id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 06 september 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240906.1N.6 Rolnummer: F.23.0079.N Zaak: LIVE NATION bv contra GEMEENTE VORST Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Belastingrecht Invoerdatum: 2024-09-18 Raadplegingen: 597 - laatst gezien 2026-06-17 05:07 Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240906.1N.6 Fiches 1 - 2 De belastingplichtige kan, indien de bevoegde administratieve overheid nalaat om over zijn administratief beroep uitspraak te doen, ten vroegste een vordering bij de fiscale rechter instellen zes maanden vanaf de datum waarop de bevoegde overheid het administratief beroep heeft ontvangen; een vordering die de belastingplichtige bij de fiscale rechter instelt binnen zes maanden vanaf de datum waarop de bevoegde overheid het administratief beroep heeft ontvangen, is voorbarig en ontneemt die overheid niet de mogelijkheid om nog een beslissing over het administratief beroep te nemen; indien de administratieve overheid vervolgens nalaat binnen de termijn van zes maanden een beslissing te nemen, kan de belastingplichtige op ontvankelijke wijze een nieuwe vordering bij de fiscale rechter instellen. Thesaurus CAS: BEVOEGDHEID EN AANLEG - BELASTINGZAKEN - Algemeen Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 569, eerste lid, 32° - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 1385undecies, eerste lid - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Thesaurus CAS: GEMEENTE-, PROVINCIE- EN PLAATSELIJKE BELASTINGEN - RECHTSPLEGING Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 569, eerste lid, 32° - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 1385undecies, eerste lid - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Fiche 3 De termijn van zes maanden is een wachttermijn, waarvan de belastingplichtige het einde moet afwachten vooraleer hij een vordering in rechte kan instellen; deze termijn is geen termijn om een rechtsmiddel aan te wenden; zodat de belastingplichtige die voor het verstrijken van die wachttermijn een vordering in rechte instelt, niet vervallen is van het recht om een vordering in rechte in te stellen. Thesaurus CAS: BEVOEGDHEID EN AANLEG - BELASTINGZAKEN - Algemeen Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 860 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Tekst van de beslissing Nr. F.23.0079.N LIVE NATION bv, met zetel te 2800 Mechelen, Blarenberglaan 3A, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0415.340.439, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1170 Brussel, Terhulpensesteenweg 177/7, waar de eiseres woonplaats kiest, tegen GEMEENTE VORST, vertegenwoordigd door haar college van burgemeester en schepenen, met kantoor te 1190 Vorst, Pastoorstraat 2, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0207.367.489, verweerster, vertegenwoordigd door mr. Paul Alain Foriers, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1050 Brussel, Louizalaan 250/10, waar de verweerster woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel van 7 september
- Advocaat-generaal Stijn Ravyse heeft op 10 juni 2024 een schriftelijke conclusie neergelegd. Raadsheer Myriam Ghyselen heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Stijn Ravyse heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste onderdeel
- Krachtens artikel 569, eerste lid, 32°, Gerechtelijk Wetboek neemt de rechtbank van eerste aanleg kennis van geschillen betreffende de toepassing van een belastingwet. Krachtens artikel 1385undecies, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek wordt de vordering inzake de geschillen bedoeld in artikel 569, eerste lid, 32°, slechts toegelaten indien de eiser voorafgaandelijk het door of krachtens de wet georganiseerde administratief beroep heeft ingesteld. Krachtens het tweede lid van die bepaling wordt de vordering ingesteld ten vroegste zes maanden vanaf de datum van ontvangst van het administratief beroep zo over dit beroep geen uitspraak is gedaan en, op straffe van verval, uiterlijk binnen een termijn van drie maanden vanaf de kennisgeving van de beslissing met betrekking tot het administratief verhaal.
- Hieruit volgt dat de belastingplichtige, indien de bevoegde administratieve overheid nalaat om over zijn administratief beroep uitspraak te doen, ten vroegste een vordering bij de fiscale rechter kan instellen zes maanden vanaf de datum waarop de bevoegde overheid het administratief beroep heeft ontvangen. Een vordering die de belastingplichtige bij de fiscale rechter instelt binnen zes maanden vanaf de datum waarop de bevoegde overheid het administratief beroep heeft ontvangen, is voorbarig en ontneemt die overheid niet de mogelijkheid om nog een beslissing over het administratief beroep te nemen. Indien de administratieve overheid vervolgens nalaat binnen de termijn van zes maanden een beslissing te nemen, kan de belastingplichtige op ontvankelijke wijze een nieuwe vordering bij de fiscale rechter instellen.
