← België

BELG ST, FOD FIN c.KARA INDUSTRIAL TRADING G.M.B.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 17 september 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240917.2N.12 Rolnummer: P.23.1093.N Zaak: BELG ST, FOD FIN c.KARA INDUSTRIAL TRADING G.M.B. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Belastingrecht - Strafrecht - Burgerlijk recht Invoerdatum: 2024-09-23 Raadplegingen: 850 - laatst gezien 2026-06-18 19:51 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240917.2N.12 Fiches 1 - 5 Uit artikel 6 Wet 13 mei 2003 volgt dat een inbreuk op EG-Verordening nr. 267/2012 in de regel wordt bestraft volgens die bepaling en door het openbaar ministerie kan worden vervolgd, behoudens wanneer die inbreuk ook als een douanemisdrijf kan worden omschreven en uit die strafbaarstelling volgt dat een zwaardere straf kan worden opgelegd; in het laatste geval behoort de vervolgingsbevoegdheid aan de algemene administratie van de douane en accijnzen; uit die bepaling volgt niet dat voor de toepassing ervan een vervolging door zowel het openbaar ministerie als de algemene administratie van de douane en accijnzen is vereist; artikel 281/2 AWDA bepaalt dat de bepalingen van het Eerste Boek van het Strafwetboek, met inbegrip van artikel 85 maar met uitzondering van artikel 68, van toepassing zijn op de misdrijven strafbaar gesteld bij die wet en de bijzondere wetten inzake douane en accijnzen

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: DOUANE EN ACCIJNZEN Wettelijke bepalingen: Algemene Wet 18 juli 1977 inzake douane en accijnzen - 18-07-1977 - Art. 281/2 - 31 ELI link Pub nr 1977071850 Wet 13 mei 2003 inzake de tenuitvoerlegging van de beperkende maatregelen die genomen worden door de Raad van de Europese Unie ten aanzien van Staten, sommige personen en entiteiten - 13-05-2003 - Art. 6 - 34 ELI link Pub nr 2003015064 Thesaurus CAS: STRAFVORDERING Wettelijke bepalingen: Algemene Wet 18 juli 1977 inzake douane en accijnzen - 18-07-1977 - Art. 281/2 - 31 ELI link Pub nr 1977071850 Wet 13 mei 2003 inzake de tenuitvoerlegging van de beperkende maatregelen die genomen worden door de Raad van de Europese Unie ten aanzien van Staten, sommige personen en entiteiten - 13-05-2003 - Art. 6 - 34 ELI link Pub nr 2003015064 Thesaurus CAS: OPENBAAR MINISTERIE Wettelijke bepalingen: Algemene Wet 18 juli 1977 inzake douane en accijnzen - 18-07-1977 - Art. 281/2 - 31 ELI link Pub nr 1977071850 Wet 13 mei 2003 inzake de tenuitvoerlegging van de beperkende maatregelen die genomen worden door de Raad van de Europese Unie ten aanzien van Staten, sommige personen en entiteiten - 13-05-2003 - Art. 6 - 34 ELI link Pub nr 2003015064 Thesaurus CAS: MISDRIJF - SOORTEN - Aflopend. Voortgezet. Voortdurend misdrijf Wettelijke bepalingen: Algemene Wet 18 juli 1977 inzake douane en accijnzen - 18-07-1977 - Art. 281/2 - 31 ELI link Pub nr 1977071850 Wet 13 mei 2003 inzake de tenuitvoerlegging van de beperkende maatregelen die genomen worden door de Raad van de Europese Unie ten aanzien van Staten, sommige personen en entiteiten - 13-05-2003 - Art. 6 - 34 ELI link Pub nr 2003015064 Thesaurus CAS: RECHTBANKEN - STRAFZAKEN - Strafvordering Wettelijke bepalingen: Algemene Wet 18 juli 1977 inzake douane en accijnzen - 18-07-1977 - Art. 281/2 - 31 ELI link Pub nr 1977071850 Wet 13 mei 2003 inzake de tenuitvoerlegging van de beperkende maatregelen die genomen worden door de Raad van de Europese Unie ten aanzien van Staten, sommige personen en entiteiten - 13-05-2003 - Art. 6 - 34 ELI link Pub nr 2003015064 Fiches 6 - 10 In correctionele en politiezaken maakt de verwijzingsbeslissing van het onderzoeksgerecht of de dagvaarding om te verschijnen voor het vonnisgerecht niet de daarin vervatte kwalificatie bij het