← België

R.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 03 september 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240903.2N.21 Rolnummer: P.23.1094.N Zaak: R. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2024-09-05 Raadplegingen: 520 - laatst gezien 2026-06-17 11:21 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiche 1 Artikel 4.1.1, 3°, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening bepaalt dat onder een constructie moet worden verstaan een gebouw, een bouwwerk, een vaste inrichting, een verharding, al dan niet bestaande uit duurzame materialen, in de grond ingebouwd, aan de grond bevestigd of op de grond steunend omwille van de stabiliteit, en bestemd om ter plaatse te blijven staan of liggen, ook al kan het goed uit elkaar genomen worden, verplaatst worden, of is het goed volledig ondergronds; een woonwagen die wordt verbouwd en omgevormd tot een woning, op de grond steunt omwille van de stabiliteit en bedoeld is om ter plaatse te blijven staan, houdt een constructie in zoals bedoeld in die bepaling, zodat het optrekken of plaatsen van een dergelijke constructie onderworpen is aan de vergunningsplicht bij toepassing van artikel 4.2.1.1°, a, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening; op een dergelijke constructie is de in artikel 8.5 Vrijstellingsbesluit bepaalde vrijstelling van de vergunningsplicht, die slechts geldt voor woongelegenheden die worden gekenmerkt door hun flexibiliteit en verplaatsbaarheid, niet van toepassing. Thesaurus CAS: STEDENBOUW - BOUWVERGUNNING Wettelijke bepalingen: Besluit van de Vlaamse Regering 15 mei 2009 houdende coördinatie van de decreetgeving op de ruimtelijke ordening - 15-05-2009 - Art. 4.2.1.1° - 36 ELI link Pub nr 2009A35738 Besluit van de Vlaamse Regering 15 mei 2009 houdende coördinatie van de decreetgeving op de ruimtelijke ordening - 15-05-2009 - Art. 4.1.1.3° - 36 ELI link Pub nr 2009A35738 Besluit van de Vlaamse Regering 16 juli 2010 tot bepaling van stedenbouwkundige handelingen waarvoor geen omgevingsvergunning nodig is - 16-07-2010 - Art. 8.5 - 30 ELI link Pub nr 2010035645 Fiche 2 Artikel 4.2.1.5°, c, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening voorziet in een specifieke vergunningsplicht voor het gewoonlijk gebruiken, aanleggen of inrichten van een grond voor het plaatsen van één of meer verplaatsbare constructies die voor bewoning kunnen worden gebruikt, waaronder woonwagens en kampeerwagens; die bepaling houdt een zelfstandige vergunningsverplichting in die geen uitzondering inhoudt op noch afbreuk doet aan de in artikel 4.2.1.1°, a, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening omschreven vergunningsverplichting voor het optrekken of plaatsen van een constructie. Thesaurus CAS: STEDENBOUW - BOUWVERGUNNING Wettelijke bepalingen: Besluit van de Vlaamse Regering 15 mei 2009 houdende coördinatie van de decreetgeving op de ruimtelijke ordening - 15-05-2009 - Art. 4.2.1.1°, a - 36 ELI link Pub nr 2009A35738 Besluit van de Vlaamse Regering 15 mei 2009 houdende coördinatie van de decreetgeving op de ruimtelijke ordening - 15-05-2009 - Art. 4.2.1.5° - 36 ELI link Pub nr 2009A35738 Tekst van de beslissing Nr. P.23.1094.N W. R., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Greet Louwet, advocaat bij de balie Limburg. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 28 juni

  1. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Raadsheer Steven Van Overbeke heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het cassatieberoep
  2. Het arrest oordeelt dat het niet opportuun is om bij toepassing van artikel 6.3.12/4 Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening een bemiddelingsprocedure op te starten en heropent met betrekking tot de herstelvordering voor het overige het debat. Aldus ligt met betrekking tot die vordering geen eindbeslissing in de zin van artikel 420, eerste lid, Wetboek van Strafvordering voor en evenmin een beslissing als bedoeld door artikel 420, tweede lid, Wetboek van Strafvordering. In zoverre ook gericht tegen de beslissing over de herstelvordering, is het cassatieberoep wegens voorbarigheid niet ontvankelijk. Eerste middel
