id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 10 september 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240910.2N.6 Rolnummer: P.24.0432.N Zaak: S. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Constitutioneel recht - Overige - Strafrecht Invoerdatum: 2024-09-12 Raadplegingen: 445 - laatst gezien 2026-06-15 07:26 Versie(s): Vertaling samenvatting(
- en)FR nog niet beschikbaar Fiches 1 - 3 Overeenkomstig artikel 26, § 1, derde lid, Bijzondere Wet Grondwettelijk Hof doet het Grondwettelijk Hof bij wijze van prejudiciële beslissing uitspraak bij wege van arrest op vragen omtrent de schending door een wet, een decreet of een in artikel 134 Grondwet bedoelde regel van de artikelen van titel II ‘De Belgen en hun rechten', en de artikelen 170, 172 en 191 Grondwet, maar die bepaling noch enige andere bepaling verlenen aan het Grondwettelijk Hof de bevoegdheid zich bij prejudicieel arrest uit te spreken over een vraag naar de verenigbaarheid van een uitvoeringsbesluit met de voormelde grondwetsbepalingen; artikel 6, 2°, c), KB Rijbewijs voert slechts artikel 23, § 1, 2°, Wegverkeerswet uit door, conform de in die norm aan de Koning gegeven opdracht, nadere regels inzake scholing te bepalen en de voorgestelde prejudiciële vragen die ertoe strekken het Grondwettelijk Hof te bevragen over de verenigbaarheid van dit uitvoeringsbesluit met de in artikel 26, § 1, 3°, Bijzondere Wet Grondwettelijk Hof vermelde grondwetsbepalingen, behoren niet tot de bevoegdheid van het Grondwettelijk Hof. Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF Wettelijke bepalingen: Bijzondere wet op het Arbitragehof van 6 januari 1989 - 06-01-1989 - Art. 26, § 1, derde lid - 30 ELI link Pub nr 1989021001 Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 23, § 1, 2° - 31 ELI link Pub nr 1968031601 KB 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs - 23-03-1998 - Art. 6, 2°,
- c)- 31 ELI link Pub nr 1998014078 Thesaurus CAS: PREJUDICIEEL GESCHIL Wettelijke bepalingen: Bijzondere wet op het Arbitragehof van 6 januari 1989 - 06-01-1989 - Art. 26, § 1, derde lid - 30 ELI link Pub nr 1989021001 Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 23, § 1, 2° - 31 ELI link Pub nr 1968031601 KB 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs - 23-03-1998 - Art. 6, 2°,
- c)- 31 ELI link Pub nr 1998014078 Thesaurus CAS: WEGVERKEER - WEGVERKEERSWET - WETSBEPALINGEN - Artikel 23 Wettelijke bepalingen: Bijzondere wet op het Arbitragehof van 6 januari 1989 - 06-01-1989 - Art. 26, § 1, derde lid - 30 ELI link Pub nr 1989021001 Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 23, § 1, 2° - 31 ELI link Pub nr 1968031601 KB 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs - 23-03-1998 - Art. 6, 2°,
- c)- 31 ELI link Pub nr 1998014078 Fiches 4 - 5 De voorwaarden bepaald in de artikelen 3, § 2, a), b), en
- c)en 4 van het koninklijk besluit van 10 juli 2006 betreffende het rijbewijs voor voertuigen van categorie B, waaronder een kandidaat voor het rijbewijs B recht heeft op een voorlopig rijbewijs B dat hem toelaat zonder begeleider te rijden, behoren tot de regels inzake scholing als bedoeld door artikel 23, § 1, 2°, Wegverkeerswet en de overtreding is strafbaar bij toepassing van artikel 30, § 2, 1°, Wegverkeerswet. Thesaurus CAS: WEGVERKEER - WEGVERKEERSWET - WETSBEPALINGEN - Artikel 23 Wettelijke bepalingen: Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 23, § 1, 2° - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 30, § 2, 1° - 31 ELI link Pub nr 1968031601 KB 10 juli 2006 betreffende het rijbewijs voor voertuigen van categorie B - 10-07-2006 - Art. 3 - 30 ELI link Pub nr 2006014162 KB 10 