vonnisgerecht aanhangig, maar wel de feiten zoals zij blijken uit de stukken van het onderzoek en die aan de akte van aanhangigmaking ten grondslag liggen; die kwalificatie is voorlopig en het vonnisgerecht heeft de plicht om aan de feiten, voorwerp van de telastlegging, hun juiste omschrijving te geven; wanneer de feiten slechts onder één misdrijfkwalificatie worden vervolgd maar er meerdere misdrijfkwalificaties op van toepassing zijn, kan het vonnisgerecht zonder aanvullende aanhangigmaking de beklaagde niet veroordelen voor meerdere misdrijven en is het ertoe gehouden de feiten te kwalificeren volgens de misdrijfomschrijving waarop de zwaarste straf wordt gesteld; de verplichting om aan de feiten hun juiste omschrijving te geven, verhindert niet dat het vonnisgerecht een oorspronkelijk als douanemisdrijf gekwalificeerd feit heromschrijft naar een gemeenrechtelijk misdrijf; daarvoor is niet vereist dat het openbaar ministerie dat feit gelijktijdig en gezamenlijk met de algemene administratie van de douane en accijnzen vervolgt; artikel 4 Wet 13 mei 2003, dat slechts bepaalt dat de Koning op basis van de Wet Uitvoer verder uitvoering kan geven aan een door de Europese Unie opgelegde beperkende maatregel, laat niet toe anders te oordelen; de loutere heromschrijving van een douanemisdrijf naar een gemeenrechtelijk misdrijf houdt als dusdanig geen onwettige overschrijding in van de saisine van het vonnisgerecht; wanneer de feiten enkel door de algemene administratie van de douane en accijnzen onder een douanerechtelijke kwalificatie worden vervolgd en het vonnisgerecht oordeelt dat die feiten moeten worden gekwalificeerd naar een gemeenrechtelijk misdrijf met een zwaardere bestraffing, treedt dat vonnisgerecht bij afwezigheid op dat ogenblik van vervolging voor die feiten door het openbaar ministerie, evenmin buiten zijn saisine; in dat geval kan het vonnisgerecht enkel vaststellen dat de aanhangige strafvordering werd ingesteld door een daarvoor niet-bevoegde instantie
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: DOUANE EN ACCIJNZEN Wettelijke bepalingen: Algemene Wet 18 juli 1977 inzake douane en accijnzen - 18-07-1977 - Art. 281/2 - 31 ELI link Pub nr 1977071850 Wet 13 mei 2003 inzake de tenuitvoerlegging van de beperkende maatregelen die genomen worden door de Raad van de Europese Unie ten aanzien van Staten, sommige personen en entiteiten - 13-05-2003 - Art. 6 - 34 ELI link Pub nr 2003015064 Wet 11 september 1962 betreffende de in-, uit- en doorvoer van goederen en de daaraan verbonden technologie - 11-09-1962 - Art. 10 - 01 ELI link Pub nr 1962091103 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 130 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 182 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: STRAFVORDERING Wettelijke bepalingen: Algemene Wet 18 juli 1977 inzake douane en accijnzen - 18-07-1977 - Art. 281/2 - 31 ELI link Pub nr 1977071850 Wet 13 mei 2003 inzake de tenuitvoerlegging van de beperkende maatregelen die genomen worden door de Raad van de Europese Unie ten aanzien van Staten, sommige personen en entiteiten - 13-05-2003 - Art. 6 - 34 ELI link Pub nr 2003015064 Wet 11 september 1962 betreffende de in-, uit- en doorvoer van goederen en de daaraan verbonden technologie - 11-09-1962 - Art. 10 - 01 ELI link Pub nr 1962091103 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 130 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 182 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: OPENBAAR MINISTERIE Wettelijke bepalingen: Algemene Wet 18 juli 1977 inzake douane en accijnzen - 18-07-1977 - Art. 281/2 - 31 ELI link Pub nr 1977071850 Wet 13 mei 2003 inzake de tenuitvoerlegging van de beperkende maatregelen die genomen worden door de Raad van de