← België

E.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 03 september 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240903.2N.15 Rolnummer: P.24.1240.N Zaak: E. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2024-09-05 Raadplegingen: 821 - laatst gezien 2026-06-18 18:56 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiches 1 - 2 Voor de toepassing van de wrakingsgrond van artikel 828, 9°, Gerechtelijk Wetboek is vereist dat het geschil waarover de rechter moet oordelen en het geschil waarover hij raad heeft gegeven, gepleit of geschreven heeft of waarvan hij vroeger kennis heeft genomen, “hetzelfde geschil” uitmaken; indien het niet om hetzelfde geschil gaat, kan deze wrakingsgrond niet van toepassing zijn

(1); indien een strafvervolging is gericht tegen meerdere beklaagden wegens identieke telastleggingen en is gegrond op eenzelfde strafdossier, er wordt beslist de strafvervolging tegen een bepaalde beklaagde af te splitsen van die van de andere beklaagden teneinde die strafvervolging afzonderlijk te behandelen en er vervolgens uitspraak wordt gedaan over de strafvervolging tegen de andere beklaagden, dan vormt die afgesplitste strafvervolging een ander geschil in de zin van artikel 828, 9°, Gerechtelijk Wetboek dan het geschil dat de strafvervolging tegen de andere beklaagden en de uitspraak daarover tot voorwerp heeft; in de hoofdzaak wordt immers enkel geoordeeld over de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van de in die zaak betrokken beklaagden en wordt geen enkele beslissing genomen met betrekking tot de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van de beklaagde in de afgesplitste zaak.
(1)Cass. 22 februari 2022, AR P.22.0139.N ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220222.2N.25-P.22.0149.N, AC 2022, nr. 143, noot A.W. Thesaurus CAS: WRAKING Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 828, 9° - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Thesaurus CAS: RECHTERLIJKE ORGANISATIE - STRAFZAKEN Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 828, 9° - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Fiche 3 Er is wettige verdenking in de zin van artikel 828, 1°, Gerechtelijk Wetboek indien er bij de partijen of de publieke opinie gewettigde twijfel bestaat dat de rechter niet meer in staat is op onafhankelijke en onpartijdige wijze uitspraak te doen; de rechter wordt vermoed tot bewijs van het tegendeel onafhankelijk en onpartijdig te oordelen
(1); het staat aan de rechter die moet oordelen over het verzoek tot wraking of de twijfel die wordt ingeroepen over de geschiktheid van een rechter om onafhankelijk en onpartijdig te oordelen objectief gerechtvaardigd is; bij die beoordeling kan rekening worden gehouden met de overtuiging die een partij op dat vlak heeft, maar dat is geen beslissend criterium; bepalend is of de vrees voor een niet-onafhankelijke en niet-onpartijdige behandeling van de zaak objectief is gerechtvaardigd
(2).
(1)Cass. 29 november 2023, AR P.23.1483.F ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231129.2F.8; AC 2023, nr. 790; Cass. 3 mei 2022, AR P.22.0579.N ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220503.2N.19, AC 2022, nr. 316, met concl. OM; Cass. 15 juni 2021, AR P.21.0145.N ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210615.2N.11, AC 2021, nr. 442; Cass. 28 maart 2017, P.17.0238.N ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170328.8, AC 2017, nr. 223, NC 2017, 288; M.A BEERNAERT, H.D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale, die Keure, 2021, 1917-1922.
