← België

T. contra L.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 09 september 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:

Art. 492

- 30 ELI link Pub nr 1804032150 Fiche 2 Aangezien een buitengerechtelijke bescherming minder ingrijpt in de bekwaamheid van een te beschermen meerderjarige persoon en deze persoon meer autonomie laat, kan rechterlijke bescherming slechts subsidiair en op proportionele wijze intreden. Thesaurus CAS: ONBEKWAAMVERKLARING EN GERECHTELIJK RAADSMAN Wettelijke bepalingen: oud

Art. 492

- 30 ELI link Pub nr 1804032150 Fiches 3 - 4 Bij het beëindigen van de buitengerechtelijke bescherming ingevolge opzegging van de lastgeving door de lasthebber, komt niet automatisch een einde aan de opdracht van de vertrouwenspersoon waarin mogelijk is voorzien; de vrederechter moet nagaan of de vertrouwenspersoon zijn opdracht al dan niet kan verderzetten en kan de opdracht van de vertrouwenspersoon beëindigen wanneer de verderzetting ervan ingaat tegen de bedoeling bij de overeenkomst tot buitengerechtelijke bescherming en het belang van de te beschermen persoon. Thesaurus CAS: ONBEKWAAMVERKLARING EN GERECHTELIJK RAADSMAN Wettelijke bepalingen: oud

Art. 490

, derde lid - 30 ELI link Pub nr 1804032150 oud

Art. 490/2, § 1, derde lid - 30 ELI link Pub nr 1804032150 Tekst van de beslissing Nr.

C.23.0339.N A. T., eiser, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187/302, waar de eiser woonplaats kiest, tegen

