← België

D. contra V.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 17 september 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240917.2N.11 Rolnummer: P.23.0114.N Zaak: D. contra V. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Overige Invoerdatum: 2024-09-23 Raadplegingen: 748 - laatst gezien 2026-06-19 04:47 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiches 1 - 2 Uit het enkele feit dat een beklaagde voldoet aan de wettelijke voorwaarden om uitstel van tenuitvoerlegging van de bestraffing te genieten, volgt niet dat de rechter verplicht is die maatregel toe te kennen; de rechter oordeelt onaantastbaar over de wenselijkheid ervan; er bestaat immers geen recht op uitstel van tenuitvoerlegging

(1).
(1)Cass. 21 december 2021, AR P.21.0999.N ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211221.2N.2, AC 2021, nr. 821. Thesaurus CAS: VEROORDELING MET UITSTEL EN OPSCHORTING VAN DE VEROORDELING - GEWOON UITSTEL Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 195, tweede lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wet van 29 juni 1964 betreffende de opschorting, het uitstel en de probatie - 29-06-1964 - Art. 8, § 1, vierde lid - 30 ELI link Pub nr 1964062906 Thesaurus CAS: ONAANTASTBARE BEOORDELING DOOR DE FEITENRECHTER Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 195, tweede lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wet van 29 juni 1964 betreffende de opschorting, het uitstel en de probatie - 29-06-1964 - Art. 8, § 1, vierde lid - 30 ELI link Pub nr 1964062906 Fiches 3 - 5 Uit artikel 8, § 1, vierde lid, Probatiewet en artikel 195, tweede lid, Wetboek van Strafvordering, zoals hier toepasselijk, volgt dat indien de rechter een verzoek om uitstel van tenuitvoerlegging afwijst, uit zijn beslissing moet blijken dat hij dit verzoek en de stavende redenen daartoe in aanmerking heeft genomen en hij nauwkeurig de redenen vermeldt voor de weigeringsbeslissing; die motivering mag beknopt zijn
(1); de afwijzende beslissing over een verzoek om uitstel van tenuitvoerlegging vereist niet noodzakelijk een autonome motivering; de rechter kan die afwijzing nauwkeurig motiveren door het opgeven of het mede opgeven van de redenen die het opleggen van een effectieve bestraffing verantwoorden
(2).
(1)Cass. 14 september 2021, AR P.21.0872.N ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210914.2N.16, AC 2021, nr. 553, T. Strafr. 2021, 386 noot P. HOET; Cass. 4 februari 2020, AR P.19.1162.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200204.2N.17, AC 2020, nr. 99, NC 2021, 154 noot M. VERDICKT; Cass. 14 oktober 2014, AR P.13.1915, AC 2014, nr. 603; M.-A. BEERNAERT, H. D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale, Die Keure, 2021, II, p. 1547-1563.
(2)Cass. 21 mei 2024, AR P.24.0422.N ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240521.2N.7, AC 2024, nr. 388; Cass. 14 september 2021, P.21.0872.N ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210914.2N.16, AC 2021, nr. 553, T. Strafr. 2021, 386 noot P. HOET; Cass. 4 februari 2020, AR P.19.1162.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200204.2N.17, AC 2020, nr. 99, NC 2021, 154 noot M. VERDICKT; Cass. 20 november 2019, AR P.19.0925.F ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191120.2F.4, AC 2019, nr. 613. Thesaurus CAS: VEROORDELING MET UITSTEL EN OPSCHORTING VAN DE VEROORDELING - GEWOON UITSTEL Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 195, tweede lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wet van 29 juni 1964 betreffende de opschorting, het uitstel en de probatie - 29-06-1964 - Art. 8, § 1, vierde lid - 30 ELI link Pub nr 1964062906 Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - OP CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 195, tweede lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wet van 29 juni 1964 betreffende de opschorting, het uitstel en de probatie - 29-06-1964 - Art. 8, § 1, vierde lid - 30 ELI link Pub nr 1964062906 Thesaurus CAS: STRAF - ALGEMEEN. STRAF EN MAATREGEL. WETTIGHEID Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 195, tweede lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wet van 29 juni 1964 betreffende de opschorting, het uitstel en de probatie - 29-06-1964 - Art. 8, § 1, vierde lid - 30 ELI link Pub nr 1964062906 Fiches 6 - 7 Uit artikel 149 Grondwet volgt wat betreft de motivering van de straf enkel de verplichting een door een beklaagde ontwikkeld verweer te beantwoorden; uit de samenlezing van artikel 149 Grondwet, artikel 8, § 1, vierde lid, Probatiewet en artikel 195, tweede lid, Wetboek van Strafvordering, zoals toepasselijk, volgt dat indien een beklaagde ter staving van zijn verzoek om uitstel van tenuitvoerlegging concrete elementen aanvoert betreffende de gevolgen van een straf voor zijn reclassering en resocialisering, uit de rechterlijke beslissing een afweging moet blijken tussen eensdeels de zwaarwichtigheid van de te beoordelen feiten en de persoonlijkheid van de beklaagde en anderdeels de nadelige effecten van een effectieve bestraffing voor zijn reclassering en resocialisering
(1).