(2)Cass. 19 september 2023, AR P.23.1145.N ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230919.2N.11, AC 2023, nr. 577; Cass. 28 februari 2023, AR P.23.0251.N ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230228.2N.19, AC 2023, nr. 156; Cass. 8 november 2022, AR P.22.1380.N ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221108.2N.24, AC 2023, nr. 714; Cass. 3 mei 2022, P.22.0579.N ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220503.2N.19, AC 2022, nr. 316, met concl. OM; Cass. 3 april 2019, P.19.0303.F ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190403.3, AC 2019, nr. 208, met concl. van advocaat-generaal D. VANDERMEERSCH, op datum, in Pas.; Cass. 15 januari 2019, AR P.18.1214.N ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190115.6, AC 2019, nr. 25, NC 2019, 252, RABG 2019, 623; R. DECLERCQ, “Wraking”, in Comm. Sr., Kluwer, 2014, 4-6; C. VAN DEN WYNGAERT, S. VANDROMME en Ph. TRAEST, Strafrecht en strafprocesrecht in hoofdlijnen, Gompel & Svacina, 2022, 733-738. Thesaurus CAS: WRAKING Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 828, 1° - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Fiches 4 - 5 Uit het enkele feit dat de rechter die van een zaak kennis moet nemen, in het verleden reeds een rechtsvraag heeft beoordeeld die relevant is voor de beslechting van de zaak, kan geen objectief gerechtvaardigde vrees voor een niet-onafhankelijke of niet-onpartijdige behandeling van de zaak worden afgeleid; anders oordelen zou impliceren dat elk nationaal of internationaal rechtscollege dat een rechtsvraag beslecht, bij een navolgende zaak waar die rechtsvraag opnieuw aan de orde is, anders zou moeten zijn samengesteld; dat maakt elke ordentelijke rechtsbedeling onmogelijk; of er twijfel bestaat over de geschiktheid van een rechter, die kennis moet nemen van een afgesplitste zaak, om in die zaak objectief gezien onafhankelijk en onpartijdig te oordelen over de gegrondheid van de strafvordering, nadat hij reeds over die gegrondheid van de strafvordering heeft beslist in de hoofdzaak op grond van dezelfde feiten maar betreffende andere beklaagden, wordt onaantastbaar beoordeeld door de rechter die kennis neemt van het wrakingsverzoek; doorslaggevend daarbij is of de rechter zich met de beslissing in de hoofdzaak reeds heeft uitgesproken over de gegrondheid van de strafvordering tegen de beklaagde in de afgesplitste zaak
(1); het Hof gaat wel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die op grond daarvan onmogelijk kunnen worden verantwoord.
(1)F. KUTY, Justice pénale et procès équitable, Larcier, 2023, 401, met verwijzing naar EHRM 10 augustus 2006, Schwarzenberger t/Duitsland en EHRM 16 februari 2021, Meng t/Duitsland, www.echr.coe.int Zie eveneens EHRM 22 april 2010, Fatullayev t/Azerbeidzjan en EHRM, 25 november 2021, Mucha t/Slowakije, www.echr.coe.int Thesaurus CAS: WRAKING Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 828, 1° - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Thesaurus CAS: RECHTERLIJKE ORGANISATIE - STRAFZAKEN Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 828, 1° - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Tekst van de beslissing Nr. P.24.1240.N Z. E. K., verzoeker tot wraking, beklaagde, eiser, met als raadsman Pieterjan Van Muysen, advocaat bij de balie Gent, met kantoor te 9000 Gent, Martelaarslaan 134, waar de eiser woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, burgerlijke kamer, van 23 juli
  1. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Voorzitter Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. VOORGAANDEN
  2. De eiser werd initieel voor de correctionele rechtbank Antwerpen, afdeling Antwerpen (hierna de correctionele rechtbank), vervolgd met andere beklaagden in de zaken gekend onder de notitienummers FD.10.RE.516021-21 en AN.60.F1.50391-22, voor de invoer, de uitvoer en het vervoer van partijen cocaïne in de loop van 2020 (telastleggingen A1 tot en met A8 en B1).
  3. De vervolging van de eiser, alsook die van de beklaagde A.M., werd evenwel afgesplitst van de vervolging van de andere beklaagden.
  4. Bij vonnis van 3 mei 2024 heeft de AC 8-kamer van de correctionele rechtbank uitspraak gedaan in de strafvervolging gekend onder de notitienummers FD.10.RE.516021-21 en AN.60.F1.50391-22 tegen de andere beklaagden. De rechter van wie de wraking thans wordt gevorderd (hierna de rechter) maakte deel uit van de zetel die het vonnis van 3 mei 2024 heeft gewezen.
  5. De AC 8-kamer van de correctionele rechtbank heeft thans te oordelen over de strafvervolging gekend onder de notitienummers FD.10.RE.516021-21 en AN.60.F1.50391-22 tegen de eiser. De rechter maakt deel uit van de zetel die deze zaak moet behandelen.
  6. Op 30 mei 2024 heeft de eiser een verzoek tot wraking van de rechter ingediend. Dit verzoek is gegrond op artikel 828, 1° en 9°, Gerechtelijk Wetboek.