  3. Het middel voert schending aan van artikel 6.2 en 6.3.a EVRM, artikel 14.2 IVBPR, artikel 149 Grondwet, artikel 195 Wetboek van Strafvordering, de artikelen 4.2.1.1°, a, 4.2.1.5°, c, 4.2.3 en 6.2.1.1° Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening en artikel 8.5 van het besluit van de Vlaamse Regering van 16 juli 2010 tot bepaling van stedenbouwkundige handelingen waarvoor geen omgevingsvergunning nodig is (hierna Vrijstellingsbesluit): met het oordeel dat het plaatsen van een woonwagen moet worden beschouwd als een vergunningsplichtige constructie, is de schuldigverklaring van de eiser aan de enige telastlegging niet naar recht verantwoord; de vergunningsplicht voor het gewoonlijk gebruiken van een grond voor het plaatsen van een verplaatsbare constructie die voor bewoning kan worden gebruikt, zoals een woonwagen, moet worden onderscheiden van de vergunningsplicht voor het optrekken of plaatsen van een constructie; de appelrechters oordelen dan ook ten onrechte dat er vóór alles moet worden nagegaan of de door de eiser geplaatste woonwagen kan worden beschouwd als een constructie, wat een andere feitelijke handeling betreft; de strafbare handeling waarvoor de eiser wordt vervolgd, heeft betrekking op een woonwagen, dit is volgens artikel 1.3, § 1, 73°, Vlaamse Codex Wonen van 2021 een woongelegenheid die wordt gekenmerkt door flexibiliteit en verplaatsbaarheid en die bestemd is voor permanente en niet-recreatieve bewoning; de appelrechters waren dan ook ertoe gehouden om na te gaan of de vrijstelling van de vergunningsplicht voor het plaatsen van woonwagens niet van toepassing was, wat door het arrest niet concreet wordt getoetst; door de feiten te herkwalificeren als het plaatsen van een constructie en na te laten een concrete beschrijving te geven van de concrete constructie, namelijk de plaatsing van een woonwagen, maakt het arrest op een onwettige wijze de toepassing van de vrijstelling van een vergunning voor het plaatsen van een woonwagen onmogelijk.
  4. Het arrest oordeelt niet dat de eiser schuldig is aan het onvergund plaatsen van een woonwagen op een perceel, maar wel aan het onvergund omvormen en verbouwen van een woonwagen waardoor hij een onvergunde constructie op dat perceel heeft opgetrokken, waarbij het arrest ook uitdrukkelijk oordeelt dat de eiser uitgaat van de verkeerde juridische premisse dat er in het dossier sprake is van een “woonwagen”. In zoverre berust het middel op een onjuiste lezing van het arrest en mist het feitelijke grondslag.
  5. Uit het arrest blijkt dat de eiser wordt vervolgd en ook wordt veroordeeld omdat hij zonder voorafgaande stedenbouwkundige vergunning een handeling heeft verricht zoals bedoeld in artikel 4.2.1.1°, a, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, namelijk het optrekken of plaatsen van een constructie, meer bepaald het verbouwen en omvormen van een woonwagen tot een (prefab)woning. De appelrechters oordelen in dit verband dat de foto’s in het aanvankelijk proces-verbaal, waaronder deze waaruit de wijze blijkt waarop tussen de vloerplaten en het chassis leidingen voor nutsvoorzieningen zijn geplaatst, geen twijfel erover laten dat de constructie bedoeld is om ter plaatse te blijven staan. In zoverre het middel ervan uitgaat dat het arrest de telastlegging of de erin bedoelde feiten herkwalificeert, berust het dan ook eveneens op een onjuiste lezing van het arrest en mist het feitelijke grondslag.
  6. Artikel 4.1.1, 3°, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening bepaalt dat onder een constructie moet worden verstaan een gebouw, een bouwwerk, een vaste inrichting, een verharding, al dan niet bestaande uit duurzame materialen, in de grond ingebouwd, aan de grond bevestigd of op de grond steunend omwille van de stabiliteit, en bestemd om ter plaatse te blijven staan of liggen, ook al kan het goed uit elkaar genomen worden, verplaatst worden, of is het goed volledig ondergronds.
  7. Een woonwagen die wordt verbouwd en omgevormd tot een woning, op de grond steunt omwille van de stabiliteit en bedoeld is om ter plaatse te blijven staan, houdt een constructie in zoals bedoeld in die bepaling, zodat het optrekken of plaatsen van een dergelijke constructie onderworpen is aan de vergunningsplicht bij toepassing van artikel 4.2.1.1°, a, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening. Op een dergelijke constructie is de in artikel 8.5 Vrijstellingsbesluit bepaalde vrijstelling van de vergunningsplicht, die slechts geldt voor woongelegenheden die worden gekenmerkt door hun flexibiliteit en verplaatsbaarheid, niet van toepassing.