(1)Cass. 21 december 2021, AR P.21.0999.N ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211221.2N.2, AC 2021, nr.
  1. Thesaurus CAS: VEROORDELING MET UITSTEL EN OPSCHORTING VAN DE VEROORDELING - GEWOON UITSTEL Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 149 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Wet van 29 juni 1964 betreffende de opschorting, het uitstel en de probatie - 29-06-1964 - Art. 8, § 1, vierde lid - 30 ELI link Pub nr 1964062906 Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - OP CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 149 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Wet van 29 juni 1964 betreffende de opschorting, het uitstel en de probatie - 29-06-1964 - Art. 8, § 1, vierde lid - 30 ELI link Pub nr 1964062906 Tekst van de beslissing Nr. P.23.0114.N K. D., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Rebecca-Erendira Segers, advocaat bij de balie Dendermonde, tegen Thierry VAN DOOSSELAERE, met kantoor te 1000 Brussel, Kloosterdreef 7, in zijn hoedanigheid van curator van het faillissement SUN LIGHT BELGIUM bv, burgerlijke partij, verweerder. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 19 december
  2. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vijf middelen aan. Raadsheer Eric Van Dooren heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het cassatieberoep
  3. Het arrest spreekt de eiser vrij van de telastleggingen 1.1 en 2.1 en het verklaart de burgerlijke vordering van de verweerder zonder voorwerp. In zoverre ook tegen die beslissingen gericht, is het cassatieberoep bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Eerste middel Eerste onderdeel
  4. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 193, 196, 197 en 213 Strafwetboek: het arrest verklaart de eiser ten onrechte schuldig aan de telastleggingen 1.2 (valsheid in geschriften) en 2.2 (gebruik van valse stukken); uit de feiten die het vaststelt, kan het arrest niet wettig afleiden dat de aanstelling van K.A. als zaakvoerder van Sun Light Belgium bv louter fictief en in strijd met de waarheid was.
  5. Wanneer bij een vervolging wegens valsheid in geschriften en gebruik van valse stukken de aan een beklaagde verweten waarheidsvermomming erin bestaat een andere persoon tot bestuurder van een vennootschap te doen benoemen zonder dat die persoon in werkelijkheid die bestuursfunctie vervult, oordeelt de rechter daarover onaantastbaar op basis van de hem overgelegde feitelijke gegevens van de zaak. Het Hof gaat enkel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die op grond daarvan onmogelijk kunnen worden aangenomen.
  6. Het arrest (p. 23-24 en 25-26, nrs. 6.2 en 6.4) stelt vast dat: - de aandelen van Sun Light Belgium bv aan K.A., de schoonzoon van de eiser, werden overgedragen aan een prijs van 1,00 euro per aandeel, een symbolisch bedrag; - tijdens de bestuursperiode van K.A. de eiser zelf steeds als feitelijk bestuurder is blijven optreden. Dat volgt uit de samenlezing van meerdere elementen, namelijk de verklaring van de vorige zaakvoerster E.D., dit is de echtgenote van de eiser, die niets wist van de overdracht van haar aandelen aan haar schoonzoon en diens zaakvoerderschap, de verklaring van de boekhouder van Sun Light Belgium bv voor wie K.A. onbekend was en die enkel de eiser als contactpersoon is blijven houden, alsook het feit dat de eiser tot aan het uitgesproken faillissement volmacht is blijven houden op de vennootschapsrekening; - K.A. kort na zijn benoeming definitief met zijn gezin naar Groot-Brittannië zou zijn verhuisd en alleszins in België ambtshalve werd afgeschreven op 20 augustus
  7. Bijgevolg moet hij op het ogenblik van zijn benoeming op 1 maart 2015 reeds hebben geweten dat hij het land zou verlaten, waardoor het ongeloofwaardig is dat hij in die omstandigheden voornemens was om de effectieve leiding van de Belgische vennootschap van zijn schoonouders (inclusief alle schulden en vorderingen) op zich te nemen of dat hij op die wijze in staat zou zijn geweest om de zaak te leiden; - uit geen enkel stuk blijkt dat K.A. effectief enige daad van feitelijk bestuur zou hebben gesteld; - K.A. zelfs nooit een volmacht op de vennootschapsrekening heeft gehad; - E.D. die haar aandelen aan K.A. heeft verkocht, heeft verklaard dat zij zelfs geen weet heeft van enige betaling voor die verkoop; - onder het zaakvoerderschap van K.A. de boekhouding niet meer werd bijgehouden.
