← België

B. contra D.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 09 september 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:

Art. 1

, eerste aanvullend protocol - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Artt. 10, 11 en 16 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 1

, eerste aanvullend protocol - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Algemeen Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Artt. 10, 11 en 16 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 1

, eerste aanvullend protocol - 30 Link Justel databank 19501104-30 Fiche 5 De rechtsonbekwaamheid van de beschermde persoon om een schenking of een legaat te vermaken in het voordeel van de bewindvoerder en tegelijk de rechtsonbekwaamheid van de bewindvoerder om een schenking of een legaat van de beschermde persoon te ontvangen, zoals bedoeld in artikel 908 Oud Burgerlijk Wetboek, vertoont geen absoluut karakter niet alleen voor de niet-professionele bewindvoerders die een nauwe bloedverwant of partner zijn van de beschermde persoon in de zin van artikel 909, derde lid, 2° en 3°, Oud Burgerlijk Wetboek, maar ook voor andere niet-professionele bewindvoerders die een nauwe of affectieve band hebben met de beschermde persoon. Thesaurus CAS: ONBEKWAAMVERKLARING EN GERECHTELIJK RAADSMAN Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - Art. 908 - 30 ELI link Pub nr 1804032150 oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - Art. 909, derde lid, 2° en 3° - 30 ELI link Pub nr 1804032150 Tekst van de beslissing Nr. C.21.0530.N

  1. D. B.,
  2. P. B., eisers, vertegenwoordigd door mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1170 Brussel, Terhulpensesteenweg 177/7, waar de eisers woonplaats kiezen, tegen K. D. W., verweerder, vertegenwoordigd door mr. Caroline De Baets, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1150 Brussel, Laurierlaan 1, waar de verweerder woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 29 juni
  3. Bij arrest van 6 februari 2023 heeft het Hof het tweede onderdeel verworpen en heeft het aan het Grondwettelijk Hof twee prejudiciële vragen gesteld. Het Grondwettelijk Hof heeft geantwoord bij arrest nr. 24/2024 van 15 februari
  4. Advocaat-generaal Henri Vanderlinden heeft op 14 juni 2024 een schriftelijke conclusie neergelegd. Raadsheer Sven Mosselmans heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Stijn Ravyse heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eisers voeren in hun verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Eerste onderdeel
  5. Krachtens artikel 902 Oud Burgerlijk Wetboek kunnen alle personen beschikken en verkrijgen, hetzij bij schenking onder de levenden hetzij bij testament, uitgezonderd degenen die de wet daartoe onbekwaam verklaart. Krachtens artikel 905 Oud Burgerlijk Wetboek, zoals hier van toepassing, kan de persoon die op grond van artikel 492/1 onbekwaam is verklaard om te beschikken, hetzij bij schenking onder de levenden hetzij bij testament, toch beschikken na machtiging, op zijn verzoek, door de vrederechter. De vrederechter oordeelt over de wilsbekwaamheid van de beschermde persoon. Hij mag de machtiging om te schenken weigeren indien de schenking de beschermde persoon of zijn onderhoudsgerechtigden behoeftig dreigt te maken. Artikel 908 Oud Burgerlijk Wetboek, zoals hier van toepassing, bepaalt: “De in boek 1, titel XI, hoofdstuk II/1, bedoelde bewindvoerder en eenieder die een gerechtelijk mandaat uitoefent, kunnen geen schenking of legaat ontvangen van de beschermde persoon of de persoon ten aanzien van wie hij dit mandaat uitoefent. De uitzonderingen bepaald in artikel 909, derde lid, 2° en 3° zijn van