juli 2006 betreffende het rijbewijs voor voertuigen van categorie B - 10-07-2006 - Art. 4 - 30 ELI link Pub nr 2006014162 Thesaurus CAS: WEGVERKEER - WEGVERKEERSWET - WETSBEPALINGEN - Artikel 30 Wettelijke bepalingen: Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 23, § 1, 2° - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 30, § 2, 1° - 31 ELI link Pub nr 1968031601 KB 10 juli 2006 betreffende het rijbewijs voor voertuigen van categorie B - 10-07-2006 - Art. 3 - 30 ELI link Pub nr 2006014162 KB 10 juli 2006 betreffende het rijbewijs voor voertuigen van categorie B - 10-07-2006 - Art. 4 - 30 ELI link Pub nr 2006014162 Tekst van de beslissing Nr. P.24.0432.N I. S., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Victor Petitat, advocaat bij de balie West-Vlaanderen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de correctionele rechtbank West-Vlaanderen, afdeling Brugge, van 23 februari 2024. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. Raadsheer Jos Decoker heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel Eerste onderdeel 1. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 195 Wetboek van Strafvordering: de appelrechters motiveren dat het niet opportuun is om de in ondergeschikte orde gesuggereerde prejudiciële vragen te stellen, maar doen geen uitspraak over het in eisers appelconclusie geformuleerde verzoek over het al dan niet buiten beschouwing laten van artikel 6, 2°, c), van het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs (hierna KB Rijbewijs) en dit op grond van artikel 159 Grondwet. 2. Het bestreden vonnis (p. 5) oordeelt over de door de eiser opgeworpen ongrondwettigheid van artikel 6, 2°, c), KB Rijbewijs als volgt: - het gaat niet om dezelfde categorie van personen; - een houder van een voorlopig rijbewijs categorie C heeft meer rijvaardigheid dan een houder van een voorlopig rijbewijs categorie B, aangezien een houder van een voorlopig rijbewijs categorie C reeds houder is van een Belgisch of Europees rijbewijs voor de categorie B en naar gelang het geval tevens voor het besturen van het overeenstemmende trekkende voertuig; - commercieel vervoer, dat gezien de verloning een beroepsuitoefening betreft, doet zich dag in dag uit voor, waarbij de vervoerder voortdurend pakjes ophaalt en aflevert; dergelijk vervoer kan men niet vergelijken met vervoer voor een of andere hobby, wat overigens voor eigen rekening gebeurt; - dat men voor eigen vervoer met een voorlopig rijbewijs categorie B mag rijden en hogere eisen stelt voor vervoer om commerciële beroepsredenen, is geheel verantwoord; - het standpunt van de eiser dat artikel 6, 2°, c), KB Rijbewijs ongrondwettig zou zijn “aangezien het eenzelfde categorie personen zonder redelijke verantwoording op een onderscheiden wijze behandelt”, is derhalve niet juist. 3. Aldus oordeelt het bestreden vonnis dat deze bepaling niet ongrondwettig is en geeft het te kennen dat er geen reden is om ze bij toepassing van artikel 159 Grondwet buiten toepassing te laten. Het onderdeel berust op een onjuiste lezing van het bestreden vonnis en mist feitelijke grondslag. Tweede onderdeel 4. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 195 Wetboek van Strafvordering: de appelrechters motiveren dat artikel 6, 2°, c), KB Rijbewijs pertinent is ten aanzien van het doel dat erin bestaat de verkeersveiligheid te bevorderen, maar beoordelen niet de vraag of er een verband van evenredigheid bestaat tussen die maatregel en dat doel (eerste subonderdeel); de onmogelijkheid tot het uitoefenen van commercieel goederenvervoer op basis van een voorlopig rijbewijs categorie B heeft zware gevolgen voor de betrokkene, aangezien hij geen goederen mag vervoeren zodra hij dit in commercieel verband zou doen, terwijl hij dit wel mag indien het zou gaan om niet-commercieel goederenvervoer of commercieel niet-goederenvervoer; het verschil in behandeling dat voortvloeit uit de in het geding zijnde bepaling, zoals zij door de appelrechters wordt geïnterpreteerd, is niet redelijk verantwoord (tweede subonderdeel). 