← België

AUTO ARBAÏ

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 03 september 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240903.2N.4 Rolnummer: P.24.0587.N Zaak: AUTO ARBAÏ Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2024-09-05 Raadplegingen: 583 - laatst gezien 2026-06-18 17:31 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiches 1 - 2 De overtreder of, indien hij niet de overtreder is, de natuurlijke persoon of de rechtspersoon die bewijst dat hij eigenaar is van het voertuig, kan overeenkomstig artikel 58bis, § 3, Wegverkeerswet de opheffing vragen van de immobilisering aan de daarin vermelde bevoegde overheid; ingeval van afwijzing van het door de eigenaar van het voertuig ingediend verzoek tot opheffing van de immobilisering kan die de zaak aanbrengen bij de politierechtbank volgens de in artikel 58bis, § 3/1, Wegverkeerswet bedoelde procedure; uit het enkele feit dat de eigenaar van het voertuig die niet de overtreder is, de zaak bij de politierechtbank aanhangig maakt, volgt niet dat de politierechtbank dit verzoek noodzakelijk moet inwilligen; die stelling volgt niet uit artikel 58bis, § 2, tweede lid, Wegverkeerswet dat bepaalt dat indien de eigenaar niet de overtreder is, hij zonder kosten het voertuig kan terugkrijgen; de wetgever heeft met die bepaling enkel willen aangeven dat anders dan met betrekking tot de overtreder, de eigenaar van het voertuig die niet de overtreder is, het voertuig zonder kosten kan terugkrijgen; die stelling zou bovendien aan de beveiligingsmaatregel van de immobilisering elke nuttige werking ontnemen indien het voertuig niet toebehoort aan de overtreder. Thesaurus CAS: WEGVERKEER - WEGVERKEERSWET - WETSBEPALINGEN - Artikel 58 - Artikel 58bis Wettelijke bepalingen: Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 58bis - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Thesaurus CAS: BESLAG - ALLERLEI Wettelijke bepalingen: Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 58bis - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Fiches 3 - 5 Uit het doel van de door de wetgever met artikel 58bis, § 3/1, Wegverkeerswet ingevoerde regeling volgt dat indien de eigenaar van het voertuig die niet de overtreder is, de zaak bij de politierechtbank aanhangig maakt, de politierechtbank moet onderzoeken of: 1°de beveiligingsmaatregel is genomen door een bevoegde overheid; 2°de voorwaarden voor het bevelen van de beveiligingsmaatregel zijn vervuld en meer bepaald of er aanwijzingen zijn voor een overtreding als bedoeld in de artikelen 30, § 1 tot en met § 3, en 48 Wegverkeerswet; 3°niet is voldaan aan de in artikel 58bis, § 3, tweede lid, Wegverkeerswet bepaalde voorwaarden voor opheffing van de maatregel; en 4°in het licht van het met de immobilisering beoogde doel en rekening houdend met de concrete omstandigheden van de zaak waaronder de band tussen de overtreder en de eigenaar van het voertuig, de voortzetting van de immobilisering geen onevenredige aantasting inhoudt van de rechten van de eigenaar van het voertuig

