id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 03 september 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240903.2N.19 Rolnummer: P.24.1273.N Zaak: V. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Internationaal publiekrecht Invoerdatum: 2024-09-05 Raadplegingen: 620 - laatst gezien 2026-06-19 03:09 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiches 1 - 2 Uit geen enkele wettelijke of verdragsrechtelijke bepaling kan worden afgeleid dat na het verstrijken van de termijn van vijftien dagen, bedoeld in artikel 14, § 4, Wet Europees Aanhoudingsbevel, de kamer van inbeschuldigingstelling geen uitspraak meer kan doen over de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel of het overleveringsverzoek. Thesaurus CAS: EUROPEES AANHOUDINGSBEVEL Wettelijke bepalingen: Wet 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingsbevel - 19-12-2003 - Art. 14, § 4 - 32 ELI link Pub nr 2003009950 Thesaurus CAS: ONDERZOEKSGERECHTEN Wettelijke bepalingen: Wet 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingsbevel - 19-12-2003 - Art. 14, § 4 - 32 ELI link Pub nr 2003009950 Fiches 3 - 5 De miskenning van het recht op de behandeling binnen een redelijke termijn van de gegrondheid van een strafvervolging kan slechts worden beoordeeld door een nationale instantie die kennis neemt van die strafvervolging; het onderzoeksgerecht dat moet oordelen over de tenuitvoerlegging van een overleveringsverzoek volgens de bepalingen van de Wet Europees Aanhoudingsbevel kan daarover niet oordelen, aangezien de strafvervolging in dat geval enkel aanhangig is bij de gerechten van de uitvaardigende Staat, die als enige rechtsmacht hebben om hierover te oordelen
(1).
(1)Cass. 28 november 2023, AR P.23.1584.N ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231128.2N.19, AC 2023, nr. 786; Cass. 10 augustus 2016, AR P.16.0889.N ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160810.1, AC 2016, nr. 443; Cass. 10 januari 2012, AR P.12.0024.N ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120110.6, AC 2012, nr. 21, NC 2012, 306 noot S. DEWULF; J. VAN GAEVER, Het Europees aanhoudingsbevel in de praktijk, Kluwer, 2013, 102; M.-A. BEERNAERT, H.D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale, die Keure, 2021,
- Thesaurus CAS: EUROPEES AANHOUDINGSBEVEL Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingsbevel - 19-12-2003 - Art. 4, 5° - 32 ELI link Pub nr 2003009950 Thesaurus CAS: ONDERZOEKSGERECHTEN Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingsbevel - 19-12-2003 - Art. 4, 5° - 32 ELI link Pub nr 2003009950 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingsbevel - 19-12-2003 - Art. 4, 5° - 32 ELI link Pub nr 2003009950 Tekst van de beslissing Nr. P.24.1273.N P. V., persoon voor wie een overleveringsverzoek door het Verenigd Koninkrijk is ingediend, eiser, met als raadsman mr. Michel Lievens, advocaat bij de balie West-Vlaanderen, met kantoor te 8400 Oostende, Kerkstraat 38, waar de eiser woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, kamer van inbeschuldigingstelling, van 20 augustus
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vijf middelen aan. Raadsheer Steven Van Overbeke heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
- Het middel voert schending aan van artikel 14, § 4, Wet Europees Aanhoudingsbevel: het oordeel dat het overleveringsverzoek tegen de eiser uitvoerbaar moet worden verklaard, is niet naar recht verantwoord; de kamer van inbeschuldigingstelling die oordeelt over het hoger beroep van het openbaar ministerie tegen een beslissing van niet-tenuitvoerlegging van de onderzoeksrechter, dient binnen vijftien dagen na het instellen van dat hoger beroep uitspraak te doen; het openbaar ministerie tekende op 18 juni 2024 hoger beroep aan tegen de op diezelfde datum gewezen beslissing van niet-tenuitvoerlegging van de onderzoeksrechter en nam pas op 16 juli 2024 een schriftelijke vordering voor de kamer van inbeschuldigingstelling; het op 20 augustus 2024 gewezen arrest is dan ook onwettig.