5. Het bestreden vonnis oordeelt met betrekking tot de door de eiser opgeworpen discriminatie door artikel 6, 2°, c), KB Rijbewijs niet enkel zoals aangegeven in het onderdeel, maar ook met de redenen zoals vermeld in het antwoord op het eerste onderdeel, waarmee het naar recht oordeelt dat die bepaling het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel niet miskent en die beslissing ook regelmatig met redenen omkleedt. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Derde onderdeel 6. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 10, 11, 149 en 159 Grondwet, artikel 26 Bijzondere Wet Grondwettelijk Hof, artikel 195 Wetboek van Strafvordering, artikel 30, § 2, Wegverkeerswet en artikel 6, 2°, c), KB Rijbewijs: de appelrechters wijzen de door de eiser voorgestelde prejudiciële vragen voor het Grondwettelijk Hof ten onrechte af door te stellen dat deze “niet opportuun” zijn (eerste subonderdeel); voor zover de appelrechters impliciet zouden hebben geoordeeld dat er “klaarblijkelijk geen schending” zou zijn, eigenen zij zich ten onrechte de bevoegdheid van het Grondwettelijk Hof toe aangezien zij in hun oordeel noodzakelijkerwijze het doel en de gevolgen van de ter beoordeling staande norm dienen te betrekken (tweede subonderdeel). Aan het Hof wordt gevraagd zelf aan het Grondwettelijk Hof de volgende prejudiciële vragen te stellen: “1. Schendt artikel 30, § 2, 1° van de Wet van 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer, geïnterpreteerd conform artikel 6.2°, c van het Koninklijk Besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in die mate dat het met een voorlopig rijbewijs cat. B wel toegestaan is om in niet-commercieel verband goederen te vervoeren en niet om in commercieel verband goederen te vervoeren, terwijl dergelijk vervoer eenzelfde rijvaardigheid vereist?” en “2. Schendt artikel 30, § 2, 1° van de Wet van 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer, geïnterpreteerd conform artikel 6.2°, c van het Koninklijk Besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in die mate dat het met een voorlopig rijbewijs cat. B niet toegestaan is om in commercieel verband goederen te vervoeren en terwijl dat met een voorlopig rijbewijs cat. C wel toegestaan is, terwijl beide houders van een voorlopig rijbewijs over eenzelfde gebrek aan rijvaardigheid voor de betrokken voertuigcategorie (kunnen) beschikken?” 7. Artikel 26, § 1, derde lid, Bijzondere Wet Grondwettelijk Hof bepaalt dat het Grondwettelijk Hof bij wijze van prejudiciële beslissing uitspraak doet bij wege van arrest op vragen omtrent de schending door een wet, een decreet of een in artikel 134 Grondwet bedoelde regel van de artikelen van titel II ‘De Belgen en hun rechten’, en de artikelen 170, 172 en 191 Grondwet. Die bepaling noch enige andere bepaling verlenen aan het Grondwettelijk Hof de bevoegdheid zich bij prejudicieel arrest uit te spreken over een vraag naar de verenigbaarheid van een uitvoeringsbesluit met de voormelde grondwetsbepalingen. 