id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 06 september 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240906.1N.7 Rolnummer: C.24.0006.N Zaak: G. contra S. Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Burgerlijk recht - Overige Invoerdatum: 2024-09-18 Raadplegingen: 965 - laatst gezien 2026-06-18 20:14 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiches 1 - 2 De rechter is ertoe gehouden het geschil te beslechten overeenkomstig de rechtsregels die erop van toepassing zijn; daaruit volgt niet dat wanneer de partij tegen wie in het kader van een hoofdvordering een onderhandse akte wordt ingeroepen haar geschrift of handtekening ontkent, het volstaat dat de eiser op de hoofdvordering in zijn conclusie aangeeft dat hij de akte wil vergelijken met andere documenten, opdat de rechter een schriftonderzoek moet bevelen. Thesaurus CAS: BEWIJS - BURGERLIJKE ZAKEN - Geschriften - Algemeen BURGERLIJKE RECHTSVORDERING Tekst van de beslissing Nr. C.24.0006.N P.G., eiser, vertegenwoordigd door mr. Caroline De Baets, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1150 Brussel, Laurierlaan 1, waar de eiser woonplaats kiest, tegen S.S., (…) die keuze van woonplaats doet op het kantoor van gerechtsdeurwaarder Annelies De Rycke, plaatsvervangend gerechtsdeurwaarder van Marc Monbailliu, met kantoor te 9820 Merelbeke, Jozef Hebbelynckstraat 7, ingeschreven in het rijksregister onder het nummer 80.08.14-106.46, verweerster. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent van 1 juni
- Raadsheer Michael Traest heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Stijn Ravyse heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling
- Krachtens artikel 8.18 Burgerlijk Wetboek levert een onderhandse akte een bewijs op van de overeenkomst die erin is vervat tussen de ondertekenaars van de akte en ten aanzien van hun erfgenamen en rechtverkrijgenden. Krachtens artikel 8.19 Burgerlijk Wetboek kan, tenzij de wet anders bepaalt, de partij tegen wie men zich erop beroept, haar handschrift of haar handtekening evenwel ontkennen. In dat geval moet de echtheid van het handschrift worden onderzocht, zulks overeenkomstig de artikelen 883 en volgende van het Gerechtelijk Wetboek. Krachtens artikel 8.4, derde lid, Burgerlijk Wetboek zijn alle partijen gehouden mee te werken aan de bewijsvoering.
- De rechter is ertoe gehouden het geschil te beslechten overeenkomstig de rechtsregels die erop van toepassing zijn.
- Noch uit de voormelde wetsbepalingen noch uit het voormeld algemeen rechtsbeginsel in verband met de taak van de rechter volgt dat, wanneer de partij tegen wie in het kader van een hoofdvordering een onderhandse akte wordt ingeroepen haar geschrift of handtekening ontkent, het volstaat dat de eiser op de hoofdvordering in zijn conclusie aangeeft dat hij de akte wil vergelijken met andere documenten, opdat de rechter een schriftonderzoek moet bevelen. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- In zijn appelconclusie heeft de eiser, nadat de verweerster ontkende dat de handtekening op de leningsovereenkomst de hare was, aangevoerd dat een leningsovereenkomst werd gesloten die door de verweerster werd ondertekend, de verweerster plots ontkende dat de handtekening op de leningsovereenkomst de hare was, de betwisting door de verweerster van de echtheid van haar handtekening weinig ernstig was en de verweerster evenmin enig stuk voorlegde waarop haar handtekening werd geplaatst zodat een vergelijking kon worden gemaakt.
- De appelrechters die oordelen dat de eiser geen vordering tot schriftonderzoek heeft ingesteld, geven van deze appelconclusie een uitleg die met de bewoordingen ervan niet onverenigbaar is zodat zij de bewijskracht ervan niet miskennen. Het middel mist in zoverre feitelijke grondslag.
- Anders dan waarvan het middel uitgaat, nemen de appelrechters niet aan dat de vordering tot schriftonderzoek in uitdrukkelijke bewoordingen moet worden gesteld. Het middel mist in zoverre feitelijke grondslag. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten voor de eiser op 1.052,10 euro en op de som van 650 euro rolrecht verschuldigd aan de Belgische Staat. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Geert Jocqué, als voorzitter, en de raadsheren Bart Wylleman, Sven Mosselmans, Myriam Ghyselen en Michael Traest, en in openbare rechtszitting van 6 september 2024 uitgesproken door sectievoorzitter Geert Jocqué, in aanwezigheid van advocaat-generaal Stijn Ravyse, met bijstand van griffier Elien Van Isterdael. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240906.1N.7 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div