overeenkomstige toepassing.” De in artikel 909, derde lid, 2° en 3°, Oud Burgerlijk Wetboek bepaalde uitzonderingen zijn respectievelijk “de algemene beschikkingen ten voordele van bloedverwanten tot en met de vierde graad, mits de overledene geen erfgenamen in de rechte lijn achterlaat; tenzij degene ten voordele van wie de beschikking gemaakt is, zelf tot die erfgenamen behoort” en “de beschikkingen ten voordele van de echtgenoot, de wettelijk samenwonende of de persoon met de wie de beschikker een feitelijk gezin vormt”. Artikel 499/10 Oud Burgerlijk Wetboek, zoals hier van toepassing, bepaalt: “Met uitzondering van de echtgenoot of echtgenote, kan de bewindvoerder geen goederen van de beschermde persoon verkrijgen, noch rechtstreeks, noch door een tussenpersoon, behalve na bijzondere machtiging verleend door de vrederechter overeenkomstig de procedure bepaald bij artikel 1250 van het Gerechtelijk Wetboek of krachtens de wet van 16 mei 1900 tot wijziging van het erfstelsel voor de kleine nalatenschappen, de wet van 29 augustus 1988 op de erfregeling inzake landbouwbedrijven met het oog op het bevorderen van de continuïteit, of in het kader van een gerechtelijke of minnelijke verdeling goedgekeurd overeenkomstig artikel 1206 van het Gerechtelijk Wetboek. Hij kan de goederen van de beschermde persoon slechts in huur nemen als de vrederechter daartoe op schriftelijk verzoek machtiging verleent. In dat geval bepaalt de vrederechter in zijn beschikking de huurvoorwaarden, alsook de bijzondere waarborgen verbonden aan de aldus toegestane huur.”
  6. Het Hof heeft aan het Grondwettelijk Hof de volgende twee prejudiciële vragen gesteld bij arrest van 6 februari 2023: “
  7. Schendt artikel 908 Oud Burgerlijk Wetboek (zoals ingevoerd bij wet van 17 maart 2013 tot hervorming van de regelingen inzake onbekwaamheid en tot instelling van een nieuwe beschermingsstatus die strookt met de menselijke waardigheid en voor de wijziging ervan bij wet van 21 december 2018 houdende diverse bepalingen betreffende justitie), de artikelen 10, 11 en 16 Grondwet, al dan niet in samenhang met artikel 1 Eerste Aanvullend Protocol bij het EVRM, in zoverre het de bewindvoerder die niet valt onder de in artikel 909, derde lid, 2° en 3°, Oud Burgerlijk Wetboek bepaalde uitzonderingen, absoluut rechtsonbekwaam acht om een schenking of een legaat van de beschermde persoon te ontvangen, terwijl de bewindvoerder krachtens artikel 499/10 Oud Burgerlijk Wetboek wel op een andere wijze dan bij schenking of legaat goederen van de beschermde persoon kan verkrijgen mits vrederechterlijke machtiging?
  8. Schendt artikel 908 Oud Burgerlijk Wetboek (zoals ingevoerd bij wet van 17 maart 2013 tot hervorming van de regelingen inzake onbekwaamheid en tot instelling van een nieuwe beschermingsstatus die strookt met de menselijke waardigheid en voor de wijziging ervan bij wet van 21 december 2018 houdende diverse bepalingen betreffende justitie), de artikelen 10 en 11 Grondwet, al dan niet in samenhang met artikel 1 Eerste Aanvullend Protocol bij het EVRM, in zoverre het de niet-professionele bewindvoerder die niet valt onder de in artikel 909, derde lid, 2° en 3°, Oud Burgerlijk Wetboek bepaalde uitzonderingen, maar die wel een nauwe of affectieve band heeft met de beschermde persoon, absoluut rechtsonbekwaam acht om een schenking of een legaat van de beschermde persoon te ontvangen, terwijl het de bewindvoerder die wel valt onder de in artikel 909, derde lid, 2° en 3°, Oud Burgerlijk Wetboek bepaalde uitzonderingen en zodoende een nauwe bloedverwant of partner is van de beschermde persoon, rechtsbekwaam acht om een schenking of een legaat van de beschermde persoon te ontvangen?”