8. Volgens artikel 30, § 2, 1°, Wegverkeerswet wordt met geldboete gestraft, hij die een overtreding heeft begaan op de bepalingen door de Koning vastgesteld krachtens artikel 23, § 1, 2° en 4°, hetzij als bestuurder, hetzij als persoon die een bestuurder begeleidt met het oog op de scholing. Volgens artikel 23, § 1, 2°, Wegverkeerswet wordt het Belgisch rijbewijs afgegeven indien de verzoeker onder andere aan de voorwaarde voldoet geslaagd te zijn voor een door de Koning in te richten praktisch examen betreffende de kennis en vaardigheid die nodig zijn voor het besturen van voertuigen van elke categorie, waarvoor het rijbewijs wordt aangevraagd en bepaalt de Koning de nadere regelen inzake scholing. 9. Die nadere regelen inzake scholing worden onder meer bepaald in artikel 6, 2°, c), KB Rijbewijs, dat de scholing op basis van een voorlopig rijbewijs aan de voorwaarde onderwerpt dat het voertuig in commercieel verband geen goederen mag vervoeren, behalve als de bestuurder houder is van een voorlopig rijbewijs geldig voor de categorieën C1, C1+E, C of C+E. 10. Uit deze bepalingen volgt dat de met de door de eiser voorgestelde prejudiciële vragen bedoelde discriminatie niet in artikel 30, § 2, 1°, Wegverkeerswet is vervat, noch in artikel 23, § 1, 2°, van die wet, maar slechts in het KB Rijbewijs. Artikel 6, 2°, c), KB Rijbewijs voert slechts artikel 23, § 1, 2°, Wegverkeerswet uit door, conform de in die norm aan de Koning gegeven opdracht, nadere regels inzake scholing te bepalen. De twee voorgestelde prejudiciële vragen strekken dan ook ertoe het Grondwettelijk Hof te bevragen over de verenigbaarheid van een uitvoeringsbesluit met de in artikel 26, § 1, 3°, Bijzondere Wet Grondwettelijk Hof vermelde grondwetsbepalingen. Het Grondwettelijk Hof heeft die bevoegdheid niet. 11. Het Hof stelt bijgevolg de prejudiciële vragen niet. 12. De eiser heeft gelet op het voorgaande geen belang meer bij zijn kritiek op de beslissing van de appelrechters de prejudiciële vragen niet te stellen. In zoverre is het onderdeel niet ontvankelijk. Tweede middel 13. Het middel voert schending aan van de artikelen 23, § 1, 2° en 4° en 30, § 2, 1°, Wegverkeerswet: de appelrechters motiveren dat artikel 4 van het koninklijk besluit van 10 juli 2006 betreffende het rijbewijs voor voertuigen van categorie B (hierna KB Rijbewijs Categorie B) een bepaling is vastgesteld krachtens artikel 23, § 1, 2° en 4°, Wegverkeerswet; artikel 4 KB Rijbewijs Categorie B, dat stelt dat maximaal twee personen mogen worden vervoerd die voldoen aan de voorwaarden bedoeld in artikel 3, § 2, a),
- b)en c), van dat besluit, is op zich geen bepaling met betrekking tot het theoretisch onderricht of de praktische scholing; een inbreuk op artikel 4 KB Rijbewijs Categorie B valt dan ook niet onder het toepassingsgebied van artikel 23, § 1, 2° en 4°, Wegverkeerswet en is niet strafbaar op grond van artikel 30, § 2, 1°, Wegverkeerswet. 14. Volgens artikel 30, § 2, 1°, Wegverkeerswet wordt met geldboete gestraft, hij die een overtreding heeft begaan op de bepalingen door de Koning vastgesteld krachtens artikel 23, § 1, 2° en 4°, hetzij als bestuurder, hetzij als persoon die een bestuurder begeleidt met het oog op de scholing. Volgens artikel 23, § 1, 2°, Wegverkeerswet wordt het Belgisch rijbewijs afgegeven indien de verzoeker onder andere aan de voorwaarde voldoet geslaagd te zijn voor een door de Koning in te richten praktisch examen betreffende de kennis en vaardigheid die nodig zijn voor het besturen van voertuigen van elke categorie, waarvoor het rijbewijs wordt aangevraagd en bepaalt de Koning de nadere regelen inzake scholing. 15. Artikel 4 KB Rijbewijs Categorie B bepaalt het volgende: “De kandidaat voor het rijbewijs B die geslaagd is voor het theoretisch examen, minstens 18 jaar is en die, na 20 uur praktisch rijonderricht gevolgd te hebben of na geslaagd te zijn voor een test over de technische rijvaardigheden, een bekwaamheidsgetuigschrift heeft bekomen, heeft recht op een voorlopig rijbewijs B dat hem toelaat zonder begeleider te rijden. Dit voorlopig rijbewijs is 18 maanden geldig. Het voorlopig rijbewijs B stemt overeen met het model in bijlage 2 bij dit besluit. De houder van het voorlopig rijbewijs B zonder begeleider mag vergezeld zijn van ten hoogste twee personen die voldoen aan de voorwaarden bedoeld in artikel 3, § 2, a),