  8. Op grond van die elementen kan het arrest wettig oordelen dat de aanstelling van K.A. als zaakvoerder van Sun Light Belgium bv louter fictief en in strijd met de waarheid was en dat het stuk dat die onwaarheid bevat, vals is. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Tweede onderdeel
  9. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en de artikelen 193, 196, 197 en 213 Strafwetboek: het arrest verklaart de eiser ten onrechte schuldig aan de telastleggingen 1.2 (valsheid in geschriften) en 2.2 (gebruik van valse stukken); uit de feiten die het vaststelt, kan het arrest niet wettig afleiden dat de eiser door K.A. als zaakvoerder van Sun Light Belgium bv te doen aanstellen, de intentie of het bedrieglijk opzet had om die misdrijven te plegen; bovendien beantwoordt het arrest niet het daarover in appelconclusie aangevoerde verweer over eisers depressieve toestand op het ogenblik van de feiten.
  10. Het moreel bestanddeel van valsheid in geschriften en gebruik van valse geschriften bestaat, hetzij in bedrieglijk opzet, hetzij in het oogmerk om te schaden. Bedrieglijk opzet is het opzet zichzelf of een ander een onrechtmatig voordeel te verschaffen. Er is bedrieglijk opzet zodra de dader enig voordeel of enige winst beoogt, die hij niet zou hebben behaald indien hij het waarheidsgetrouwe karakter van het geschrift had geëerbiedigd.
  11. De rechter oordeelt onaantastbaar in het licht van de gegevens van de zaak of een van de waarheidsvermomming te onderscheiden bedrieglijk opzet aanwezig is. Het Hof gaat enkel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die op grond daarvan onmogelijk kunnen worden aangenomen.
  12. Het arrest (p. 26, nr. 6.4) oordeelt desbetreffend: “De waarheidsvermomming was bedoeld om derden, in het bijzonder schuldeisers, nadeel te berokkenen. Het bedrieglijk opzet bestond erin om de vennootschap, die zich in financiële moeilijkheden bevond, over te dragen aan een strofiguur die helemaal niet de bedoeling had om zijn bestuurdersplicht als zaakvoerder naar best vermogen uit te oefenen (sterfhuisconstructie), maar om de bedrijfsstructuur ondoorzichtig te maken, het faillissement uit te stellen, de executie voor schuldeisers te bemoeilijken en de bestuurdersaansprakelijkheid van de achtermannen, in het bijzonder [de eiser], te ontlopen.”
  13. Met die op de in het antwoord op het eerste onderdeel vermelde vaststellingen gesteunde redenen kan het arrest wettig oordelen dat de eiser bij de onder 1.2 en 2.2 ten laste gelegde feiten met bedrieglijk opzet handelde. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen.
  14. Met betrekking tot de aangevoerde depressieve toestand van de eiser oordeelt het arrest (p. 24) dat “depressieve klachten niet uitsluiten dat [de eiser] de facto nog optrad als feitelijk zaakvoerder, zoals trouwens objectief blijkt uit de gegevens van het strafdossier.” Het stelt tevens vast dat de beweerde werkonbekwaamheid van de eiser formeel wordt tegengesproken door de verklaring van M.C., waaruit blijkt dat de eiser nog als secretarismedewerker is blijven werken. Met die redenen beantwoordt en verwerpt het arrest het door het onderdeel bedoelde verweer. In zoverre mist het onderdeel feitelijke grondslag. Tweede middel Eerste onderdeel
  15. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en de artikelen 193, 196, 197 en 213 Strafwetboek, alsook miskenning van de bewijskracht van akten: het arrest verklaart de eiser ten onrechte schuldig aan de telastleggingen 1.3 en 1.4 (valsheid in geschriften) en 2.3 en 2.4 (gebruik van valse stukken); uit de feiten die het vaststelt, kan het arrest niet wettig afleiden dat de eiser op 1 juni 2016 betrokken was bij de aanstelling van M.C. als zaakvoerder van Sun Light Belgium bv en de verplaatsing van de maatschappelijke zetel van die vennootschap naar een nieuw adres te Anderlecht; bovendien steunt dat oordeel op de reden dat de eiser als enige een volmacht op de vennootschapsrekening had, daar waar dit ook het geval was voor E.D.; aldus miskent het arrest de bewijskracht van het document van Belfius Bank dat als bijlage is gevoegd aan het proces-verbaal nr. 5000/
  16. Het onderdeel verduidelijkt niet hoe en waarom het arrest artikel 149 Grondwet schendt. In zoverre is het onderdeel bij gebrek aan nauwkeurigheid niet ontvankelijk.
  17. Het arrest verwijst niet naar de in het onderdeel bedoelde bijlage bij het proces-verbaal nr. 5000/17 en kan dan ook de bewijskracht ervan niet miskennen. In zoverre mist het onderdeel feitelijke grondslag.
  18. De rechter oordeelt onaantastbaar op basis van de hem beschikbare feitelijke gegevens of een beklaagde betrokken was bij het plegen van een misdrijf. Het Hof gaat enkel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die op grond daarvan onmogelijk kunnen worden aangenomen.