  7. De rechter heeft in haar op 31 mei 2024 opgestelde verklaring aangegeven zich niet te willen onthouden van de behandeling van de zaak.
  8. Het arrest wijst het wrakingsverzoek af als ongegrond. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel Eerste onderdeel
  9. Het onderdeel voert schending aan van artikel 828, 9°, Gerechtelijk Wetboek en miskenning van het begrip “hetzelfde geschil”: het arrest kan niet wettig oordelen dat het geschil dat thans ter beoordeling voorligt van de rechter een ander geschil is dan het geschil dat werd beslecht met het vonnis van 3 mei 2024; het arrest stelt vast dat gelet op de opsplitsing van de telastleggingen tegen de eiser niet samen werden behandeld met die tegen de overige beklaagden, welke werden beoordeeld met het vonnis van 3 mei 2024; het oordeelt vervolgens dat er sprake is van twee aparte procedures met telastleggingen tegen verschillende beklaagden, dat de rechter dan ook geen kennis heeft genomen van hetzelfde geschil als het geschil dat zij thans moet beoordelen, dat het gegeven dat het gaat om eenzelfde strafdossier met dezelfde notitienummers daaraan geen afbreuk doet en dat met het vonnis van 3 mei 2024 geen oordeel wordt geveld over de eiser; er moet evenwel worden vastgesteld dat de rechter in haar verklaring van niet-onthouding zelf aangeeft dat de thans ter beoordeling liggende feiten dezelfde zijn als de feiten die reeds werden beoordeeld met het vonnis van 3 mei 2024, zij het met betrekking tot andere beklaagden; de telastleggingen hebben zowel betrekking op de andere beklaagden als op de eiser; het betreft zoals het arrest vaststelt dezelfde strafdossiers en dus dezelfde stukken; uit het vonnis van 3 mei 2024 blijkt dat met dat vonnis uitspraak wordt gedaan over 1) verschillende procedurele standpunten betreffende de regelmatigheid van het verzamelde bewijs inzake de SKY-ECC-communicatie, 2) de bewezenverklaring van de feiten zelf waardoor geen verweer meer kan worden gevoerd over het gegeven dat de inhoud van deze communicatie niet heeft plaatsgevonden, 3) de kwalificatie waarbij reeds werd geoordeeld dat zich geen herkwalificatie opdringt, 4) de rol en de handelingen van elke betrokkene, waarbij de rol van bepaalde PIN’s werd omschreven, 5) de ernst en de aard van de feiten waarvoor ook de eiser terechtstaat, en 6) de bijzondere verbeurdverklaring en de verwijzing in dat verband naar het verdiende bedrag door de organisator en coördinator, zijnde een rol waarvoor de eiser thans wordt vervolgd; de beoordeling die thans van de rechter wordt gevraagd, moet gebeuren op basis van dezelfde stukken als die welke de grondslag vormden voor de met het vonnis van 3 mei 2024 gemaakte beoordeling.
  10. Voor de toepassing van de wrakingsgrond van artikel 828, 9°, Gerechtelijk Wetboek is vereist dat het geschil waarover de rechter moet oordelen en het geschil waarover hij raad heeft gegeven, gepleit of geschreven heeft of waarvan hij vroeger kennis heeft genomen, “hetzelfde geschil” uitmaken. Indien het niet om hetzelfde geschil gaat, kan deze wrakingsgrond niet van toepassing zijn.