Europese Unie ten aanzien van Staten, sommige personen en entiteiten - 13-05-2003 - Art. 6 - 34 ELI link Pub nr 2003015064 Wet 11 september 1962 betreffende de in-, uit- en doorvoer van goederen en de daaraan verbonden technologie - 11-09-1962 - Art. 10 - 01 ELI link Pub nr 1962091103 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 130 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 182 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: MISDRIJF - SOORTEN - Aflopend. Voortgezet. Voortdurend misdrijf Wettelijke bepalingen: Algemene Wet 18 juli 1977 inzake douane en accijnzen - 18-07-1977 - Art. 281/2 - 31 ELI link Pub nr 1977071850 Wet 13 mei 2003 inzake de tenuitvoerlegging van de beperkende maatregelen die genomen worden door de Raad van de Europese Unie ten aanzien van Staten, sommige personen en entiteiten - 13-05-2003 - Art. 6 - 34 ELI link Pub nr 2003015064 Wet 11 september 1962 betreffende de in-, uit- en doorvoer van goederen en de daaraan verbonden technologie - 11-09-1962 - Art. 10 - 01 ELI link Pub nr 1962091103 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 130 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 182 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: RECHTBANKEN - STRAFZAKEN - Strafvordering Wettelijke bepalingen: Algemene Wet 18 juli 1977 inzake douane en accijnzen - 18-07-1977 - Art. 281/2 - 31 ELI link Pub nr 1977071850 Wet 13 mei 2003 inzake de tenuitvoerlegging van de beperkende maatregelen die genomen worden door de Raad van de Europese Unie ten aanzien van Staten, sommige personen en entiteiten - 13-05-2003 - Art. 6 - 34 ELI link Pub nr 2003015064 Wet 11 september 1962 betreffende de in-, uit- en doorvoer van goederen en de daaraan verbonden technologie - 11-09-1962 - Art. 10 - 01 ELI link Pub nr 1962091103 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 130 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 182 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiches 11 - 13 Artikel 65, eerste lid, Strafwetboek bepaalt dat wanneer eenzelfde feit verscheidene misdrijven oplevert, alleen de zwaarste straf wordt uitgesproken; de rechter kan in dat geval voor het bestrafte feit slechts die hoofd- of bijkomende straffen opleggen waarin de strafwet die de zwaarste straf bepaalt, voorziet; voor het bepalen van het misdrijf waarop de zwaarste straf is gesteld, wordt in het geval van wanbedrijven die strafbaar zijn met gevangenisstraf en geldboete de hoogte van de maximumgevangenisstraf vergeleken, bij gelijkheid van de maximumgevangenisstraf de maximumgeldboete en dit ongeacht de hoogte van de minimumgevangenisstraf, bij gelijkheid van de maximumgeldboete de minimumgevangenisstraf en bij gelijkheid van de minimumgevangenisstraf de minimumgeldboete; voor die vergelijking volgt uit de loutere omstandigheid dat de zwaarste straf ten aanzien van een rechtspersoon moet worden bepaald, niet dat de voor de misdrijven bepaalde gevangenisstraffen voorafgaandelijk volgens het conversiemechanisme van artikel 41bis Strafwetboek moeten worden omgezet naar geldboeten en dat vervolgens de hoogte van de maximumgeldboete moeten worden vergeleken zonder rekening te houden met de hoogte van de maximumgevangenisstraf; uit de wetsgeschiedenis van de wet van 4 mei 1999 tot invoering van de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van rechtspersonen volgt immers dat de wetgever een zo groot mogelijke gelijkstelling beoogde tussen een natuurlijke persoon en een rechtspersoon, ook op het vlak van de vergelijking van bestraffingen