  19. Het arrest (p. 23-24, nr. 6.2) oordeelt dat de eiser tussen de aanstelling van E.D. als zaakvoerster op 31 december 2013 en de aanstelling van M.C. als zaakvoerder op 1 juni 2016 steeds zelf als feitelijk bestuurder van Sun Light Belgium bv is blijven optreden. Het steunt dat oordeel op de volgende redenen: - E.D., de echtgenote van de eiser die in zijn opvolging op 31 december 2013 als bestuurder van Sun Light Belgium bv werd aangesteld, blijkt niet op de hoogte te zijn van het reilen en zeilen van de vennootschap. Zij weet niets over een betaling voor de aandelen die K.A. van haar overkocht noch over de wijze waarop dat in de praktijk is verlopen. Het is duidelijk dat naast haar nog een andere persoon het feitelijk bestuur opnam en daarvoor komt enkel de eiser in aanmerking; - de eiser ondertekende op 20 februari 2015 een contract voor de leasing van een wagen in zijn hoedanigheid van vertegenwoordiger van Sun Light Belgium bv. Hij ondertekende ook het proces-verbaal van aflevering van de wagen op 5 maart 2015 en een leasingcontract voor een andere wagen op dezelfde dag, alsmede het proces-verbaal van aflevering daarvan op 20 maart 2015; - de boekhouder van Sun Light Belgium bv verklaarde dat enkel de eiser en E.D. de contactpersonen waren van de vennootschap en dat tot einde augustus
  20. K.A. en M.C. zijn hem onbekend; - de eiser behield tot aan de datum van het faillissement een volmacht op de vennootschapsrekening.
  21. Op grond van die elementen kan het arrest wettig oordelen dat de eiser betrokken was bij de aanstelling van M.C. als zaakvoerder van Sun Light Belgium bv en de verplaatsing van de maatschappelijke zetel van die vennootschap naar een nieuw adres te Anderlecht. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Tweede onderdeel
  22. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en de artikelen 193, 196, 197 en 213 Strafwetboek, alsook miskenning van de bewijskracht van akten: het arrest verklaart de eiser ten onrechte schuldig aan de telastleggingen 1.3 en 1.4 (valsheid in geschriften) en 2.3 en 2.4 (gebruik van valse stukken); uit de feiten die het vaststelt, kan het arrest niet wettig afleiden dat de aanstelling van M.C. als zaakvoerder van Sun Light Belgium bv louter fictief en in strijd met de waarheid was; bovendien steunt dat oordeel op de reden dat de eiser als enige een volmacht op de vennootschapsrekening had, daar waar dit ook het geval was voor E.D.; aldus miskent het arrest de bewijskracht van het document van Belfius Bank dat als bijlage is gevoegd aan het proces-verbaal nr. 5000/17; tevens miskent het de bewijskracht van de verklaringen van twee leveranciers van Sun Light Belgium bv door daaruit niet af te leiden dat zij M.C. uitdrukkelijk als zaakvoerder van die vennootschap beschouwden, alsook van de definitieve veroordeling van M.C. bij vonnis op verzet van de correctionele rechtbank Oost-Vlaanderen, afdeling Dendermonde, van 19 september 2022 door daaruit niet af te leiden dat M.C. er uitdrukkelijk als zaakvoerder van Sun Light Belgium bv wordt aangewezen; evenzeer laat het arrest na te antwoorden op het in eisers appelconclusie aangevoerde verweer over de ambtshalve afschrijving van M.C.
  23. In zoverre het onderdeel miskenning van de bewijskracht van het als bijlage aan het proces-verbaal nr. 5000/17 gevoegde document van Belfius Bank aanvoert, is het identiek aan het eerste onderdeel en moet het om dezelfde redenen worden verworpen.
  24. Met betrekking tot de door de eiser ter rechtszitting van het appelgerecht neergelegde verklaringen van twee leveranciers van Sun Light Belgium bv oordeelt het arrest (p. 27, al. 2): “Deze voorgedrukte formulieren zijn zeer gelijkaardig en worden met de nodige terughoudendheid gelezen. In deze verklaringen wordt trouwens enkel bevestigd dat M.C. optrad namens de vennootschap, doch geenszins dat zij hem beschouwen als zaakvoerder.” Met dat oordeel geeft het arrest van die verklaringen een uitlegging die niet onverenigbaar is met de bewoordingen ervan. In zoverre mist het onderdeel feitelijke grondslag.
  25. Het arrest verwijst niet naar de in het onderdeel bedoelde veroordeling van M.C. bij vonnis op verzet van de correctionele rechtbank Oost-Vlaanderen, afdeling Dendermonde, van 19 september 2022 en kan dan ook de bewijskracht ervan niet miskennen. In zoverre mist het onderdeel eveneens feitelijke grondslag.
