechter vragen zich daarover uit te spreken; deze kan, voor zover een schending van artikel 3 EVRM vaststaat, effectief rechtsherstel verlenen. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 3 Wettelijke bepalingen: Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 27, § 1, 1° - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 3 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - VOORLOPIGE INVRIJHEIDSTELLING Wettelijke bepalingen: Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 27, § 1, 1° - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 3 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Fiches 7 - 9 Opdat de rechter gehouden zou zijn zich over een door de beklaagde voorgehouden schending van artikel 3 EVRM uit te spreken, is vereist dat de beklaagde concrete, nauwkeurige en verifieerbare gegevens aanbrengt ter staving van de door hem voorgehouden schending; algemene, vage en onmogelijk te verifiëren beweringen volstaan daartoe niet. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 3 VOORLOPIGE HECHTENIS - VOORLOPIGE INVRIJHEIDSTELLING VOORLOPIGE HECHTENIS - VONNISGERECHT Fiches 10 - 11 De omstandigheid dat indien een verzoeker voor het Europees Hof voor de Rechten van de Mens verdedigbaar aanvoert dat hij is of was opgesloten in omstandigheden strijdig met artikel 3 EVRM, de bewijslast bij de lidstaat komt te liggen, heeft niet tot gevolg dat indien een beklaagde in het kader van een op grond van artikel 27, § 1, 1°, Voorlopige Hechteniswet ingediend verzoekschrift tot voorlopige invrijheidstelling voorhoudt dat hij is opgesloten in met artikel 3 EVRM strijdige omstandigheden, het openbaar ministerie het tegendeel moet bewijzen. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 3 Wettelijke bepalingen: Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 27, § 1, 1° - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 3 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - HANDHAVING Wettelijke bepalingen: Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 27, § 1, 1° - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 3 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Fiche 12 De omstandigheid dat indien een verzoeker voor het Europees Hof voor de Rechten van de Mens verdedigbaar aanvoert dat hij is of was opgesloten in omstandigheden strijdig met artikel 3 EVRM, de bewijslast bij de lidstaat komt te liggen, heeft niet tot gevolg dat indien een beklaagde in het kader van een op grond van artikel 27, 1, 1°, Voorlopige Hechteniswet ingediend verzoekschrift tot voorlopige invrijheidstelling voorhoudt dat hij is opgesloten in met artikel 3 EVRM strijdige omstandigheden, het openbaar ministerie het tegendeel moet bewijzen. Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - VONNISGERECHT Wettelijke bepalingen: Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 27, § 1, 1° - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 3 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Fiches 13 - 15 Het staat aan de rechter die kennis neemt van een door een beklaagde op grond van artikel 27, § 1, 1°, Voorlopige Hechteniswet ingediend verzoekschrift tot voorlopige invrijheidstelling, onaantastbaar te oordelen of de beklaagde daadwerkelijk is opgesloten in omstandigheden die onverenigbaar zijn met artikel 3 EVRM en in het bijzonder of de vereiste drempel van minimale zwaarwichtigheid is bereikt; bij die beoordeling dient de rechter enkel de door de betrokkene aangevoerde feitelijke omstandigheden te betrekken waaruit die een schending van artikel 3 EVRM afleidt doch niet is vereist dat de rechter bij zijn beoordeling noodzakelijk ook andere opsluitingsomstandigheden betrekt. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 3 Wettelijke bepalingen: Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 27, § 1, 1° - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 3 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - HANDHAVING Wettelijke bepalingen: Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 27, § 1, 1° - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 3 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - VONNISGERECHT Wettelijke bepalingen: Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 27, § 1, 1° - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 3 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Fiches 16 - 19 Het staat aan de rechter om onaantastbaar te oordelen over welke informatie hij dient te beschikken om een door de beklaagde voorgehouden schending van artikel 3 EVRM met kennis van zaken te kunnen beoordelen, waarbij het Hof wel nagaat of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die op grond daarvan onmogelijk kunnen worden verantwoord. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 3 VOORLOPIGE HECHTENIS - HANDHAVING VOORLOPIGE HECHTENIS - VONNISGERECHT REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - ALGEMEEN Fiches 20 - 21 Gelet op de korte termijn waarbinnen de rechter uitspraak moet doen over een verzoek tot voorlopige invrijheidstelling, dient hij het verweer van de beklaagde niet tot in de bijzonderheden te beantwoorden, noch moet hij antwoorden op alle tot staving van dat verweer aangevoerde argumenten die geen zelfstandig verweer uitmaken
(1).