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: MISDRIJF - SOORTEN - Aflopend. Voortgezet. Voortdurend misdrijf Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 5 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 41bis - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 65, eerste lid - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: STRAF - SAMENLOOP - Eéndaadse Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 5 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 41bis - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 65, eerste lid - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: RECHTSPERSOONLIJKHEID Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 5 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 41bis - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 65, eerste lid - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Tekst van de beslissing Nr. P.23.1093.N BELGISCHE STAAT, fod Financiën, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kantoor te 1000 Brussel, Wetstraat 14, voor wie optreedt de adviseur-generaal van de administratie geschillen van de algemene administratie van de douane en accijnzen, met regionaal kantoor te 2060 Antwerpen, Ellermanstraat 21, vervolgende partij, eiser, vertegenwoordigd door mr. Geoffroy de Foestraets en mr. Stefan De Vleeschouwer, advocaten bij het Hof van Cassatie, beiden met kantoor te 1000 Brussel, Dalstraat 67 bus 14, waar de eiser woonplaats kiest, tegen
  1. KARA INDUSTRIAL TRADINGGESELLSCHAFT MIT BESCHRÄNKTER HAFTUNG, met zetel te 40547 Düsseldorf (Duitsland), Am Seestern 8, ON DE 580580841570687, beklaagde, verweerster, vertegenwoordigd door mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1170 Brussel (Watermaal-Bosvoorde), Terhulpensesteenweg 177 bus 7, waar de verweerster woonplaats kiest,
  2. ANTWERP FORWARDING & CUSTOMS SERVICES bv, met zetel te 9120 Beveren (Melsele), Hazenhof 16, ON 0475.999.388, beklaagde, verweerster, met als raadsman mr. Patricio Diaz Gavier, advocaat bij de balie Brussel. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 29 juni
  3. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Op 6 september 2024 heeft advocaat-generaal Bart De Smet een schriftelijke conclusie neergelegd ter griffie van het Hof. Op de rechtszitting van 17 september 2024 heeft raadsheer Eric Van Dooren verslag uitgebracht en heeft de voormelde advocaat-generaal geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel Eerste onderdeel
  4. Het onderdeel voert schending aan van artikel 19, eerste en tweede lid, Gerechtelijk Wetboek en de artikelen 281 en 282 AWDA: met het oordeel dat een inbreuk op artikel 15bis van Verordening (EU) nr. 267/2012 van de Raad van 23 maart 2012 betreffende beperkende maatregelen ten aanzien van Iran en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 961/2010 (hierna Verordening nr. 267/2012) niet enkel strafbaar wordt gesteld door artikel 10 van de wet van 11 september 1962 tot regeling van de in-, uit- en doorvoer van goederen en de daaraan verbonden technologie (hierna Wet Uitvoer), maar ook door artikel 6 van de wet van 13 mei 2003 inzake de tenuitvoerlegging van de beperkende maatregelen die genomen worden door de Raad van de Europese Unie ten aanzien van Staten, sommige personen en entiteiten (hierna Wet 13 mei 2003), verantwoordt het bestreden arrest de beslissing om de strafvordering tegen de verweersters onontvankelijk te verklaren wegens de onbevoegdheid van de eiser om een dergelijke inbreuk op grond van die laatste wet te vervolgen, niet naar recht; bij tussenarrest van 24 juni 2021 heeft het appelgerecht immers reeds geoordeeld dat de inbreuk strafbaar wordt gesteld door artikel 10 Wet Uitvoer, waardoor de eiser integendeel wel bevoegd is om de inbreuk te vervolgen; met die beslissing heeft het appelgerecht zijn rechtsmacht over dat geschilpunt uitgeput, zodat het in het bestreden arrest daarop niet meer zonder rechtsmachtsoverschrijding kan terugkomen.