  8. Artikel 4.2.1.5°, c, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening voorziet in een specifieke vergunningsplicht voor het gewoonlijk gebruiken, aanleggen of inrichten van een grond voor het plaatsen van één of meer verplaatsbare constructies die voor bewoning kunnen worden gebruikt, waaronder woonwagens en kampeerwagens. Die bepaling houdt een zelfstandige vergunningsverplichting in die geen uitzondering inhoudt op noch afbreuk doet aan de in artikel 4.2.1.1°, a, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening omschreven vergunningsverplichting voor het optrekken of plaatsen van een constructie.
  9. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
  10. Voor het overige is het middel afgeleid uit deze vergeefs aangevoerde wetsschendingen en is het niet ontvankelijk. Tweede middel
  11. Het middel voert schending aan van artikel 6.2 en 6.3.a EVRM, artikel 14.2 IVBPR, artikel 149 Grondwet, artikel 195 Wetboek van Strafvordering en de artikelen 4.1.1.6°, 4.1.1.12°, 4.2.1.1°, a, 4.2.1.1°, c, 4.2.1.5°, c, 4.2.3 en 6.2.1.1° Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening: het oordeel dat de eiser zich schuldig heeft gemaakt aan het onvergund optrekken of plaatsen van een constructie, is niet naar recht verantwoord; de aan de eiser ten laste gelegde feitelijke gedraging had betrekking op het verbouwen en omvormen van een woonwagen tot een (prefab)woning, wat niet kan worden beschouwd als het optrekken of plaatsen van een constructie maar als feitelijke gedraging moet worden beschouwd in het licht van de daarvan onderscheiden vergunningsplicht voor het afbreken, herbouwen, verbouwen en uitbreiden van een constructie, wat door het arrest evenwel niet wordt beoordeeld; door de aan de eiser ten laste gelegde feiten van het verbouwen en omvormen van een woonwagen tot een (prefab)woning te beschouwen als een inbreuk op de vergunningsplicht voor het optrekken of plaatsen van een constructie, gaan de appelrechters dan ook op een onwettige wijze over tot een ontdubbeling van de kwalificatie; de eiser kon ook niet naar recht worden veroordeeld aangezien de appelrechters vaststellen dat er geen verbouwing is gebeurd en dat een uitbreiding van de woonwagen met een tweede bouwlaag niet relevant en niet bewezen is; door de eiser te veroordelen zonder de hem concreet ten laste gelegde handeling te beoordelen, miskennen de appelrechters het vermoeden van onschuld.
  12. De handeling die bestaat uit het verbouwen en omvormen van een woonwagen tot een woning kan worden beschouwd als het optrekken of plaatsen van een constructie in de zin van artikel 4.2.1.1°, a, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening. In zoverre het middel ervan uitgaat dat die handeling volgens de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening slechts strafbaar is wanneer ze kan worden beschouwd als het afbreken, herbouwen, verbouwen en uitbreiden van een constructie in de zin van artikel 4.2.1.1°, c, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, faalt het naar recht.
  13. Het arrest oordeelt niet dat er geen verbouwing is gebeurd noch dat een uitbreiding van de woonwagen met een tweede bouwlaag niet relevant en niet bewezen is, maar wel dat de constructie meteen in zijn volledigheid, met inbegrip van de tweede bouwlaag, werd geplaatst en ook zo werd geconcipieerd. Het verklaart de eiser vervolgens louter schuldig aan de enige telastlegging waarvoor hij werd vervolgd, namelijk het onvergund uitvoeren van een handeling zoals bedoeld in artikel 4.2.1.1°, a, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, welke feitelijke gedraging concreet door de appelrechters wordt getoetst , zonder de kwalificatie van die telastlegging te wijzigen naar een inbreuk op artikel 4.2.1.1°, c, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening of die laatste inbreuk als een bijkomende kwalificatie eraan toe te voegen en de telastlegging aldus te ontdubbelen. In zoverre mist het middel feitelijke grondslag.
  14. Voor het overige is het middel afgeleid uit deze vergeefs aangevoerde wetsschendingen en is het niet ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek
  15. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 97,41 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Erwin Francis, Steven Van Overbeke en Bruno Lietaert, en in openbare rechtszitting van 3 september 2024 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240903.2N.21 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.