(1)Cass. 7 maart 2023, AR P.23.0287.N ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230307.2N.16, AC 2023, nr. 178; Zie Cass. 14 juni 2022, AR P.22.0760.N ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220614.2N.14, AC 2022, nr.
  1. Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - VONNISGERECHT REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - ALGEMEEN Tekst van de beslissing Nr. P.24.1257.N C. M., beklaagde, aangehouden, eiser, met als raadslieden mr. Christophe Marchand en mr. Crépine Uwashema, beiden advocaat bij de balie Brussel. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 9 augustus
  2. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Raadsheer Steven Van Overbeke heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Els Herregodts heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
  3. Het middel voert schending aan van de artikelen 3 en 13 EVRM, alsmede miskenning van de algemene motiveringsplicht: de afwijzing van eisers verweer over de onverenigbaarheid van zijn detentieomstandigheden met artikel 3 EVRM is gebaseerd op de onnauwkeurige en onvolledige informatie in de nota van de gevangenisdirecteur; er moet nauwkeurige informatie beschikbaar zijn betreffende de celgrootte, het aantal gevangenen per cel, het beddengoed, de sanitaire voorzieningen in de cellen, de hygiëne, de activiteiten buiten de cel, het roken, de verstrekking van medicatie en het aantal stakingen; de nota van de gevangenisdirecteur bevat die informatie niet of onvolledig en bovendien heeft de eiser op de rechtszitting de juistheid ervan betwist; indien een gedetineerde een verdedigbare grief opwerpt betreffende de strijdigheid van zijn detentieomstandigheden met artikel 3 EVRM, wat een omkering van de bewijslast tot gevolg heeft, dan moet er een effectieve controle gebeuren en moet desgevallend een passend en effectief herstel worden verleend; bij afwezigheid van een dergelijk nauwkeurig onderzoek heeft er geen effectieve controle plaatsgevonden.
  4. Krachtens artikel 3 EVRM mag niemand worden onderworpen aan foltering, noch aan onmenselijke of vernederende behandelingen of straffen.
  5. Het enkele feit dat hij die van zijn vrijheid is beroofd ter fine van strafvervolging ongemakken ondervindt van zijn opsluiting, maakt die opsluiting nog niet strijdig met artikel 3 EVRM. Daarvoor is een minimum aan zwaarwichtigheid vereist.
  6. Indien een beklaagde die zich in voorlopige hechtenis bevindt, voorhoudt dat hij is opgesloten in omstandigheden die strijdig zijn met artikel 3 EVRM, kan hij door middel van een overeenkomstig artikel 27, § 1, 1°, Voorlopige Hechteniswet ingediend verzoekschrift tot voorlopige invrijheidstelling de rechter vragen zich daarover uit te spreken. Die rechter kan voor zover een schending van artikel 3 EVRM vaststaat, effectief rechtsherstel verlenen.
  7. Opdat de rechter gehouden zou zijn zich over een door de beklaagde voorgehouden schending van artikel 3 EVRM uit te spreken, is vereist dat de beklaagde concrete, nauwkeurige en verifieerbare gegevens aanbrengt ter staving van de door hem voorgehouden schending. Algemene, vage en onmogelijk te verifiëren beweringen volstaan daartoe niet.