  26. Wanneer bij een vervolging wegens valsheid in geschriften en gebruik van valse stukken de aan een beklaagde verweten waarheidsvermomming erin bestaat een andere persoon tot bestuurder van een vennootschap te doen benoemen zonder dat die persoon in werkelijkheid die bestuursfunctie vervult, oordeelt de rechter daarover onaantastbaar op basis van de hem overgelegde feitelijke gegevens van de zaak. Het Hof gaat enkel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die op grond daarvan onmogelijk kunnen worden aangenomen.
  27. Het arrest (p. 24 en 26-27, nrs. 6.2 en 6.5) stelt vast dat: - de aandelen van Sun Light Belgium bv aan M.C. werden overgedragen aan een prijs van 1,00 euro per aandeel, dat M.C. tot de enige onbezoldigde zaakvoerder werd benoemd en dat de vennootschapszetel werd verplaatst naar een nieuw adres te Anderlecht; - tijdens de bestuursperiode van M.C. de eiser zelf steeds als feitelijk bestuurder is blijven optreden. Zoals objectief blijkt uit de gegevens van het strafdossier sloten eisers depressieve klachten niet uit dat hij de facto nog feitelijk zaakvoerder bleef; de eiser legde zelf een verklaring voor van M.C. waarin wordt aangegeven dat hij in de periode van 1 juni 2016 tot 7 februari 2017 in Sun Light Belgium bv als secretarismedewerker werkte, wat zijn beweerde werkonbekwaamheid formeel tegenspreekt; - het opmerkelijk is dat M.C. alle bekende en onbekende schulden accepteerde. Aan de vorige zaakvoerder K.A. werd zelfs kwijting verleend van alle schulden. Op 31 maart 2016 was er nochtans een vordering lastens de zaakvoerder in rekening-courant van 91.947,95 euro. Het is ongeloofwaardig dat in een marktconforme setting iemand bereid zou zijn om een vennootschap in zeer slechte financiële papieren (zelfs virtueel failliet) onder dergelijke voorwaarden over te nemen. Dat wijst er ontegensprekelijk reeds op dat de nieuwe aandeelhouder/zaakvoerder niet bekommerd was om het zakelijk succes van de vennootschap en niet wakker lag van een nakend faillissement; - M.C. ambtshalve werd geschrapt op 24 april 2012 en sindsdien in België geen vast adres meer heeft gehad; - M.C. nochtans sinds 2012 bestuurder, zaakvoerder of gedelegeerd bestuurder bleek te zijn in elf verschillende ondernemingen. Hij was steeds de laatste bestuurder voorafgaand aan een faillissementsverklaring en steevast bleken de maatschappelijke zetels steeds fictief te zijn; - uit geen enkel stuk blijkt dat M.C. concrete bestuurshandelingen heeft gesteld; - M.C. zelfs nooit een volmacht op de rekening van Sun Light Belgium bv heeft gehad.
  28. Op grond van die redenen kan het arrest wettig oordelen dat de aanstelling van M.C. als zaakvoerder van Sun Light Belgium bv louter fictief en in strijd met de waarheid was en dat het stuk dat die onwaarheid bevat, vals is. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen.
  29. De motiveringsplicht van artikel 149 Grondwet is een vormvoorschrift. Daaruit volgt dat aan die verplichting is voldaan indien een verweer wordt beantwoord, ongeacht de kwaliteit van dit antwoord.
  30. Artikel 149 Grondwet wordt niet geschonden wanneer de rechter de aan tegenspraak overgelegde stukken anders beoordeelt dan door een beklaagde gevraagd.
  31. In zoverre het onderdeel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
  32. Het arrest (p. 26) oordeelt dat M.C. op 24 april 2012 ambtshalve werd geschrapt en dat hij sindsdien in België geen vast adres meer heeft gehad. Het (p. 27) oordeelt tevens dat M.C. grotendeels onvindbaar bleef. Met die redenen beantwoordt het arrest het verweer van de eiser dat uit enkele dossierstukken blijkt dat M.C. ook later nog in België heeft verbleven. In zoverre mist het onderdeel feitelijke grondslag. Derde onderdeel
  33. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en de artikelen 193, 196, 197 en 213 Strafwetboek: het arrest verklaart de eiser ten onrechte schuldig aan de telastleggingen 1.3 en 1.4 (valsheid in geschriften) en 2.3 en 2.4 (gebruik van valse stukken); uit de feiten die het vaststelt, kan het arrest niet wettig afleiden dat de eiser door M.C. als zaakvoerder van Sun Light Belgium bv te doen aanstellen, de intentie of het bedrieglijk opzet had om die misdrijven te plegen; bovendien beantwoordt het arrest niet het daarover in appelconclusie aangevoerde verweer over eisers depressieve toestand op het ogenblik van de feiten.
  34. Het moreel bestanddeel van valsheid in geschriften en gebruik van valse geschriften bestaat, hetzij in bedrieglijk opzet, hetzij in het oogmerk om te schaden. Bedrieglijk opzet is het opzet zichzelf of een ander een onrechtmatig voordeel te verschaffen. Er is bedrieglijk opzet zodra de dader enig voordeel of enige winst beoogt, die hij niet zou hebben behaald indien hij het waarheidsgetrouwe karakter van het geschrift had geëerbiedigd.