- b)en c).” Artikel 3, § 2, a),
- b)en c), KB Rijbewijs Categorie B bepaalt het volgende: “De houder van het voorlopig rijbewijs B moet vergezeld zijn van een begeleider die aan de volgende voorwaarden voldoet:
- a)hij moet beantwoorden aan de in artikel 3, § 1 van het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs bedoelde voorwaarden om een rijbewijs te verkrijgen;
- b)hij moet sedert ten minste 8 jaar houder en drager zijn van een Belgisch of Europees rijbewijs geldig om een voertuig van de categorie B te besturen. De bestuurder die, overeenkomstig artikel 44, § 5 of artikel 45 van het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs, enkel een speciaal aan zijn handicap aangepast voertuig mag besturen, mag niet als begeleider bij de scholing optreden, behalve indien de kandidaat aan dezelfde handicap lijdt en eveneens een speciaal aan deze handicap aangepast voertuig bestuurt;
- c)hij mag niet vervallen zijn of mag gedurende de laatste drie jaar niet vervallen geweest zijn van het recht om een motorvoertuig te besturen en moet voldaan hebben aan de examens en onderzoeken die eventueel krachtens artikel 38 van de wet van 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer werden opgelegd”. 16. Deze voorwaarden waaronder een kandidaat voor het rijbewijs B recht heeft op een voorlopig rijbewijs B dat hem toelaat zonder begeleider te rijden, behoren tot de regels inzake scholing als bedoeld door artikel 23, § 1, 2°, Wegverkeerswet en de overtreding is strafbaar bij toepassing van artikel 30, § 2, 1°, Wegverkeerswet. Het middel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht. Derde middel 17. Het middel voert schending aan van artikel 27 (oud artikel 21ter) Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering: de appelrechters hebben ten onrechte aangenomen dat de redelijke termijn in strafzaken niet overschreden is; de feiten dateren van 6, 11 en 13 mei 2022; de laatste daad van onderzoek werd gesteld op 12 augustus 2022; de opdracht tot rechtstreekse dagvaarding werd pas op 21 mei 2023 gegeven door de gedelegeerd parketjurist en de dagvaarding werd pas op 23 juni 2023 betekend aan de eiser; dit alles met het oog op de rechtszitting van de eerste rechter van 14 september 2023; de strafvervolging, die niet als complex kan worden beschouwd, lag aldus gedurende al die tijd stil zonder enige verantwoording. 18. Het staat aan de rechter onaantastbaar te oordelen of op basis van de aard en de complexiteit van de zaak, de houding van de met opsporing en vervolging belaste instanties, de houding van de beklaagde en het belang dat de zaak voor hem heeft, de door artikel 6.1 EVRM gewaarborgde redelijke termijn is overschreden en wat de ernst van die overschrijding is. 19. Het middel komt geheel op tegen die onaantastbare beoordeling en is derhalve niet ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek 20. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 71,01 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, de raadsheren, Erwin Francis, Eric Van Dooren, Steven Van Overbeke en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 10 september 2024 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240910.2N.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.