  1. A. L.,
  2. B. R.,
  3. J. V. D. M.,
  4. L. V. G., wonende te 8300 Knokke-Heist, Prinses Josephinelaan 7, ingeschreven in het rijksregister onder het nummer 31.02.05-436.79, eerste tot en met vierde verweerders, minstens tot gemeen- en bindendverklaring van het arrest opgeroepen partijen,
  5. D. T., vijfde verweerder, minstens tot gemeen- en bindendverklaring van het arrest opgeroepen partij, vertegenwoordigd door mr. Martin Lebbe, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te Jourdanstraat 31, 1060 Brussel, waar de verweerder woonplaats kiest,
  6. T. T.,
  7. A. T.,
  8. S. C.,
  9. S. C.,
  10. SP. T.,
  11. Rik CRIVITS, , en Marc LEMAHIEU, advocaat, in hun hoedanigheid van bewindvoerder over de persoon en de goederen van L. V. G., zesde tot en met elfde verweerders, minstens tot gemeen- en bindendverklaring van het arrest opgeroepen partijen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge, van 8 juni
  12. De zaak is bij beschikking van de eerste voorzitter van 22 mei 2024 verwezen naar de derde kamer Raadsheer Sven Mosselmans heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Stijn Ravyse heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling
  13. Krachtens artikel 492 Oud Burgerlijk Wetboek kan de vrederechter ten aanzien van de in de artikelen 488/1 en 488/2 Oud Burgerlijk Wetboek bedoelde meerderjarige personen een rechterlijke beschermingsmaatregel bevelen wanneer en in de mate dat hij vaststelt dat dergelijke maatregel noodzakelijk is terwijl de bestaande wettelijke of buitengerechtelijke bescherming niet volstaat. Geldt een buitengerechtelijke beschermingsmaatregel en meer precies een lastgeving in de zin van artikel 490 Oud Burgerlijk Wetboek, dan blijft deze maatregel van toepassing in de mate dat hij verenigbaar is met de rechterlijke beschermingsmaatregel. In voorkomend geval bepaalt de vrederechter de voorwaarden waaronder de lastgeving verder kan worden uitgevoerd. Uit voormelde bepaling en de wetsgeschiedenis volgt dat de buitengerechtelijke bescherming van meerderjarige personen, waarin kan worden voorzien met toepassing van de artikelen 489 en volgende Oud Burgerlijk Wetboek, voorrang heeft op de rechterlijke bescherming, waarin de vrederechter kan voorzien met toepassing van de artikelen 491 en volgende Oud Burgerlijk Wetboek. Slechts wanneer en in de mate dat een geldende buitengerechtelijke beschermingsmaatregel niet volstaat, kan de vrederechter een rechterlijke beschermingsmaatregel bevelen. Indien rechterlijke bescherming zich opdringt, is zij zo beperkt mogelijk. Aangezien een buitengerechtelijke bescherming minder ingrijpt in de bekwaamheid van een te beschermen meerderjarige persoon en deze persoon meer autonomie laat, kan rechterlijke bescherming slechts subsidiair en op proportionele wijze intreden.
  14. Krachtens artikel 490, derde lid, Oud Burgerlijk Wetboek kunnen in de overeenkomst tot buitengerechtelijke bescherming een aantal beginselen worden opgenomen die de lasthebber bij de uitoefening van zijn opdracht in acht moet nemen. Krachtens artikel 490/2, § 1, derde lid, Oud Burgerlijk Wetboek betrekt de lasthebber de lastgever zoveel mogelijk en in verhouding tot diens begripsvermogen bij zijn opdracht. Hij pleegt bij de uitvoering van zijn opdracht op regelmatige tijdstippen en ten minste eenmaal per jaar overleg met de lastgever en, in voorkomend geval, de door de lastgever aangewezen personen. In lijn met deze bepalingen kan in het raam van een buitengerechtelijke bescherming, naar analogie met artikel 501 Oud Burgerlijk Wetboek, worden voorzien in een vertrouwenspersoon in de zin van artikel 494, d, Oud Burgerlijk Wetboek.
  15. Uit een en ander volgt dat, wanneer de buitengerechtelijke bescherming een einde neemt ingevolge opzegging van de lastgeving door de lasthebber met toepassing van artikel 490/2, § 3, 2°, Oud Burgerlijk Wetboek: - niet automatisch een einde komt aan de opdracht van de vertrouwenspersoon waarin mogelijk is voorzien; - de vrederechter die, naar aanleiding van de opzegging, voorziet in vervanging van de buitengerechtelijke bescherming door rechterlijke bescherming, gelet op de bedoeling bij de overeenkomst tot buitengerechtelijke bescherming en de concrete omstandigheden van het geval, moet nagaan of de vertrouwenspersoon zijn opdracht al dan niet kan verderzetten; - de vrederechter kan oordelen dat een einde komt aan de opdracht van de vertrouwenspersoon wanneer de verderzetting ervan ingaat tegen de bedoeling bij de overeenkomst tot buitengerechtelijke bescherming en het belang van de te beschermen persoon.
  16. De appelrechter stelt vast en oordeelt dat: - de overeenkomst tot buitengerechtelijke bescherming dan wel ‘zorgvolmacht’ van de vierde verweerster voorzag in de aanwijzing van de eerste, tweede en derde verweerders als een college van drie lasthebbers alsook in de aanwijzing van de eiser als vertrouwenspersoon; - ingevolge de opzegging van de lastgeving door de drie lasthebbers tevens een einde is gekomen aan de opdracht van de vertrouwenspersoon; - de zorgvolmacht uiteindelijk één geheel vormde; - de aanwijzing van personen in verschillende hoedanigheden kaderde in een globale wilsuiting, zodat, in geval van verval van een deel van het geheel, dit automatisch ook het einde van de opdracht van de aangewezen vertrouwenspersoon betekent; - de vrederechter aldus alle opdrachten als beëindigd kon aanzien, zonder het zelfbeschikkingsrecht van de te beschermen persoon en artikel 8 EVRM te schenden; - de vrederechter bij de vervanging van de buitengerechtelijke bescherming door rechterlijke bescherming de aanwijzing van de door de te beschermen persoon vooropgestelde vertrouwenspersoon kon weigeren gelet op de concrete omstandigheden van het geval; - immers concrete elementen voorhanden waren die aantonen dat die aanwijzing niet in het belang van de te beschermen persoon is; - sinds jaren spanningen heersen tussen de familieleden, zo ook reeds ten tijde van de aanwijzing van de eiser; - de spanningen ernstig blijven en een groot wantrouwen tussen de familieleden onderling hebben meegebracht; - de verdere aanwijzing van een familielid als vertrouwenspersoon eens te meer spanningen, verdachtmakingen en moeilijkheden zal meebrengen; - die spanningen hoe dan ook niet in het belang van de te beschermen persoon zijn, terwijl niets hen belet om elk op hun manier contact te houden met de te beschermen persoon; - wanneer geen van de familieleden een opdracht van vertrouwenspersoon heeft, met toch een grotere mogelijkheid om kennis te nemen van allerhande familiale en financiële gegevens, dit enigszins een spanningsveld kan wegnemen, wat in het belang van de beschermde persoon is, zo ook in het belang van de familieleden zelf.
  17. De appelrechter die op grond van deze redenen een einde stelt aan de opdracht van de eiser als vertrouwenspersoon omdat de verderzetting ervan ingaat tegen de bedoeling bij de overeenkomst tot buitengerechtelijke bescherming en het belang van de te beschermen persoon, verantwoordt zijn beslissing naar recht. Het middel kan niet worden aangenomen. Vordering tot gemeen- en bindendverklaring
  18. De verwerping van het cassatieberoep ontneemt belang aan de vordering tot gemeen- en bindendverklaring. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep en de vordering tot gemeen- en bindendverklaring. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten voor de eiser op 3.240,76 euro en op de som van 650 euro rolrecht verschuldigd aan de Belgische Staat. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Koen Mestdagh, als voorzitter, en de raadsheren Ilse Couwenberg, Sven Mosselmans, Myriam Ghyselen en Bruno Lietaert en in openbare rechtszitting 9 september 2024 uitgesproken door sectievoorzitter Koen Mestdagh, in aanwezigheid van advocaat-generaal Stijn Ravyse, met bijstand van griffier Wim Vanderputten. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240909.3N.4 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:GHCC:2026:ARR.021 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.