  35. De rechter oordeelt onaantastbaar in het licht van de gegevens van de zaak of een van de waarheidsvermomming te onderscheiden bedrieglijk opzet aanwezig is. Het Hof gaat enkel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die op grond daarvan onmogelijk kunnen worden aangenomen.
  36. Het arrest (p. 26-28, nr. 6.5) oordeelt desbetreffend: “De waarheidsvermomming in de valse stukken was bedoeld om derden, in het bijzonder schuldeisers, nadeel te berokkenen. Het bedrieglijk opzet bestond erin om de vennootschap, die zich in financiële moeilijkheden bevond, over te dragen aan een strofiguur die helemaal niet de bedoeling had om zijn bestuurdersplicht als zaakvoerder naar best vermogen uit te oefenen (sterfhuisconstructie). De vennootschap kwam in handen van een persoon die geen vast adres had en de zetel werd geplaatst op een fictief adres, bedoeld om de bedrijfsstructuur ondoorzichtig te maken, het faillissement uit te stellen, de executie voor schuldeisers te bemoeilijken en de bestuurdersaansprakelijkheid van de achtermannen, in het bijzonder [de eiser], te ontlopen.”
  37. Met die op de in het antwoord op het tweede onderdeel vermelde vaststellingen gesteunde redenen kan het arrest wettig oordelen dat de eiser bij de onder 1.3, 1.4, 2.3 en 2.4 ten laste gelegde feiten met bedrieglijk opzet handelde. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen.
  38. Met betrekking tot de aangevoerde depressieve toestand van de eiser oordeelt het arrest (p. 24) dat “depressieve klachten niet uitsluiten dat [de eiser] de facto nog optrad als feitelijk zaakvoerder, zoals trouwens objectief blijkt uit de gegevens van het strafdossier.” Het stelt tevens vast dat de beweerde werkonbekwaamheid van de eiser formeel wordt tegengesproken door de verklaring van M.C. waaruit blijkt dat de eiser nog als secretarismedewerker is blijven werken. Met die redenen beantwoordt en verwerpt het arrest het door het onderdeel bedoelde verweer. In zoverre mist het onderdeel feitelijke grondslag. Derde middel
  39. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 491, eerste lid, Strafwetboek: het arrest verklaart de eiser schuldig aan de telastleggingen 3.1, 3.2 en 3.3 (misbruik van vertrouwen) zonder daarbij concreet vast te stellen welke materiële verduisteringshandelingen hij zou hebben gesteld en zonder na te gaan of bij dat handelen het vereiste opzet aanwezig was; evenmin kan het arrest uit het enkele gegeven dat de eiser de initiële leasingovereenkomst met betrekking tot de voertuigen Mercedes V-klasse 250 en Mercedes Benz ML250 zou hebben ondertekend, naar recht besluiten dat hij betrokken was bij de latere verduistering van de drie voertuigen VW Caddy, Mercedes V-klasse 250 en Mercedes Benz ML
  40. Het arrest grondt eisers betrokkenheid bij de verduistering van de drie voertuigen VW Caddy, Mercedes V-klasse 250 en Mercedes Benz ML250 niet zonder meer op het gegeven dat hij betreffende de twee laatste voertuigen de initiële leasingovereenkomst heeft ondertekend. In zoverre berust het middel op een onjuiste lezing van het arrest en mist het feitelijke grondslag.
  41. Na (arrest, p. 25-26) te hebben geoordeeld dat de aanstelling van K.A. als zaakvoerder van Sun Light Belgium bv fictief was, oordeelt het arrest dat de eiser twee van de drie leasingovereenkomsten heeft ondertekend, dat de verduisteringen van de voertuigen hebben plaatsgevonden in de periode waarin K.A. formeel zaakvoerder en de eiser feitelijk zaakvoerder was van Sun Light Belgium bv, dat eisers actieve tussenkomst bij de verkoop van de voertuigen onontbeerlijk was om de verduistering te realiseren en dat de transactie gebeurde met bedrieglijke benadeling van de belangen van de leasingmaatschappij. Met die redenen vermeldt het arrest het bestaan van zowel de materiële als de morele component van het misdrijf misbruik van vertrouwen bij de eiser, zonder dat het die beslissing bij afwezigheid van daartoe strekkende conclusie nader dient toe te lichten of de redenen van zijn redenen dient te vermelden. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Vierde middel
  42. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en de artikelen 489, 2°, en 489bis, 1° en 4°, Strafwetboek, alsook miskenning van de bewijskracht van akten: het arrest verklaart de eiser ten onrechte schuldig aan de telastleggingen 4 (ruïneus krediet), 5 (laattijdige aangifte van faillissement) en 6 (niet-naleving medewerkingsplicht aan faillissementsorganen); die feiten kunnen maar worden gepleegd door een persoon die na het virtueel faillissement van 1 juni 2016 bestuurder in Sun Light Belgium bv was; het arrest stelt dat voor de eiser niet vast; de daartoe aangewezen elementen hebben enkel betrekking op de periode tot 1 juni 2016; bovendien steunt het arrest eisers schuldigverklaring op de reden dat hij als enige een volmacht op de vennootschapsrekening had, daar waar dit ook het geval was voor E.D.; aldus miskent het arrest de bewijskracht van het document van Belfius Bank dat als bijlage is gevoegd aan het proces-verbaal nr. 5000/17; evenzeer laat het arrest na te antwoorden op het in eisers appelconclusie aangevoerde verweer dat er geen bewijs voorhanden is dat de in de telastlegging 4 bedoelde schulden na 1 juni 2016 zijn ontstaan en dat die schulden enkel het gevolg zijn van het loutere bestaan van een vennootschap of het in dienst hebben van personeel.