  8. De omstandigheid dat indien een verzoeker voor het Europees Hof voor de Rechten van de Mens verdedigbaar aanvoert dat hij is of was opgesloten in omstandigheden strijdig met artikel 3 EVRM, de bewijslast bij de lidstaat komt te liggen, heeft niet tot gevolg dat indien een beklaagde in het kader van een op grond van artikel 27, § 1, 1°, Voorlopige Hechteniswet ingediend verzoekschrift tot voorlopige invrijheidstelling voorhoudt dat hij is opgesloten in met artikel 3 EVRM strijdige omstandigheden het openbaar ministerie het tegendeel moet bewijzen.
  9. Het staat aan de rechter die kennis neemt van een door een beklaagde op grond van artikel 27, § 1, 1°, Voorlopige Hechteniswet ingediend verzoekschrift tot voorlopige invrijheidstelling onaantastbaar te oordelen of de beklaagde daadwerkelijk is opgesloten in omstandigheden die onverenigbaar zijn met artikel 3 EVRM en in het bijzonder of de vereiste drempel van minimale zwaarwichtigheid is bereikt.
  10. Bij die beoordeling dient de rechter enkel de door de betrokkene aangevoerde feitelijke omstandigheden te betrekken waaruit die een schending van artikel 3 EVRM afleidt. Niet is vereist dat de rechter bij zijn beoordeling noodzakelijk ook andere opsluitingsomstandigheden betrekt.
  11. Het staat eveneens aan de rechter om onaantastbaar te oordelen over welke informatie hij dient te beschikken om het verweer van de beklaagde met kennis van zaken te kunnen beoordelen.
  12. Het Hof gaat wel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die op grond daarvan onmogelijk kunnen worden verantwoord.
  13. Gelet op de korte termijn waarbinnen de rechter uitspraak moet doen over een verzoek tot voorlopige invrijheidstelling, dient hij het verweer van de beklaagde niet tot in de bijzonderheden te beantwoorden, noch moet hij antwoorden op alle tot staving van dat verweer aangevoerde argumenten die geen zelfstandig verweer uitmaken.
  14. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
  15. Het arrest oordeelt met van het beroepen vonnis overgenomen redenen en met eigen redenen onder meer als volgt: - de eiser maakt zijn bewering dat de door hem voorgehouden detentieomstandigheden gevolgen hebben voor zijn gezondheid, slaap en concentratie en dat die een impact hebben op een adequate uitoefening van zijn verdedigingsrechten niet aannemelijk; - uit het geactualiseerde psychologisch verslag van psycholoog B. blijkt niet dat de medische toestand van de eiser is verslechterd; - de eiser maakt geenszins concreet aannemelijk dat zijn detentieomstandigheden van aard zijn en de door hem beschreven ongemakken dermate zwaarwichtig genoeg zijn, dat de detentietoestand in strijd is met artikel 3 EVRM; - voor de eerste rechter was reeds uit de uiteenzetting van de federaal procureur gebleken dat sinds 21 maart 2024 de detentieomstandigheden van de eiser in zijn voordeel waren gewijzigd; - de eiser heeft op de rechtszitting voor de eerste rechter bevestigd dat hij een solo-cel had, met dien verstande dat er af en toe voor een korte periode wel bij hem een medegevangene verbleef; - uit de nota van de gevangenisdirecteur die door de federaal procureur werd neergelegd blijkt dat de eiser sinds 24 maart 2024 alleen op de cel verbleef en enkel van 14 tot 17 juli 2024 een celgenoot had, hij op de wandeling fitnesstoestellen kon gebruiken, er een dagelijkse wandeling was van anderhalf uur en in de zomerperiode om de andere dag ook een avondwandeling en de eiser in juli ook zeven keer gebruik heeft gemaakt van de fitness in de sportzaal; - daaruit volgt dat de eiser, zeker sinds 24 maart 2024, doorgaans een aparte slaapplaats had en hij voldoende mogelijkheden had om te kunnen bewegen, zowel in openlucht als binnen; - er is geen enkele reden om te twijfelen aan de waarachtigheid van de inhoud van de nota van de gevangenisdirecteur, waaromtrent de eiser en zijn raadslieden tegenspraak hebben kunnen voeren; - er kan begrip worden opgebracht voor de bewering van de eiser dat hij het op mentaal en geestelijk vlak heel moeilijk heeft, maar dat is een gegeven dat ongetwijfeld bij veel gedetineerden voorkomt; - de eiser maakt bij afwezigheid van overgelegde stukken of gegevens een verdragsschending op dit punt niet aannemelijk; - bovendien kan de eiser beschikken over medische opvolging in de gevangenis. Op grond van die redenen kan het arrest wettig oordelen dat op basis van wat door de eiser wordt aangevoerd en aannemelijk gemaakt en in het licht van de door de gevangenisdirecteur en het openbaar ministerie verstrekte informatie niet blijkt dat de eiser is opgesloten in omstandigheden strijdig met artikel 3 EVRM. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Tweede middel
