id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 10 september 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:
Art. 6bis
, derde lid - 01 ELI link Pub nr 1921022450 Thesaurus CAS: VERDOVENDE MIDDELEN Wettelijke bepalingen: Wet 24 februari 1921 betreffende het verhandelen van giftstoffen, slaapmiddelen en verdovende middelen, psychotrope stoffen, ontsmettingsstoffen en antiseptica en van de stoffen die kunnen gebruikt worden voor de illegale vervaardiging van verdovende ... -
Art. 6bis
, derde lid - 01 ELI link Pub nr 1921022450 Fiches 3 - 5 Het staat aan de rechter onaantastbaar te oordelen of de opsporingsambtenaar die de huiszoeking heeft uitgevoerd, beschikte over ernstige en objectieve aanwijzingen voor het feit van het vervaardigen, bereiden, bewaren of opslaan in het lokaal van de door de Drugswet geviseerde stoffen en de omstandigheid dat de opsporingsambtenaren of de parketmagistraat van oordeel zijn dat de voorwaarden voor een huiszoeking bij heterdaad zijn verenigd, belet de rechter niet om op basis van dezelfde feitelijke gegevens te oordelen dat er ernstige en objectieve aanwijzingen zijn voor een door artikel 6bis, derde lid, Drugswet bedoelde zoeking
(1); het Hof gaat na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die op grond daarvan onmogelijk kunnen worden verantwoord.
(1)Zie F. VAN VOLSEM, “De huiszoeking op grond van artikel 6bis, derde lid Drugwet”, noot onder Corr. Limburg (afdeling Hasselt), 4 december 2020, RABG 2022, afl. 18, 1322-1327. Thesaurus CAS: ONDERZOEK IN STRAFZAKEN - OPSPORINGSONDERZOEK - Opsporingshandelingen Wettelijke bepalingen: Wet 24 februari 1921 betreffende het verhandelen van giftstoffen, slaapmiddelen en verdovende middelen, psychotrope stoffen, ontsmettingsstoffen en antiseptica en van de stoffen die kunnen gebruikt worden voor de illegale vervaardiging van verdovende ... -
Art. 6bis
, derde lid - 01 ELI link Pub nr 1921022450 Thesaurus CAS: VERDOVENDE MIDDELEN Wettelijke bepalingen: Wet 24 februari 1921 betreffende het verhandelen van giftstoffen, slaapmiddelen en verdovende middelen, psychotrope stoffen, ontsmettingsstoffen en antiseptica en van de stoffen die kunnen gebruikt worden voor de illegale vervaardiging van verdovende ... -
Art. 6bis
, derde lid - 01 ELI link Pub nr 1921022450 Thesaurus CAS: ONAANTASTBARE BEOORDELING DOOR DE FEITENRECHTER Wettelijke bepalingen: Wet 24 februari 1921 betreffende het verhandelen van giftstoffen, slaapmiddelen en verdovende middelen, psychotrope stoffen, ontsmettingsstoffen en antiseptica en van de stoffen die kunnen gebruikt worden voor de illegale vervaardiging van verdovende ... -
Art. 6bis, derde lid - 01 ELI link Pub nr 1921022450 Tekst van de beslissing Nr.
P.24.1293.N T. I., inverdenkinggestelde, aangehouden, eiser, met als raadsman mr. Koen De Backer, advocaat bij de balie Antwerpen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, kamer van inbeschuldigingstelling, van 29 augustus
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Voorzitter Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
- Het middel voert schending aan van artikel 8.17 Burgerlijk Wetboek: met het oordeel dat uit het aanvankelijk proces-verbaal (…) kan worden afgeleid dat de verbalisant stelt dat hij over ernstige, voldoende en objectieve aanwijzingen beschikt voor het bewaren of opslaan van in de Drugwet genoemde stoffen, miskent het arrest de bewijskracht van dit geschrift; het leest in dit geschrift iets wat er niet instaat; de verbalisant vermeldt nergens een dergelijke aanwijzing, maar hij baseert zich voor de huiszoeking op een vermeende heterdaadvaststelling van een drugdeal: het proces-verbaal vermeldt dat de procureur op basis van een vermeende vaststelling van een drugdeal een huiszoeking bij heterdaad beveelt; er wordt geen gewag gemaakt van enig vermoeden van de aanwezigheid van verdovende middelen op het thuisadres van de eiser; het arrest kan de feitelijkheden niet aanpassen om een andere rechtsgrond te rechtvaardigen.