  43. In zoverre het middel miskenning van de bewijskracht van het als bijlage aan het proces-verbaal nr. 5000/17 gevoegde document van Belfius Bank aanvoert, is het identiek aan het eerste onderdeel van het tweede middel en moet het om dezelfde redenen worden verworpen.
  44. Het arrest oordeelt niet enkel zoals het middel vermeldt. Het arrest (p. 24, al. 2 tot en met 4 en p. 29, nr. 6.7) oordeelt ook dat de eiser als feitelijk bestuurder van Sun Light Belgium bv “een sterfhuisconstructie organiseerde, waarbij uiteindelijk op 1 juni 2016 de aandelen en het zaakvoerderschap op naam van M.C. kwam, een overduidelijk strofiguur, waarna de vennootschap failliet werd verklaard”. Het oordeelt eveneens “op grond van objectieve gegevens van het strafdossier” dat eisers op grond van voorgelegde medische attesten aangevoerde depressieve klachten niet uitsluiten dat hij ook na 1 juni 2016 nog als feitelijk zaakvoerder optrad. Vervolgens besluit het arrest dat het vaststaat dat de eiser na zijn ontslag als zaakvoerder op 31 december 2013 feitelijk zaakvoerder van Sun Light Belgium bv is gebleven tot aan de faillietverklaring op 7 februari 2017 en dat vanuit dat uitgangspunt de respectieve telastleggingen zijn onderzocht. Aldus stelt het arrest in het licht van de feitelijke gegevens van de zaak wel degelijk vast dat de eiser ook na het virtueel faillissement van 1 juni 2016 feitelijk bestuurder in Sun Light Belgium bv is gebleven. In zoverre berust het middel bijgevolg op een onjuiste lezing van het arrest en mist het feitelijke grondslag.
  45. Artikel 149 Grondwet verplicht de rechter niet te antwoorden op een aanvoering waaruit geen rechtsgevolg wordt afgeleid met betrekking tot de aan het geschil te geven oplossing.
  46. In zijn appelconclusie heeft de eiser weliswaar aangevoerd dat er geen bewijs voorhanden is dat de in de telastlegging 4 bedoelde schulden zijn ontstaan na 1 juni 2016, maar hij heeft daaruit geen rechtsgevolg afgeleid, zodat de appelrechters niet gehouden waren die aanvoering te beantwoorden. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.
  47. Met eigen redenen en met overname van de redenen van het beroepen vonnis oordeelt het arrest dat de eiser systematisch ervoor koos om met gelden waarmee eigenlijk geduldige schuldeisers hadden moeten worden betaald, andere betalingen uit te voeren omdat bij een niet-betaling daarvan de gevolgen zich sneller en nefaster zouden laten voelen. Daardoor verschafte hij zich een ruïneus krediet met het oog op het uitstellen van de faillietverklaring. Aldus beantwoordt en verwerpt het arrest eisers verweer dat de niet-betaling van de geduldige schuldeisers enkel het gevolg is van het loutere bestaan van een vennootschap of het in dienst hebben van personeel en bijgevolg geen ruïneus krediet kan opleveren. In zoverre mist het middel feitelijke grondslag. Vijfde middel
  48. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet, artikel 195 Wetboek van Strafvordering en artikel 8, § 1, vierde lid, Probatiewet: het arrest motiveert slechts op een algemene wijze waarom aan de eiser geen uitstel van tenuitvoerlegging van de bestraffing wordt verleend; door aan de eiser enkel effectieve straffen op te leggen, zonder af te wegen of die straffen niet nadelig zijn voor zijn reclassering en resocialisering, beantwoordt het arrest evenmin eisers ondergeschikte verzoek om voor de bestraffing uitstel van tenuitvoerlegging te verlenen; in zijn appelconclusie had de eiser ter staving van zijn verzoek nochtans enkele concrete elementen betreffende zijn precaire mentale toestand aangehaald, die ook met stukken werden gestaafd.
