id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 10 september 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:
Art. 11
.4.1 - 44 ELI link Pub nr 2013035861 Decreet 12 juli 2013 betreffende het
Art. 11
.4.2 - 44 ELI link Pub nr 2013035861 Thesaurus CAS: STEDENBOUW - ALLERLEI Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 1385quinquies - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Decreet 12 juli 2013 betreffende het
Art. 11
.4.1 - 44 ELI link Pub nr 2013035861 Decreet 12 juli 2013 betreffende het
Art. 11
.4.2 - 44 ELI link Pub nr 2013035861 Thesaurus CAS: AANHANGIG GEDING Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 1385quinquies - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Decreet 12 juli 2013 betreffende het
Art. 11
.4.1 - 44 ELI link Pub nr 2013035861 Decreet 12 juli 2013 betreffende het
Art. 11
.4.2 - 44 ELI link Pub nr 2013035861 Thesaurus CAS: VORDERING IN RECHTE Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 1385quinquies - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Decreet 12 juli 2013 betreffende het
Art. 11
.4.1 - 44 ELI link Pub nr 2013035861 Decreet 12 juli 2013 betreffende het
Art. 11.4.2 - 44 ELI link Pub nr 2013035861 Tekst van de beslissing Nr.
P.23.1079.N A.-M. D. G., beklaagde, eiseres, met als raadsman mr. Pieterjan Van Muysen, advocaat bij de balie Gent, met kantoor te 9000 Gent, Martelaarslaan 134, waar de eiseres woonplaats kiest, tegen INSPECTEUR ONROEREND ERFGOED, met kantoor te 1210 Brussel, Koning Albert II laan 19 bus 22, eiser tot herstel, verweerder, met als raadsman mr. Veerle Tollenaere, advocaat bij de balie Gent, met kantoor te 9000 Gent, Koning Albertlaan 128, waar de verweerder woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 23 juni
- De eiseres voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Raadsheer Steven Van Overbeke heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het cassatieberoep
- Het arrest verklaart het hoger beroep van de eiseres ontvankelijk. In zoverre ook tegen die beslissing gericht, is het cassatieberoep bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Eerste middel
- Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en de artikelen 1385quater en 1385quinquies Gerechtelijk Wetboek, alsook miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van de motiveringsverplichting: met het oordeel dat een vordering tot opheffing van een dwangsom op straffe van niet-ontvankelijkheid moet worden betekend aan alle schuldeisers van de dwangsom en de eiseres zich bijgevolg niet ertoe kon beperken in dit verband slechts de verweerder maar niet het openbaar ministerie te dagvaarden voor de correctionele rechtbank, verantwoorden de appelrechters niet naar recht dat de vordering van de eiseres, zoals geformuleerd in de op haar verzoek op 7 januari 2022 aan de verweerder betekende dagvaarding, niet ontvankelijk is; de eiseres werd bij vonnis van de correctionele rechtbank van 15 september 2015 veroordeeld tot het herstel op straffe van verbeurte van een dwangsom bij toepassing van de artikelen 11.4.1 en 11.4.2 Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013, waarbij dit herstel louter werd gevorderd door de verweerder, die in zijn hoedanigheid van eiser tot herstel hiertoe als formele procespartij is tussengekomen in de procedure voor de correctionele rechtbank en als enige het herstel en daarbij een dwangsom heeft gevorderd; door het openbaar ministerie werd noch het herstel, noch een dwangsom gevorderd, zodat het openbaar ministerie ook niet kan worden beschouwd als de schuldeiser van de dwangsom; de appelrechters miskennen hierbij ook de motiveringsplicht door niet vast te stellen wie de schuldeiser is van de verbeurde dwangsommen.
- Wanneer de strafrechter op vordering van de Inspecteur Onroerend Erfgoed een beklaagde op straffe van verbeurte van een dwangsom veroordeelt tot het herstel zoals bedoeld in de artikelen 11.4.1 en 11.4.2 Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013, kan die beklaagde bij toepassing van artikel 1385quinquies Gerechtelijk Wetboek voor die rechter de opheffing, de opschorting of de vermindering van de dwangsom vorderen ingeval van blijvende of tijdelijke, gehele of gedeeltelijke onmogelijkheid om aan de hoofdveroordeling te voldoen.
- Een vordering tot opheffing van een dwangsom die op vordering van de Inspecteur Onroerend Erfgoed door de strafrechter werd opgelegd, wordt bij die laatste regelmatig aanhangig gemaakt wanneer de tot de dwangsom veroordeelde beklaagde de Inspecteur Onroerend Erfgoed daartoe laat dagvaarden voor die strafrechter, die zitting houdt en de zaak behandelt in aanwezigheid van het openbaar ministerie. Een aldus bij de strafrechter aanhangig gemaakte vordering tot opheffing van de dwangsom kan dan ook niet onontvankelijk worden verklaard op de enkele grond dat de veroordeelde beklaagde zijn vordering louter heeft betekend aan de Inspecteur Onroerend Erfgoed en niet aan het openbaar ministerie. De appelrechters, die anders oordelen, verantwoorden hun beslissing niet naar recht. Het middel is in zoverre gegrond. Overige grieven
- De grieven behoeven geen antwoord. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest, behoudens in zoverre dit het hoger beroep van de eiseres ontvankelijk verklaart. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest. Verwerpt het cassatieberoep voor het overige. Veroordeelt de eiseres tot een tiende van de kosten. Houdt de beslissing over de overige kosten aan en laat die over aan de rechter op verwijzing. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Gent, anders samengesteld. Bepaalt de kosten op 168,49 euro, waarvan 133,49 euro is verschuldigd. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, de raadsheren, Erwin Francis, Eric Van Dooren, Steven Van Overbeke en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 10 september 2024 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240910.2N.8 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div