  16. Het middel voert schending aan van artikel 5 EVRM, alsmede miskenning van de algemene motiveringsplicht: de beslissing betreffende het onttrekkings-, recidive- en collusiegevaar is gebaseerd op hypothetische risico’s en niet op concrete en actuele elementen die deze gevaren ondersteunen; er moet rekening worden gehouden met alle relevante factoren zoals onder meer het karakter van de betrokkene, zijn actuele handelingen, zijn beroep en zijn vermogen; het arrest motiveert niet waarom de concreet voorgestelde voorwaarden en borgsom onvoldoende garanties bieden voor deze risico‘s; er wordt niet verwezen naar actuele elementen.
  17. De beoordeling in het kader van de handhaving van de voorlopige hechtenis van het recidive-, vlucht- en collusiegevaar houdt noodzakelijkerwijze een inschatting in door de rechter van het gedrag van de betrokkene in de toekomst. Daaruit volgt evenwel niet dat die beoordeling een louter hypothetisch karakter krijgt.
  18. De verplichting het recidive-, vlucht- en collusiegevaar te beoordelen op basis van een precies en geactualiseerd onderzoek, houdt niet in dat de rechter bij de beoordeling van het verzoek om voorlopige invrijheidstelling noodzakelijk nieuwe elementen moet betrekken. De rechter kan zich voor die beoordeling steunen op gegevens die voorheen reeds in aanmerking werden genomen voor de vaststelling van het voorhanden zijn van die gevaren, voor zover hij vaststelt dat die gegevens nog steeds actueel zijn en zijn beslissing over het voorhanden zijn van die gevaren kunnen wettigen.
  19. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  20. Het arrest neemt de redenen van het beroepen vonnis over met betrekking tot het bestaan van een gevaar voor recidive en onttrekking. Het bevat verder zelf een geheel van redenen, die zowel betrekking hebben op de persoon van de eiser en zijn verblijfplaatssituatie, als op de hem verweten handelingen, zoals daartoe aanwijzingen zijn, tot staving van de vaststelling dat er op de datum van het arrest nog steeds een gevaar is voor recidive, onttrekking en collusie. Aldus motiveert het arrest op concrete, geïndividualiseerde en gedetailleerde wijze waarom een invrijheidstelling onder voorwaarden en tegen de betaling van een borgsom deze gevaren niet kan neutraliseren. In zoverre berust het middel op een onjuiste lezing van het arrest en mist het feitelijke grondslag.
  21. Voor het overige komt het middel op tegen het onaantastbare oordeel van de appelrechters over de feiten of verplicht het tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof niet bevoegd is. In zoverre is het middel niet ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek
  22. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 84,21 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, vakantiekamer, samengesteld uit sectievoorzitter Michel Lemal, als voorzitter, de raadsheren Françoise Roggen, Maxime Marchandise, Steven Van Overbeke en Bruno Lietaert, en in openbare rechtszitting van 27 augustus 2024 uitgesproken door sectievoorzitter Michel Lemal, in aanwezigheid van advocaat-generaal Els Herregodts, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240827.VAK.6 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250408.2N.25 precedenten: ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110920.5 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220112.2F.5 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220614.2N.14 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230307.2N.16 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240123.2N.16 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241119.2N.23 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.