- Uit geen enkele wettelijke of verdragsrechtelijke bepaling kan worden afgeleid dat na het verstrijken van de termijn van vijftien dagen, bedoeld in artikel 14, § 4, Wet Europees Aanhoudingsbevel, de kamer van inbeschuldigingstelling geen uitspraak meer kan doen over de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel of het overleveringsverzoek. Het middel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht. Tweede middel
- Het middel voert schending aan van de artikelen 5 en 6 EVRM, artikel 6 VEU, artikel 47 Handvest Grondrechten EU en artikel 4, 5°, Wet Europees Aanhoudingsbevel: met het oordeel dat het niet aan de kamer van inbeschuldigingstelling toekomt om de eventuele overschrijding van de redelijke termijn te beoordelen, verantwoordt het arrest de uitvoerbaarverklaring van het overleveringsverzoek tegen de eiser niet naar recht; het arrest oordeelt ten onrechte dat het de fundamentele rechten slechts marginaal mag toetsen; de kamer van inbeschuldigingstelling, die wel degelijk een ruimere toetsing vermocht uit te voeren dan een louter marginale toetsing, toetst helemaal niet aan het criterium van de redelijke termijn; ook de onderzoeksrechter had in zijn beslissing van niet-tenuitvoerlegging geoordeeld dat de beweerde feiten dateren van 27 juni 2016 en de vervolgende autoriteiten in het Verenigd Koninkrijk bijgevolg reeds meer dan voldoende tijd hebben gehad om bewijzen te verzamelen; ten onrechte oordeelt het arrest dat het deze toets niet kan uitvoeren; de eiser werd in 2022 in het Verenigd Koninkrijk gearresteerd maar werd toen na enkele dagen in vrijheid gesteld omdat er geen redenen waren om hem verder aan te houden; pas in 2024 werd, zonder enige aanwijsbare reden, om zijn overlevering verzocht, waarbij zelfs de meest marginale toetsing aantoont dat dit in strijd is met een strafvervolging binnen een redelijke termijn; een strafvervolging die thans al meer dan acht jaar op zich laat wachten, kan onmogelijk de tenuitvoerlegging van een overleveringsverzoek rechtvaardigen; de eiser kan zich bovendien onmogelijk nog correct verdedigen.
- De miskenning van het recht op de behandeling binnen een redelijke termijn van de gegrondheid van een strafvervolging kan slechts worden beoordeeld door een nationale instantie die kennis neemt van die strafvervolging. Het onderzoeksgerecht dat moet oordelen over de tenuitvoerlegging van een overleveringsverzoek volgens de bepalingen van de Wet Europees Aanhoudingsbevel kan daarover niet oordelen, aangezien de strafvervolging in dat geval enkel aanhangig is bij de gerechten van de uitvaardigende Staat, die als enige rechtsmacht hebben om hierover te oordelen. Uit de in het middel aangehaalde bepalingen kan het tegendeel niet worden afgeleid. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- Uit de loutere omstandigheid dat de feiten op grond waarvan de overlevering wordt verzocht, dateren van meer dan acht jaar geleden en na zes jaar door de vervolgende autoriteiten in de uitvaardigende Staat werd vastgesteld dat er toen geen redenen waren om de betrokkene hiervoor in hechtenis te houden, kan niet worden afgeleid dat de tenuitvoerlegging van de overlevering moet worden geweigerd. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Derde middel
- Het middel voert schending aan van de artikelen 5 en 6 EVRM, artikel 6 VEU, de artikelen 47 en 48 Handvest Grondrechten EU, artikel 12 Grondwet en artikel 4, 5°, Wet Europees Aanhoudingsbevel: door niet te onderzoeken of een eerlijke procesvoering nog mogelijk is, verantwoordt het arrest de uitvoerbaarverklaring van het overleveringsverzoek tegen de eiser niet naar recht; de eiser kreeg pas in 2022, na een blijkbaar pas in 2020 ingediende klacht, kennis van feiten die zich in 2016 zouden hebben voorgedaan, waardoor het voor hem onmogelijk is om zijn onschuld nog aan te tonen of technisch bewijs met betrekking tot gsm-berichten op te vragen; in 2022 werd hij in vrijheid gesteld omdat er volgens de vervolgende autoriteiten in het Verenigd Koninkrijk geen redenen waren om hem verder aan te houden; de kamer van inbeschuldigingstelling had derhalve moeten nagaan of de overlevering wel zou toelaten dat de eiser nog zijn recht van verdediging kan uitoefenen.
