← België

T.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 03 september 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:

Art. 187

, § 1 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Wettelijke bepalingen: Wetboek

Art. 187

, § 1 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Fiches 3 - 4 De mogelijke onregelmatigheid van de kennisgeving aan de veroordeelde bij toepassing van artikel 40, vierde lid, Wegverkeerswet betreffende het uitgesproken verval van het recht tot sturen, kan geen afbreuk doen aan de onontvankelijkheid van het verzet, die voortvloeit uit het gegeven dat een veroordeelde aan wie de verstekbeslissing in persoon werd betekend en met mededeling van de wijze waarop een rechtsmiddel kan worden aangewend, verzet heeft aangetekend buiten de termijn van vijftien na de betekening in persoon

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: VERZET Wettelijke bepalingen: Wetboek

Art. 187

, § 1 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 40, derde lid - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Thesaurus CAS: WEGVERKEER - WEGVERKEERSWET - WETSBEPALINGEN - Artikel 40 Wettelijke bepalingen: Wetboek

Art. 187

, § 1 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 40, derde lid - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Tekst van de beslissing Nr. P.24.0811.N M. T., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. David Frejlich, advocaat bij de balie Antwerpen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de correctionele rechtbank Antwerpen, afdeling Antwerpen, van 19 januari

  1. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Op 14 augustus 2024 heeft advocaat-generaal Bart De Smet een schriftelijke conclusie neergelegd ter griffie van het Hof. Op de rechtszitting van 3 september 2024 heeft voorzitter Filip Van Volsem verslag uitgebracht en heeft de voormelde advocaat-generaal geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel
  2. Het eerste onderdeel voert schending aan van artikel 6 EVRM, de artikelen 10, 11 en 149 Grondwet, artikel 187, § 1, Wetboek van Strafvordering en artikel 40 Wegverkeerswet: het bestreden vonnis verklaart eisers verzet ten onrechte onontvankelijk wegens laattijdigheid; het bestreden vonnis kan niet oordelen dat de eiser met de kennisgeving van het verval van het recht tot sturen in kennis werd gesteld van de mogelijkheid van buitengewoon verzet en dat die kennisgeving niet misleidend is; in die kennisgeving wordt immers aangegeven dat het vonnis definitief is, wat betekent dat het onherroepelijk is; de mededeling betreffende het definitief karakter is niet enkel misleidend maar ook strijdig met de navolgende vermelding van een recht op verzet; een dergelijke kennisgeving voldoet niet aan de vereisten die het Europees Hof voor de rechten van de mens uit artikel 6 EVRM heeft afgeleid betreffende de toegang tot de rechter en het verstrekken van betrouwbare informatie over de aan te wenden rechtsmiddelen. Het tweede onderdeel voert schending aan van artikel 6 EVRM, de artikelen 10, 11 en 149 Grondwet, artikel 187, § 1, Wetboek van Strafvordering en artikel 40 Wegverkeerswet: het bestreden vonnis kan niet oordelen dat de termijn voor verzet is beginnen lopen vanaf de kennisgeving van het verval van het recht tot sturen, terwijl de eiser op dat ogenblik nog niet in kennis werd gesteld van de inhoud van het vonnis waarbij dit verval werd opgelegd; de termijn om een rechtsmiddel aan te wenden kan maar beginnen lopen vanaf het ogenblik dat de betrokkene effectief kennis heeft van de beslissing waarbij hij een rechtsmiddel wil aanwenden.
  3. Uit artikel 187, § 1, eerste en tweede lid, Wetboek van Strafvordering volgt dat, ingeval een verstekbeslissing, in persoon werd betekend aan de veroordeelde, die over een termijn van vijftien dagen beschikt om verzet aan te tekenen tegen de verstekbeslissing.
  4. Een verzet dat door de veroordeelde is ingesteld na het verstrijken van die termijn van vijftien dagen is wegens laattijdigheid niet ontvankelijk, voor zover de veroordeelde bij die betekening in kennis werd gesteld van de termijnen en de vormen om tegen de verstekbeslissing een rechtsmiddel aan te wenden.
  5. De mogelijke onregelmatigheid van de kennisgeving aan de veroordeelde bij toepassing van artikel 40, vierde lid, Wegverkeerswet betreffende het uitgesproken verval van het recht tot sturen, kan geen afbreuk doen aan de onontvankelijkheid van het verzet, die voortvloeit uit het gegeven dat een veroordeelde aan wie de verstekbeslissing in persoon werd betekend en met mededeling van de wijze waarop een rechtsmiddel kan worden aangewend, verzet heeft aangetekend buiten de termijn van vijftien na de betekening in persoon.
  6. Het bestreden vonnis (p. 4, eerste alinea) stelt vast dat het verstekvonnis van 24 maart 2022 op 11 juni 2022 regelmatig aan de eiser in persoon werd betekend en dat uit het exploot blijkt dat de eiser de kennisgeving heeft ontvangen betreffende de rechten van de persoon die in België bij verstek is veroordeeld, zodat hij reeds op 11 juni 2022 voldoende duidelijk werd geïnformeerd over de wijze en de termijnen om rechtsmiddelen aan te wenden.
  7. Daaruit volgt dat de met het middel aangevoerde kritiek die betrekking heeft op de door artikel 40, vierde lid, Wegverkeerswet bedoelde kennisgeving niet tot cassatie kan leiden en het middel bijgevolg bij gebrek aan belang niet ontvankelijk is. Ambtshalve onderzoek
  8. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 64,41 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Erwin Francis, Steven Van Overbeke en Bruno Lietaert, en in openbare rechtszitting van 3 september 2024 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240903.2N.16 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240903.2N.16 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.