  9. Het Grondwettelijk Hof heeft bij arrest nr. 24/2024 van 15 februari 2024 gezegd voor recht dat artikel 908 Oud Burgerlijk Wetboek, zoals ingevoerd bij artikel 126 van de wet van 17 maart 2013 tot hervorming van de regelingen inzake onbekwaamheid en tot instelling van een nieuwe beschermingsstatus die strookt met de menselijke waardigheid en gewijzigd bij artikel 199 van de wet van 25 april 2014 houdende diverse bepalingen betreffende justitie, maar vóór de wijziging ervan bij artikel 41 van de wet van 21 december 2018 houdende diverse bepalingen betreffende justitie, de artikelen 10 en 11 Grondwet schendt, in zoverre die bepaling de absolute rechtsonbekwaamheid tot gevolg heeft van de niet-professionele bewindvoerders die geen nauwe bloedverwant of partner zijn van de beschermde persoon, om schenkingen of legaten te ontvangen van die laatste. Het overwoog daarbij wat volgt: “B.
  10. Zoals het verwijzende rechtscollege aangeeft, strekt de in het geding zijnde bepaling tot bescherming van de beschermde persoon tegen beïnvloeding door de bewindvoerder die als gerechtelijke opdrachthouder zichzelf voordeel zou verschaffen. Zulks blijkt ook uit de (…) parlementaire voorbereiding, die weliswaar in de eerste plaats verwijst naar de professionele bewindvoering. De wetgever was van oordeel dat de beschermde persoon zich in een afhankelijke positie bevindt ten aanzien van de bewindvoerder en dat die laatste zijn positie zou kunnen misbruiken om de beschermde persoon ertoe te beïnvloeden beschikkingen om niet te doen in zijn voordeel. Een dergelijke doelstelling is legitiem. B.
  11. Bij het kiezen van de bewindvoerder baseert de vrederechter zich op de voorkeur van de beschermde persoon of zijn naasten. Hij kan van die voorkeur afwijken in geval van ernstige redenen met betrekking tot het belang van de beschermde persoon. Bij gebrek aan een verklaring waarin een dergelijke voorkeur te kennen wordt gegeven of indien het onmogelijk is de gemaakte keuze te volgen, kiest de vrederechter een geschikte bewindvoerder. Het gaat bij voorkeur om de ouders, de echtgenoot, de wettelijk samenwonende, de persoon met wie de beschermde persoon een feitelijk gezin vormt, een lid van de naaste familie, een persoon die instaat voor de dagelijkse zorg van de te beschermen persoon of de te beschermen persoon en zijn omgeving begeleidt in die zorg, of bepaalde stichtingen. Daarbij houdt de vrederechter rekening met de belangen en de mening van de beschermde persoon, alsook met zijn persoonlijke omstandigheden, zijn leefomstandigheden en zijn gezinstoestand (zie de artikelen 496 tot 496/3 van het oud Burgerlijk Wetboek). De wetgever geeft er aldus de voorkeur aan dat de bewindvoerder behoort tot de naaste omgeving van de beschermde persoon, omgeving die niet noodzakelijk beperkt is tot het gezin of de familie. Het voorgaande impliceert bovendien dat de vrederechter, reeds op het ogenblik waarop de bewindvoerder wordt gekozen, de intenties van die laatste en de oprechtheid van zijn band met de beschermde persoon nagaat. Nadien behoudt de vrederechter het toezicht op de wijze waarop de bewindvoerder zijn taak vervult, onder meer door de goedkeuring van het verslag dat de bewindvoerder minstens eenmaal per jaar dient uit te brengen (artikel 498/3 van het oud Burgerlijk Wetboek). De vrederechter kan daarnaast te allen tijde beslissen de bewindvoerder te vervangen (artikel 496/7 van het oud Burgerlijk Wetboek). B.