  11. Indien een strafvervolging is gericht tegen meerdere beklaagden wegens identieke telastleggingen en is gegrond op eenzelfde strafdossier, er wordt beslist de strafvervolging tegen een bepaalde beklaagde af te splitsen van die van de andere beklaagden teneinde die strafvervolging afzonderlijk te behandelen en er vervolgens uitspraak wordt gedaan over de strafvervolging tegen de andere beklaagden, dan vormt die afgesplitste strafvervolging een ander geschil in de zin van artikel 828, 9°, Gerechtelijk Wetboek dan het geschil dat de strafvervolging tegen de andere beklaagden en de uitspraak daarover tot voorwerp heeft. In de hoofdzaak wordt immers enkel geoordeeld over de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van de in die zaak betrokken beklaagden en wordt geen enkele beslissing genomen met betrekking tot de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van de beklaagde in de afgesplitste zaak. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  12. Het arrest (p. 5-7, punt 2.2) dat aldus beslist, is naar recht verantwoord. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Tweede onderdeel
  13. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het arrest beantwoordt niet eisers conclusie waar hij heeft aangevoerd dat de toepassing van artikel 828, 9°, Gerechtelijk Wetboek niet vereist dat het om dezelfde partijen gaat, het begrip “hetzelfde geschil” moet betrekking hebben op het te bespreken en de beslechten geschilpunt, dat het vonnis van 3 mei 2024 reeds op algemene wijze de kwalificatie van de feiten heeft beoordeeld en dit dus eenzelfde geschilpunt betreft en dat met dit vonnis het bewezen karakter van de feiten als dusdanig reeds werd beoordeeld ongeacht de toerekening aan bepaalde personen.
  14. Uit artikel 149 Grondwet volgt voor de rechter de verplichting om een in een regelmatig ingediende conclusie ontwikkeld verweer van een partij te beantwoorden. Uit die grondwetsbepaling volgt evenwel niet de verplichting om elk argument dat louter wordt aangevoerd tot staving van een verweer, zonder zelf een afzonderlijk verweer te vormen, te beantwoorden.
  15. Het arrest beantwoordt en verwerpt eisers verweer over het begrip “hetzelfde geschil” in de zin van artikel 828, 9°, Gerechtelijk Wetboek, zonder dat het wat die wrakingsgrond betreft moet ingaan op elk van de door het onderdeel bedoelde argumenten die louter tot staving van dit verweer werden aangevoerd, zonder een afzonderlijk verweer te vormen. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Tweede middel
  16. Het middel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM en artikel 828, 1°, Gerechtelijk Wetboek: anders dan het arrest oordeelt, volstaat het gegeven dat een afgesplitste vervolging een afzonderlijke procedure betreft geenszins om te oordelen dat er geen wettige verdenking is in de zin van artikel 828, 1°, Gerechtelijk Wetboek en artikel 6.1 EVRM, zoals uitgelegd door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens; het arrest kan gelet op de gegevens eigen aan de zaak niet anders dan beslissen dat er wettige verdenking is; de feiten in de afgesplitste zaak zijn immers dezelfde feiten als de feiten in de strafvervolging die aanleiding heeft gegeven tot het vonnis van 3 mei 2024; uit het vonnis van 3 mei 2024 blijkt verder dat met dat vonnis uitspraak wordt gedaan over 1) verschillende procedurele standpunten betreffende de regelmatigheid van het verzamelde bewijs inzake de SKY-ECC-communicatie, 2) de bewezenverklaring van de feiten zelf waardoor geen verweer meer kan worden gevoerd over het gegeven dat de inhoud van deze communicatie niet heeft plaatsgevonden, 3) de kwalificatie waarbij reeds werd geoordeeld dat zich geen herkwalificatie opdringt, 4) de rol en de handelingen van elke betrokkene, waarbij de rol van bepaalde PIN’s werd omschreven, 5) de ernst en de aard van de feiten waarvoor ook de eiser terechtstaat, en 6) de bijzondere verbeurdverklaring en de verwijzing in dat verband naar het verdiende bedrag door de organisator en coördinator, zijnde een rol waarvoor de eiser thans wordt vervolgd; het arrest kan dan ook niet oordelen dat de beslissing over deze geschilpunten geen grond oplevert voor het oordeel dat de onpartijdigheid en objectiviteit van de rechter is aangetast.
  17. Er is wettige verdenking in de zin van artikel 828, 1°, Gerechtelijk Wetboek indien er bij de partijen of de publieke opinie gewettigde twijfel bestaat dat de rechter niet meer in staat is op onafhankelijke en onpartijdige wijze uitspraak te doen.
  18. De rechter wordt vermoed tot bewijs van het tegendeel onafhankelijk en onpartijdig te oordelen.
  19. Het staat aan de rechter die moet oordelen over het verzoek tot wraking of de twijfel die wordt ingeroepen over de geschiktheid van een rechter om onafhankelijk en onpartijdig te oordelen objectief gerechtvaardigd is. Bij die beoordeling kan rekening worden gehouden met de overtuiging die een partij op dat vlak heeft, maar dat is geen beslissend criterium. Bepalend is of de vrees voor een niet-onafhankelijke en niet-onpartijdige behandeling van de zaak objectief is gerechtvaardigd.