- De appelrechter stelt vast en oordeelt dat: - de vordering een voor de tweede maal ingestelde vordering betreft, vermits zij al is beslecht door het arrest van het hof van 4 juni 2014, die weliswaar de onontvankelijkheid van die toen ingestelde vordering vaststelde wegens het niet respecteren van de wachttermijn; - in dat arrest het bezwaarschrift van de eiseres op 17 juni 2008 ingediend, als tijdig werd beschouwd, terwijl het die vordering als onontvankelijk beoordeelde wegens voorbarig, gezien de wachttermijn niet werd gerespecteerd; - de vordering onontvankelijk is, vermits zij een tweede latere vordering is, met hetzelfde voorwerp, die niet van aard is de onontvankelijke vordering, ingediend zonder de voormelde wachttermijn af te wachten, te herstellen; - bij de indiening van het eerste verzoekschrift het dossier ter beslissing over het ingediende bezwaarschrift op onregelmatige wijze aan de bestuursoverheid werd ontnomen, terwijl de aan deze bestuursoverheid wettelijk gegeven termijn om over het bezwaarschrift uitspraak te doen, nog niet was vervallen; - deze onregelmatige onttrekking van de zaak aan de bestuursoverheid haar verhinderde om nog te beslissen en aldus de normale afwikkeling van het administratief beroep verhinderde; - zodra de procedure van het voorafgaand administratief beroep niet op regelmatige wijze is gevolgd, het daaropvolgend gerechtelijk beroep, of, anders gezegd, ook het tweede gerechtelijk beroep, niet meer ontvankelijk is. Aldus verantwoordt de appelrechter zijn beslissing om de tweede vordering onontvankelijk te verklaren, niet naar recht. Het onderdeel is gegrond. Derde onderdeel
- Krachtens het tweede lid van artikel 860 Gerechtelijk Wetboek zijn de termijnen om een rechtsmiddel aan te wenden voorgeschreven op straffe van verval en krachtens het derde lid van die wetsbepaling worden de andere termijnen slechts dan op straffe van verval bepaald wanneer de wet het voorschrijft.
- Krachtens artikel 1385undecies, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek wordt de vordering inzake de geschillen bedoeld in artikel 569, eerste lid, 32°, slechts toegelaten indien de eiser voorafgaandelijk het door of krachtens de wet georganiseerde administratief beroep heeft ingesteld. Krachtens het tweede lid van die bepaling wordt de vordering ingesteld ten vroegste zes maanden vanaf de datum van ontvangst van het administratief beroep zo over dit beroep geen uitspraak is gedaan en, op straffe van verval, uiterlijk binnen een termijn van drie maanden vanaf de kennisgeving van de beslissing met betrekking tot het administratief verhaal.
- De termijn van zes maanden bepaald in artikel 1385undecies, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek is een wachttermijn, waarvan de belastingplichtige het einde moet afwachten vooraleer hij een vordering in rechte kan instellen. Deze termijn is geen termijn om een rechtsmiddel aan te wenden in de zin van artikel 860 Gerechtelijk Wetboek. Artikel 1385undecies, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek bepaalt niet dat de belastingplichtige die voor het verstrijken van die wachttermijn een vordering in rechte instelt, van het recht om een vordering in rechte in te stellen, vervallen is. Derhalve kan het niet naleven door de belastingplichtige van die wachttermijn niet ertoe leiden dat de belastingplichtige van het recht om een vordering in rechte in te stellen, vervallen is.
- De appelrechter stelt vast en oordeelt dat: - het niet naleven van termijnen, zoals de bezwaartermijn, de facto wel degelijk kan leiden tot een verval van het recht een zaak in rechte aan een admi-nistratieve of zelfs gerechtelijke overheid voor te leggen, zodat de stelling dat het niet naleven van de wachttermijn niet tot het verval van het bedoelde recht kan leiden, niet met de inhoud van artikel 1385undecies Gerechtelijk Wetboek strookt; - artikel 860, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek precies bepaalt dat de termijnen om een rechtsmiddel aan te wenden, op straffe van verval zijn voorgeschreven, hetgeen zowel voor laattijdig als voor voorbarig aangewende rechtsmiddelen geldt; - het bestreden vonnis aldus terecht tot de onontvankelijkheid van de hier ingestelde vordering besloot en dus moet worden bevestigd. Aldus verantwoordt de appelrechter zijn beslissing niet naar recht. Het onderdeel is gegrond. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest. Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de zaak naar het hof van beroep te Gent. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Geert Jocqué, als voorzitter, en de raadsheren Bart Wylleman, Sven Mosselmans, Myriam Ghyselen en Michael Traest, en in openbare rechtszitting van 6 september 2024 uitgesproken door sectievoorzitter Geert Jocqué, in aanwezigheid van advocaat-generaal Stijn Ravyse, met bijstand van griffier Elien Van Isterdael. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240906.1N.6 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240906.1N.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div