- De rechter miskent de bewijskracht van een akte indien hij van een geschrift, waarnaar hij uitdrukkelijk verwijst, een uitlegging geeft die onverenigbaar is met de bewoordingen van dit geschrift, met andere woorden indien hij de akte doet liegen. Er is geen miskenning van de bewijskracht van een geschrift indien de rechter uit het geschrift louter een juridisch of feitelijk gevolg afleidt, zonder de bewoordingen van de akte te verdraaien.
- Het arrest vermeldt een aantal feitelijke gegevens uit het aanvankelijk proces-verbaal. Het leidt daaruit af dat die vaststellingen onder meer kunnen wijzen op een mogelijke straatdeal van verdovende middelen en dat de verbalisanten voorafgaandelijk beschikten over ernstige, voldoende en objectieve aanwijzingen dat die woning wordt gebruikt voor het bewaren of het opslaan van in de Drugwet bedoelde stoffen. Met dat oordeel doet het arrest het aanvankelijk proces-verbaal niet liegen, maar leidt het er enkel een gevolg uit af. Het middel mist feitelijke grondslag. Tweede middel
- Het middel voert schending aan van artikel 8 EVRM, artikel 6bis Drugwet en de artikelen 36 en 41 Wetboek van Strafvordering: de vaststellingen waarop het arrest zich baseert om te besluiten tot de toepassing van artikel 6bis Drugwet, laten dit oordeel niet toe; die vaststellingen kunnen niet worden aangemerkt als ernstige of precieze elementen; de toepassing van artikel 6bis Drugwet vereist nochtans voorafgaande ernstige aanwijzingen of precieze elementen; de verbalisant stelt niet effectief en met zekerheid vast dat er een uitwisseling van drugs is gebeurd, maar enkel dat de eiser “iets” aan een wachtende jongeman heeft gegeven en dat dit duidelijk de wijze is hoe een straatdeal tot stand komt; er zijn geen objectieve vaststellingen van de aanwezigheid van verdovende middelen of ernstige aanwijzingen daartoe; uit het aanvankelijk proces-verbaal blijkt louter een vermoeden of aanwijzing dat er een misdrijf zou zijn gepleegd, wat niet voldoende is om een huiszoeking te rechtvaardigen; er moeten gegevens zijn waaruit het misdrijf objectief kan worden afgeleid; de herkenning door de verbalisant van de eiser als betrokken zijnde bij een eerdere betrapping op drugs aan de hand van een foto van het rijksregister, is geen objectieve vaststelling; die vaststelling wordt niet geobjectiveerd aan de hand van de politionele databank, maar is gebaseerd op het geheugen van de verbalisant; aangezien artikel 6bis Drugwet een afwijking inhoudt op artikel 8 EVRM, gelden de principes van wettelijkheid, proportionaliteit en subsidiariteit en moet deze bepaling restrictief worden geïnterpreteerd.
- Het arrest oordeelt niet dat de huiszoeking is gerechtvaardigd op basis van de heterdaadprocedure. In zoverre berust het middel op een onjuiste lezing van het arrest en mist het feitelijke grondslag.
- De aangevoerde schending van de artikelen 36 en 41 Wetboek van Strafvordering is afgeleid uit die onjuiste lezing. In zoverre is het middel niet ontvankelijk.