  12. In die omstandigheden kan in redelijkheid niet worden aangenomen dat een beschermd persoon, om de loutere reden dat er tussen hem en de bewindvoerder geen nauwe familiale verwantschap bestaat, niet bewust en vrij de bewindvoerder zou kunnen begiftigen, laat staan dat elke schenking of elk legaat in een dergelijke situatie tot stand zou komen onder invloed van vermogens- en erfenisbejaging. Dat geldt des te meer daar de in het geding zijnde rechtsonbekwaamheid van toepassing is ongeacht de omvang van de handelingsonbekwaamheid van de beschermde persoon, en in het bijzonder ook wanneer de beschermde persoon bekwaam is gebleven met betrekking tot het schenken onder levenden en/of het maken of herroepen van een uiterste wilsbeschikking (zie artikel 492/1, § 2, derde lid, 13° en 15°, van het oud Burgerlijk Wetboek). Overigens is het, omgekeerd, evenmin uitgesloten dat een niet-professionele bewindvoerder die een nauwe bloedverwant of partner van de beschermde persoon is, die persoon zou trachten te beïnvloeden om een schenking of legaat in zijn voordeel te doen. B.
  13. De door de wetgever nagestreefde doelstelling kan bijgevolg niet verantwoorden dat het voor niet-professionele bewindvoerders die geen nauwe bloedverwant of partner zijn van de beschermde persoon, absoluut onmogelijk is om een schenking of een legaat van die laatste te ontvangen, waarbij er zelfs geen mogelijkheid bestaat om voorafgaandelijk bij de vrederechter het vermoeden te weerleggen dat de beschermde persoon door de bewindvoerder werd beïnvloed om in zijn voordeel te beschikken, terwijl niet-professionele bewindvoerders die een nauwe bloedverwant of partner van de beschermde persoon zijn in beginsel wel een schenking of legaat van die laatste kunnen ontvangen. Het feit dat, zoals de Ministerraad aanvoert, het bestaan van een affectieve band een feitenkwestie betreft en kan worden geveinsd, belet niet dat de vrederechter zou nagaan of er voldoende elementen voorhanden zijn waaruit op ondubbelzinnige wijze blijkt dat de beschermde persoon bewust en vrij de bewindvoerder zou kunnen begiftigen. B.
  14. De in het geding zijnde bepaling is onbestaanbaar met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre die bepaling de absolute rechtsonbekwaamheid van de niet-professionele bewindvoerders die geen nauwe bloedverwant of partner zijn van de beschermde persoon, om schenkingen of legaten te ontvangen van die laatste als gevolg heeft.”
  15. Het Grondwettelijk Hof vervolgt dat, gelet op het antwoord op de tweede prejudiciële vraag, de eerste prejudiciële vraag geen antwoord behoeft.
  16. Uit voormeld arrest van het Grondwettelijk Hof volgt dat, daar waar artikel 908 Oud Burgerlijk Wetboek doelt op de rechtsonbekwaamheid van de beschermde persoon om een schenking of een legaat te vermaken in het voordeel van de bewindvoerder en tegelijk de rechtsonbekwaamheid van de bewindvoerder om een schenking of een legaat van de beschermde persoon te ontvangen, deze rechtsonbekwaamheid geen absoluut karakter vertoont, niet alleen voor de niet-professionele bewindvoerders die een nauwe bloedverwant of partner zijn van de beschermde persoon in de zin van artikel 909, derde lid, 2° en 3°, Oud Burgerlijk Wetboek, maar ook voor andere niet-professionele bewindvoerders die een nauwe of affectieve band hebben met de beschermde persoon. Het onderdeel dat ervan uitgaat dat artikel 908 Oud Burgerlijk Wetboek de absolute rechtsonbekwaamheid tot gevolg heeft van de niet-professionele bewindvoerders die geen nauwe bloedverwant of partner zijn van de beschermde persoon, faalt naar recht. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eisers tot de kosten. Bepaalt de kosten voor de eisers op 280,18 euro en op de som van 650 euro rolrecht verschuldigd aan de Belgische Staat. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Koen Mestdagh, als voorzitter, en de raadsheren Ilse Couwenberg, Sven Mosselmans, Myriam Ghyselen en Bruno Lietaert, en in openbare rechtszitting van 9 september 2024 uitgesproken door sectievoorzitter Koen Mestdagh, in aanwezigheid van advocaat-generaal Stijn Ravyse, met bijstand van griffier Wim Vanderputten. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240909.3N.10 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230206.3N.6 ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230206.3N.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.