  5. Bij tussenarrest van 24 juni 2021 hebben de appelrechters uitspraak gedaan over het door de verweersters in appelconclusies aangevoerde geschilpunt dat een inbreuk op artikel 15bis Verordening nr. 267/2012 niet strafbaar zou zijn op grond van artikel 10 Wet Uitvoer en artikel 231, § 1, AWDA, alsook dat de eiser op die rechtsgronden niet over de vervolgingsbevoegdheid zou beschikken. Met hun beslissing van 24 juni 2021 hebben de appelrechters dat verweer verworpen en louter geoordeeld dat de bedoelde inbreuk wel degelijk strafbaar is op grond van artikel 10 Wet Uitvoer en door de eiser kan worden vervolgd. Bij gebrek aan rechtsmiddel is de rechtsmacht van het appelgerecht over dat specifiek geschilpunt uitgeput.
  6. Het bestreden arrest oordeelt dat een inbreuk op artikel 15bis Verordening nr. 267/2012 zowel strafbaar is op grond van artikel 10 Wet Uitvoer als van artikel 6 Wet 13 mei 2003 en dat in laatste geval de vervolgingsbevoegdheid enkel aan het openbaar ministerie toekomt.
  7. Aldus komt het bestreden arrest niet terug op het geschilpunt waarover de rechtsmacht bij arrest van 24 juni 2021 is uitgeput, maar oordeelt het bijkomend enkel dat een inbreuk op artikel 15bis Verordening nr. 267/2012 eveneens strafbaar is krachtens artikel 6 Wet 13 mei
  8. In zoverre berust het onderdeel op een onjuiste lezing van de beide arresten en mist het feitelijke grondslag.
  9. De aangevoerde wetsschendingen zijn afgeleid uit die onjuiste lezing. In zoverre is het onderdeel niet ontvankelijk. Tweede onderdeel
  10. De subonderdelen voeren schending aan van artikel 15bis Verordening nr. 267/2012, artikel 65, eerste lid, Strafwetboek, artikel 182 Wetboek van Strafvordering, de artikelen 220, 221, 231, § 1, 281 en 282 AWDA, artikel 10 Wet Uitvoer, de artikelen 4 en 6 Wet 13 mei 2003, de artikelen 1, § 1, en 9, § 1, van het koninklijk besluit van 30 december 1993 tot regeling van de in-, uit- en doorvoer van goederen en de daaraan verbonden technologie en artikel 2 van het ministerieel besluit van 22 februari 2013 waarbij de uitvoer van goederen met bestemming Iran, aan een vergunning onderworpen wordt (hierna MB 22 februari 2013): het arrest oordeelt dat een inbreuk op artikel 15bis Verordening nr. 267/2012 zowel strafbaar wordt gesteld door artikel 10 Wet Uitvoer, waarvoor de strafvordering door de eiser wordt ingesteld, als door artikel 6 Wet 13 mei 2003, waarvoor enkel het openbaar ministerie bevoegd is om de strafvordering in te stellen; het oordeelt tevens dat de misdrijfomschrijving bepaald in artikel 6 Wet 13 mei 2003 desbetreffend in de zwaarste bestraffing voorziet; aangezien evenwel enkel de eiser de strafvordering heeft ingesteld, is de beslissing om zijn strafvordering wegens onbevoegdheid onontvankelijk te verklaren, niet naar recht verantwoord; doordat het ten laste gelegde feit enkel onder een douanerechtelijke kwalificatie aan de rechtsmacht van het appelgerecht was voorgelegd, kan dat gerecht zich niet uitspreken over een inbreuk dat onder artikel 6 Wet 13 mei 2003 een gemeenrechtelijk misdrijf omschrijft; dat kan enkel tot de saisine van het appelgerecht behoren wanneer zowel de eiser als het openbaar ministerie gelijktijdig en gezamenlijk tot vervolging overgaan, wat eveneens kan worden afgeleid uit de