- De uitvoering van de in artikel 6bis, derde lid, Drugwet bedoelde zoeking vereist dat er ernstige en objectieve aanwijzingen bestaan dat er in het kwestieuze lokaal door de Drugwet geviseerde stoffen worden vervaardigd, bereid, bewaard of opgeslagen.
- Ernstige en objectieve aanwijzingen zijn geen bewijzen. Het zijn aanwijzingen met een zekere zwaarwichtigheid die aan het feit van het vervaardigen, bereiden, bewaren of opslaan in het lokaal van door de Drugwet geviseerde stoffen een voldoende graad van aannemelijkheid geven. De aanwijzingen kunnen niet bestaan in louter subjectieve elementen en moeten het niveau van een eenvoudig vermoeden overstijgen.
- Het staat aan de rechter onaantastbaar te oordelen of de opsporingsambtenaar die de huiszoeking heeft uitgevoerd, beschikte over ernstige en objectieve aanwijzingen voor het feit van het vervaardigen, bereiden, bewaren of opslaan in het lokaal van de door de Drugwet geviseerde stoffen.
- De omstandigheid dat de opsporingsambtenaren of de parketmagistraat van oordeel zijn dat de voorwaarden voor een huiszoeking bij heterdaad zijn verenigd, belet de rechter niet om op basis van dezelfde feitelijke gegevens te oordelen dat er ernstige en objectieve aanwijzingen zijn voor een door artikel 6bis, derde lid, Drugwet bedoelde zoeking.
- Het Hof gaat na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die op grond daarvan onmogelijk kunnen worden verantwoord.
- In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
- Het arrest oordeelt dat uit het aanvankelijk proces-verbaal het volgende blijkt: - op 8 augustus 2024 om 15.48 u merken de bevoegde agenten, belast met de bestrijding van overlast een jongeman op die zijn bromfiets parkeert aan het kruispunt (…)-(…) te Antwerpen, dat hij zijn helm afzet en die opbergt en dat hij vervolgens te voet gaat naar het kruispunt (…)-(…); - hij was de hele tijd met zijn gsm bezig en stond op deze hoek te ijsberen, waarbij het duidelijk was dat hij op iemand aan het wachten was; - daarop hebben de agenten een bescheiden toezicht gehouden op de jongeman; - zij stelden vast dat de nummerplaat van de bromfiets was uitgereikt op naam van E.H.; - om 15.56 u zagen de agenten hoe een tweede jongeman naar de wachtende jongeman toestapte; - de beide mannen praten kortstondig met elkaar waarbij een transactie was te zien tussen beiden; - de wachtende jongeman ging terug richting geparkeerde bromfiets en de andere jongeman stak te voet de (…) over; - de verbalisant, die alleen was, besloot de jongeman te volgen; - de jongeman ging te voet verder naar de (…), belde aan bij het nummer (…), opende de deur en ging binnen; - de verbalisant deed nazicht in het rijksregister en aan de hand van de rijksregisterfoto herkende hij onmiddellijk één van de inwoners van dit pand als de eiser, die het jaar daarvoor nog zou zijn betrapt op het dealen van drugs; - een toegesnelde ploeg WOT-Zuid deed nog nazicht naar de jongeman met de bromfiets, maar dit was negatief.
- Het arrest oordeelt dat die vaststellingen kunnen wijzen op een mogelijke straatdeal van verdovende middelen en dat de verbalisanten voorafgaand aan de huiszoeking beschikten over ernstige, voldoende en objectieve aanwijzingen dat de woning werd gebruikt voor het bewaren of opslaan van in de Drugwet genoemde stoffen en dat zij bijgevolg konden overgaan tot een huiszoeking in het betrokken pand. Op grond van de vermelde vaststellingen, die niet louter subjectief van aard zijn en die het niveau van een louter vermoeden overstijgen, kan het arrest wettig tot dat oordeel komen. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 61,11 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, de raadsheren, Erwin Francis, Eric Van Dooren, Steven Van Overbeke en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 10 september 2024 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240910.2N.19 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div