- Het middel is volledig afgeleid uit de in het tweede middel vergeefs aangevoerde grief en is bijgevolg niet ontvankelijk. Vierde middel
- Het middel voert schending aan van de artikelen 5 en 6 EVRM, artikel 6 VEU, de artikelen 47 en 48 Handvest Grondrechten EU, artikel 12 Grondwet en artikel 15 Wet Europees Aanhoudingsbevel: door vooraf geen aanvullende informatie op te vragen die zou aantonen dat aan de eiser het recht op een eerlijk proces zal worden gegarandeerd, verantwoordt het arrest de uitvoerbaarverklaring van het overleveringsverzoek tegen de eiser niet naar recht; in tegenstelling tot wat het openbaar ministerie in zijn schriftelijke vordering voorhoudt, heeft de eiser zich nooit verzet tegen een verhoor of enige andere onderzoeksdaad en werd hij nooit tijdig in kennis gesteld van een telastlegging tegen hem; de kamer van inbeschuldigingstelling had minstens aanvullend navraag moeten doen naar bewijsgegevens dienaangaande, alsook naar nieuwe elementen die een aanhouding zouden kunnen verantwoorden; door dat niet te doen, wordt de kans op een eerlijke procesvoering onbestaande; door geen aanvullende informatie op te vragen omtrent de potentiële medische gevolgen die de tenuitvoerlegging van de overlevering, gelet op het voorgelegde medisch attest, met zich kan brengen, miskent het arrest ook het verbod op een onmenselijke behandeling.
- In zoverre het middel is afgeleid uit de in het tweede en het derde middel vergeefs aangevoerde grieven, is het niet ontvankelijk.
- Voor het overige komt het middel op tegen het onaantastbare oordeel van de kamer van inbeschuldigingstelling over de feiten of verplicht het tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof niet bevoegd is. In zoverre is het middel eveneens niet ontvankelijk. Vijfde middel
- Het middel voert schending aan van de artikelen 5 en 6 EVRM, artikel 6 VEU, de artikelen 47 en 48 Handvest Grondrechten EU, artikel 12 Grondwet en artikel 12 Wet Europees Aanhoudingsbevel: zeker in een situatie waarbij een marginale toetsing aantoont dat de tenuitvoerlegging van de overlevering strijdig is met de fundamentele rechten, is een eenvoudige en bijna slaafse tenuitvoerlegging van het overleveringsverzoek strijdig met de wettelijke mogelijkheden om de eiser voorafgaandelijk in België en volgens Belgisch recht te doen horen.
- Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat de uitvaardigende rechterlijke autoriteit heeft verzocht dat de eiser in België werd gehoord in aanwezigheid van een persoon die daartoe door de uitvaardigende rechterlijke autoriteit werd aangewezen bij toepassing van artikel 12, § 2, Wet Europees Aanhoudingsbevel, zoals hersteld door artikel 99 van de wet van 15 mei 2024 houdende bepalingen inzake digitalisering van justitie en diverse bepalingen. Het middel mist feitelijke grondslag. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 87,51 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Erwin Francis, Steven Van Overbeke en Bruno Lietaert, en in openbare rechtszitting van 3 september 2024 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240903.2N.19 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120110.6 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160810.1 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231128.2N.19 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div