  20. Uit het enkele feit dat de rechter die van een zaak kennis moet nemen, in het verleden reeds een rechtsvraag heeft beoordeeld die relevant is voor de beslechting van de zaak, kan geen objectief gerechtvaardigde vrees voor een niet-onafhankelijke of niet-onpartijdige behandeling van de zaak worden afgeleid. Anders oordelen zou impliceren dat elk nationaal of internationaal rechtscollege dat een rechtsvraag beslecht, bij een navolgende zaak waar die rechtsvraag opnieuw aan de orde is, anders zou moeten zijn samengesteld. Dat maakt elke ordentelijke rechtsbedeling onmogelijk.
  21. Of er twijfel bestaat over de geschiktheid van een rechter, die kennis moet nemen van een afgesplitste zaak, om in die zaak objectief gezien onafhankelijk en onpartijdig te oordelen over de gegrondheid van de strafvordering, nadat hij reeds over die gegrondheid van de strafvordering heeft beslist in de hoofdzaak op grond van dezelfde feiten maar betreffende andere beklaagden, wordt onaantastbaar beoordeeld door de rechter die kennis neemt van het wrakingsverzoek. Doorslaggevend daarbij is of de rechter zich met de beslissing in de hoofdzaak reeds heeft uitgesproken over de gegrondheid van de strafvordering tegen de beklaagde in de afgesplitste zaak.
  22. Het Hof gaat wel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die op grond daarvan onmogelijk kunnen worden verantwoord.
  23. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
  24. Het arrest oordeelt als volgt: - de door de eiser aangevoerde elementen betreffende wat reeds zou zijn beslist met het vonnis van 3 mei 2024 volstaan niet om aan te nemen dat de rechter niet meer in staat zou zijn om op onafhankelijke en onpartijdige wijze uitspraak te doen in de hangende strafzaak noch om aan te nemen dat er gewettigde twijfel kan bestaan over de geschiktheid van de rechter om op die wijze uitspraak te doen over deze hangende zaak; - het feit dat de rechter op basis van hetzelfde strafdossier reeds uitspraken heeft gedaan over het bewezen zijn van de feiten, de kwalificatie ervan en de daaraan gekoppelde straffen ten aanzien van andere beklaagden, leidt niet tot een objectief gerechtvaardigde twijfel dat die rechter niet meer met de vereiste objectiviteit, onpartijdigheid en onafhankelijkheid zal kunnen oordelen over de specifieke feiten en telastleggingen tegen de eiser en door hem nog te ontwikkelen middelen; - het feit dat de rechter in het vonnis van 3 mei 2024 reeds heeft geoordeeld over de bewijswaarde van bepaalde elementen betreffende andere beklaagden, leidt niet tot de objectief gerechtvaardigde twijfel dat die rechter niet meer met de vereiste objectiviteit, onpartijdigheid en onafhankelijkheid over deze bewijselementen zal kunnen oordelen in de zaak tegenover de eiser; - in het vonnis van 3 mei 2024 heeft de rechter geen standpunt ingenomen dat vooruitloopt op de beoordeling van de schuldvraag betreffende de eiser, waarbij moet worden opgemerkt dat de eiser niet werd geïdentificeerd als de gebruiker van de erin vermelde PIN-codes. Op grond van die redenen kan het arrest wettig oordelen dat de twijfel die de eiser uit betreffende de geschiktheid van de rechter om op onafhankelijke en onpartijdige wijze de afgesplitste zaak tegen de eiser te beoordelen, objectief niet gerechtvaardigd is. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek
  25. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 47,91 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Erwin Francis, Steven Van Overbeke en Bruno Lietaert, en in openbare rechtszitting van 3 september 2024 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240903.2N.15 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170328.8 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190115.6 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190403.3 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210615.2N.11 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220222.2N.25 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220503.2N.19 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221108.2N.24 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230228.2N.19 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230919.2N.11 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231129.2F.8 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251118.2N.22 ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251216.2N.27 ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251216.2N.33 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.