  49. Uit het enkele feit dat een beklaagde voldoet aan de wettelijke voorwaarden om uitstel van tenuitvoerlegging van de bestraffing te genieten, volgt niet dat de rechter verplicht is die maatregel toe te kennen. De rechter oordeelt onaantastbaar over de wenselijkheid ervan. Er bestaat immers geen recht op uitstel van tenuitvoerlegging.
  50. Uit artikel 8, § 1, vierde lid, Probatiewet en artikel 195, tweede lid, Wetboek van Strafvordering, zoals hier toepasselijk, volgt dat indien de rechter een verzoek om uitstel van tenuitvoerlegging afwijst, uit zijn beslissing moet blijken dat hij dit verzoek en de stavende redenen daartoe in aanmerking heeft genomen en hij nauwkeurig de redenen vermeldt voor de weigeringsbeslissing. Die motivering mag beknopt zijn.
  51. De afwijzende beslissing over een verzoek om uitstel van tenuitvoerlegging vereist niet noodzakelijk een autonome motivering. De rechter kan die afwijzing nauwkeurig motiveren door het opgeven of het mede opgeven van de redenen die het opleggen van een effectieve bestraffing verantwoorden.
  52. Uit artikel 149 Grondwet volgt wat betreft de motivering van de straf enkel de verplichting een door een beklaagde ontwikkeld verweer te beantwoorden.
  53. Uit de samenlezing van artikel 149 Grondwet, artikel 8, § 1, vierde lid, Probatiewet en artikel 195, tweede lid, Wetboek van Strafvordering, zoals toepasselijk, volgt dat indien een beklaagde ter staving van zijn verzoek om uitstel van tenuitvoerlegging concrete elementen aanvoert betreffende de gevolgen van een straf voor zijn reclassering en resocialisering, uit de rechterlijke beslissing een afweging moet blijken tussen eensdeels de zwaarwichtigheid van de te beoordelen feiten en de persoonlijkheid van de beklaagde en anderdeels de nadelige effecten van een effectieve bestraffing voor zijn reclassering en resocialisering.
  54. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
  55. Uit het proces-verbaal van de rechtszitting van 14 november 2022 blijkt dat de eiser met verwijzing naar zijn appelconclusie ondergeschikt om een bestraffing met uitstel van tenuitvoerlegging heeft verzocht. In zijn appelconclusie heeft de eiser met staving van meerdere stukken aangevoerd dat hij door zijn depressie in een zeer precaire mentale toestand verkeert en al jaren kampt met een totaal gebrek aan levenslust, slaapproblemen en zelfmoordgedachten. Voor die depressieve stoornis zou hij sedert 2016 ook in psychiatrische behandeling zijn.
  56. Het arrest bevestigt de in het beroepen vonnis uitgesproken effectieve bestraffing met een gevangenisstraf, een geldboete en een bestuurdersverbod en oordeelt daarover (p. 31, nr. 7.3): “[De eiser] werd eerder reeds correctioneel veroordeeld wegens stedenbouwinbreuken. Uit de voorgelegde stukken blijkt dat hij kampt met depressieve gevoelens. Hij legt medische attesten voor waarin een arbeidsonbekwaamheid wordt weerhouden sinds september
  57. Hij zou nog steeds een precaire gezondheid hebben. Gelet op de ernst van de feiten en de persoonlijkheid van [de eiser], zoals deze blijkt uit het dossier, zijn strafrechtelijk verleden en de behandeling van de zaak voor het hof (van beroep), is de bestraffing zoals deze door de eerste rechter werd opgelegd, een gepaste en noodzakelijke sanctie gebleven. (…) Gelet op de ernst van de feiten is het hof (van beroep) van oordeel dat de geldboete zoals opgelegd door de eerste rechter een gepaste straf is en dat deze effectief dient te worden opgelegd, teneinde [de eiser] onmiddellijk te doen beseffen dat zijn gedrag ontoelaatbaar was.”
  58. Aldus neemt het arrest eisers verzoek om uitstel van tenuitvoerlegging van de opgelegde straffen in aanmerking, vermeldt het op nauwkeurige wijze de redenen voor het niet-toekennen ervan en beantwoordt het de aangevoerde concrete elementen over zijn precaire mentale toestand. Uit die motivering volgt eveneens dat het appelgerecht wel degelijk een afweging maakt tussen eensdeels de zwaarwichtigheid van de te beoordelen feiten en de persoonlijkheid van de beklaagde en anderdeels de nadelige effecten van een effectieve bestraffing voor zijn reclassering en resocialisering. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek
  59. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 176,61 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Erwin Francis, als voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Eric Van Dooren, Bruno Lietaert en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 17 september 2024 uitgesproken door sectievoorzitter Erwin Francis, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240917.2N.11 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191120.2F.4 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200204.2N.17 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210914.2N.16 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211221.2N.2 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240521.2N.7 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250506.2N.4 ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250930.2N.16 ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251118.2N.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.