(1); de politierechtbank is bovendien ertoe gehouden de in het verzoekschrift ontwikkelde middelen te beantwoorden; dit betekent dat het vonnis dat het verzoek van de eigenaar van het voertuig ongegrond verklaart zonder opgave van enige reden, niet naar recht verantwoord is.
(1)Cass. 20 juni 2023, AR P.23.0690.N ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230620.2N.6, AC 2023, nr.
  1. Thesaurus CAS: WEGVERKEER - WEGVERKEERSWET - WETSBEPALINGEN - Artikel 58 - Artikel 58bis Wettelijke bepalingen: Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 58bis - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - GEEN CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) BESLAG - ALLERLEI Wettelijke bepalingen: Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 58bis - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Tekst van de beslissing Nr. P.24.0587.N AUTO ARBAÏ bv, met zetel te 1070 Anderlecht, Ninoofsesteenweg 410, ON.0727.546.817, verzoekster tot opheffing van de immobilisering van een voertuig, eiseres, met als raadsman mr. Inge Gabriëls, advocaat bij de balie Brussel. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis van de politierechtbank Halle van 26 februari
  2. De eiseres voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Peter Hoet heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het cassatieberoep
  3. Het vonnis verklaart het verzoek van de eiseres ontvankelijk. In zoverre ook gericht tegen die beslissing, is het cassatieberoep bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Middel
  4. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 58bis Wegverkeerswet: de eiseres is de eigenares van het geïmmobiliseerde voertuig en zij is niet de overtreder; haar verzoek tot opheffing van de immobilisering van haar voertuig had dus moeten worden ingewilligd; zonder enige vorm van motivering verklaart het bestreden vonnis het verzoek van de eiseres tot opheffing van de immobilisering van haar voertuig ongegrond; het beantwoordt niet de in het verzoekschrift door de eiseres aangevoerde middelen.
  5. Artikel 58bis, § 1, Wegverkeerswet bepaalt dat de immobilisering van een voertuig als beveiligingsmaatregel kan worden bevolen in de gevallen bedoeld in artikel 30, § 1 tot en met § 3, Wegverkeerswet en in artikel 48 Wegverkeerswet. Artikel 58bis, § 1, tweede en derde lid, bepaalt welke overheid deze beveiligingsmaatregel kan nemen.
  6. De overtreder of, indien hij niet de overtreder is, de natuurlijke persoon of de rechtspersoon die bewijst dat hij eigenaar is van het voertuig, kan overeenkomstig artikel 58bis, § 3, Wegverkeerswet de opheffing vragen van de immobilisering aan de daarin vermelde bevoegde overheid.
  7. Ingeval van afwijzing van het door de eigenaar van het voertuig ingediend verzoek tot opheffing van de immobilisering kan die de zaak aanbrengen bij de politierechtbank volgens de in artikel 58bis, § 3/1, Wegverkeerswet bedoelde procedure.
  8. Uit het enkele feit dat de eigenaar van het voertuig die niet de overtreder is, de zaak bij de politierechtbank aanhangig maakt, volgt niet dat de politierechtbank dit verzoek noodzakelijk moet inwilligen. Die stelling volgt niet uit artikel 58bis, § 2, tweede lid, Wegverkeerswet dat bepaalt dat indien de eigenaar niet de overtreder is hij zonder kosten het voertuig kan terugkrijgen. De wetgever heeft met die bepaling enkel willen aangeven dat anders dan met betrekking tot de overtreder, de eigenaar van het voertuig die niet de overtreder is, het voertuig zonder kosten kan terugkrijgen. Die stelling zou bovendien aan de beveiligingsmaatregel van de immobilisering elke nuttige werking ontnemen indien het voertuig niet toebehoort aan de overtreder.
  9. Uit het doel van de door de wetgever met artikel 58bis, § 3/1, Wegverkeerswet ingevoerde regeling volgt dat indien de eigenaar van het voertuig die niet de overtreder is, de zaak bij de politierechtbank aanhangig maakt, de politierechtbank moet onderzoeken of: - de beveiligingsmaatregel is genomen door een bevoegde overheid; - de voorwaarden voor het bevelen van de beveiligingsmaatregel zijn vervuld en meer bepaald of er aanwijzingen zijn voor een overtreding als bedoeld in de artikelen 30, § 1 tot en met § 3, en 48 Wegverkeerswet; - niet is voldaan aan de in artikel 58bis, § 3, tweede lid, Wegverkeerswet bepaalde voorwaarden voor opheffing van de maatregel; - in het licht van het met de immobilisering beoogde doel en rekening houdend met de concrete omstandigheden van de zaak waaronder de band tussen de overtreder en de eigenaar van het voertuig, de voortzetting van de immobilisering geen onevenredige aantasting inhoudt van de rechten van de eigenaar van het voertuig.
  10. De politierechtbank is bovendien ertoe gehouden de in het verzoekschrift ontwikkelde middelen te beantwoorden.
  11. Het vonnis dat het verzoek van de eiseres ongegrond verklaart zonder opgave van enige reden, is niet naar recht verantwoord. Het middel is gegrond. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden vonnis, behoudens in zoverre dit het verzoek van de eiseres ontvankelijk verklaart. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde vonnis. Verwerpt het cassatieberoep voor het overige. Veroordeelt de eiseres tot een tiende van de kosten van haar cassatieberoep. Houdt de beslissing over de overige kosten aan en laat die over aan de rechter op verwijzing. Verwijst de aldus beperkte zaak naar de politierechtbank Halle, anders samengesteld. Bepaalt de kosten op 113,36 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Erwin Francis, Steven Van Overbeke en Bruno Lietaert, en in openbare rechtszitting van 3 september 2024 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240903.2N.4 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20251001.2F.8 precedenten: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230620.2N.6 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250909.2N.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.