← België

M. contra M.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 09 september 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240909.3N.3 Rolnummer: C.23.0174.N Zaak: M. contra M. Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Burgerlijk recht Invoerdatum: 2024-09-27 Raadplegingen: 464 - laatst gezien 2026-06-15 07:33 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiche Uit artikel 1214, § 1, tweede lid, Gerechtelijk wetboek en haar wetsgeschiedenis volgt niet dat een akkoord tussen de partijen in het kader van een gerechtelijke vereffening-verdeling enkel kan worden gesloten in een proces-verbaal dat is opgesteld door de notaris-vereffenaar en door de partijen is ondertekend, zodat een proces-verbaal tot voortzetting van de notariële werkzaamheden, waarin het bestaan van een deelakkoord tussen de partijen wordt bevestigd, niet noodzakelijk een partijakte uitmaakt, maar het ook een bewijsmiddel voor een bestaand akkoord kan vormen. Thesaurus CAS: ONVERDEELDHEID Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 1214, § 1, tweede lid - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Tekst van de beslissing Nr. C.23.0174.N M. M., eiseres, vertegenwoordigd door mr. Werner Derijcke, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1050 Brussel, Louizalaan 65 bus 11, waar de eiseres woonplaats kiest, tegen

  1. L. M., eerste verweerster, vertegenwoordigd door mr. Beatrix Vanlerberghe, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187/302, waar de eerste verweerster woonplaats kiest,
  2. C. M., tweede verweerster, in aanwezigheid van V. V., notaris, tot bindendverklaring van het arrest opgeroepen partij. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel van 10 januari
  3. De zaak is bij beschikking van de eerste voorzitter van 22 mei 2024 verwezen naar de derde kamer. Raadsheer Sven Mosselmans heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Stijn Ravyse heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling
  4. Krachtens artikel 1214, § 1, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek maakt de notaris-vereffenaar in elke stand van de rechtspleging, op verzoek van de partijen, een proces-verbaal op van het tussen hen bereikte globale of gedeeltelijke akkoord over de vereffening of de verdeling. Het aldus vastgestelde akkoord dat door de partijen is ondertekend, bindt hen definitief.
  5. Uit die bepaling en haar wetsgeschiedenis volgt niet dat een akkoord tussen de partijen in het kader van een gerechtelijke vereffening-verdeling enkel kan worden gesloten in een proces-verbaal dat is opgesteld door de notaris-vereffenaar en door de partijen is ondertekend. Bijgevolg maakt een proces-verbaal tot voortzetting van de notariële werkzaamheden, waarin het bestaan van een deelakkoord tussen de partijen wordt bevestigd, niet noodzakelijk een partijakte uit, maar kan het ook een bewijsmiddel voor een bestaand akkoord vormen. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  6. De appelrechters stellen vast en oordelen dat: - “de notaris in het proces-verbaal van voortzetting [heeft] vermeld dat de partijen tot een akkoord kwamen na de vergadering van 3 maart 2020 (zoals opgenomen in het proces-verbaal van 10 maart 2020), dat partijen de gelegenheid werd gegeven dit rustig na te lezen en er door [de eiseres] gevraagd werd bij schrijven van 9 en 23 maart 2020 nog een aantal kleine aanpassingen te doen”; - “deze aanpassingen gebeurden door de notaris, met akkoord van de andere partijen en alle partijen zich, na nog een kleine aanpassing, akkoord [konden] verklaren met deze aangepaste versie op 7 september 2020”; - “dit door de notaris [werd] vastgesteld en opgenomen in het proces-verbaal van voortzetting van 7 september 2020”; - “[de verweersters] dit akkoord ook [hebben] ondertekend en toen [de eiseres] gevraagd werd om dit ook te doen, ze dit [weigerde] maar ze geen reden [kon] opgeven”; - “in ieder geval ze alsdan geen enkele opmerking [maakte] over bijkomende aanpassingen daar waar de overeenkomst volledig werd aangepast aan haar voorgaande opmerkingen”; - “door de eerste rechter daarover ondervraagd ter zitting en ook door het hof, [de eiseres] hoofdzakelijk [verwees] naar de problematiek betreffende de vennootschappen en aandelen, met beweerde kwade trouw van [de eerste verweerster], maar uit deze verklaringen geenszins [blijkt] dat het door de notaris vastgestelde akkoord in het proces-verbaal van voortzetting op pagina 6/11 tot en met 10/11 niet strookt met hetgeen tussen alle partijen werd overeengekomen op 7 september 2020”; - “daar waar [de eiseres] weigerde het akkoord opgenomen in het proces-verbaal van voortzetting van 7 september 2020 te ondertekenen, dit niets af[doet] aan het feit dat de notaris in dit proces-verbaal van voortzetting vaststelt en opneemt dat de partijen wel degelijk na lange onderhandelingen en een aantal wijzigingen aangebracht aan het initieel akkoord van 3 maart 2020 tot een definitief akkoord zijn gekomen”.
  7. Met die redenen stellen de appelrechters vast dat de partijen na onderhandelingen en wijzigingen tot een definitief akkoord zijn gekomen, waarvan de notaris-vereffenaar akte verleende. In zoverre het middel ervan uitgaat dat de appelrechters hebben vastgesteld dat de eiseres finaal niet akkoord ging en daarom heeft geweigerd het akkoord zoals opgenomen in het proces-verbaal van 7 september 2020 te ondertekenen, berust het op een onjuiste lezing van het arrest en mist het bijgevolg feitelijke grondslag.
  8. De appelrechters die oordelen dat het proces-verbaal tot voortzetting van de notariële werkzaamheden van 7 september 2020 strekt tot bewijs van een eerder tussen de partijen tot stand gekomen akkoord, geven te kennen dat zij het akkoord bewezen achten mede gelet op de notariële vaststellingen, zodat het kan worden gehomologeerd. In zoverre het middel ervan uitgaat dat de appelrechters het proces-verbaal tot voortzetting van de notariële werkzaamheden van 7 september 2020 aanzien als een partijakte in de zin van artikel 1214, § 1, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek, waarbinnen de partijen tot een akkoord zijn gekomen, berust het eveneens op een onjuiste lezing van het arrest en mist het bijgevolg feitelijke grondslag. Vordering tot bindendverklaring
  9. De verwerping van het cassatieberoep ontneemt elk belang aan de vordering tot bindendverklaring. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep en de vordering tot bindendverklaring. Veroordeelt de eiseres tot de kosten. Bepaalt de kosten voor de eiseres op 634,61 euro en op de som van 650 euro rolrecht verschuldigd aan de Belgische Staat. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Koen Mestdagh, als voorzitter, en de raadsheren Ilse Couwenberg, Sven Mosselmans, Myriam Ghyselen en Bruno Lietaert, en in openbare rechtszitting van 9 september 2024 uitgesproken door sectievoorzitter Koen Mestdagh, in aanwezigheid van advocaat-generaal Stijn Ravyse, met bijstand van griffier Wim Vanderputten. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240909.3N.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.