omschrijving van de artikelen 4 en 6 Wet 13 mei 2003; in dat geval leidt de bepaling van de strafvordering met de zwaarste straf niet tot de onontvankelijkheid van de strafvordering van de andere vervolgende partij; aldus kan het arrest eisers strafvordering niet onontvankelijk verklaren (eerste subonderdeel); bovendien kan de rechter een feit dat als een douanemisdrijf is gekwalificeerd, niet heromschrijven naar een gemeenrechtelijk misdrijf wanneer dat feit niet door het openbaar ministerie wordt vervolgd; het ten laste gelegde feit kan enkel worden onderzocht binnen de kwalificatiegrenzen van de bevoegdheid van de vervolgende instantie en de rechterlijke saisine strekt zich niet verder uit (tweede subonderdeel).
  11. Verordening nr. 267/2012, in werking getreden op 24 maart 2012, bevat verbodsbepalingen met betrekking tot bepaalde activiteiten van handel en samenwerking met Iran. Zij verwijst daarvoor naar de bijlagen I tot X. Die verordening bepaalt in artikel 47.1 ook: “De lidstaten stellen de voorschriften vast betreffende de sancties die van toepassing zijn op inbreuken op deze verordening en nemen alle nodige maatregelen om te waarborgen dat zij ten uitvoer worden gelegd. De aldus vastgestelde sancties moeten doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn.”
  12. Artikel 6 Wet 13 mei 2003 bepaalt: “Onverminderd de toemeting van strengere straffen worden inbreuken op de maatregelen vervat in communautaire verordeningen of in beschikkingen genomen in toepassing van deze verordeningen in het kader van de artikelen 60, § 1, 301 en 308 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, bestraft met een gevangenisstraf van acht dagen tot vijf jaar en met een boete van 25 tot 25.000 euro. De bepalingen van het Eerste Boek van het Strafwetboek, zonder uitzondering van hoofdstuk VII en het artikel 85, zijn van toepassing op deze inbreuken.”
  13. Uit die bepaling volgt dat een inbreuk op Verordening nr. 267/2012 in de regel wordt bestraft volgens artikel 6 Wet 13 mei 2003 en door het openbaar ministerie kan worden vervolgd, behoudens wanneer die inbreuk ook als een douanemisdrijf kan worden omschreven en uit die strafbaarstelling volgt dat een zwaardere straf kan worden opgelegd. In het laatste geval behoort de vervolgingsbevoegdheid aan de algemene administratie van de douane en accijnzen.
  14. Uit die bepaling volgt niet dat voor de toepassing ervan een vervolging door zowel het openbaar ministerie als de algemene administratie van de douane en accijnzen is vereist.
  15. Artikel 281/2 AWDA bepaalt dat de bepalingen van het Eerste Boek van het Strafwetboek, met inbegrip van artikel 85 maar met uitzondering van artikel 68, van toepassing zijn op de misdrijven strafbaar gesteld bij die wet en de bijzondere wetten inzake douane en accijnzen.
  16. In correctionele en politiezaken maakt de verwijzingsbeslissing van het onderzoeksgerecht of de dagvaarding om te verschijnen voor het vonnisgerecht niet de daarin vervatte kwalificatie bij het vonnisgerecht aanhangig, maar wel de feiten zoals zij blijken uit de stukken van het onderzoek en die aan de akte van aanhangigmaking ten grondslag liggen. Die kwalificatie is voorlopig en het vonnisgerecht heeft de plicht om aan de feiten, voorwerp van de telastlegging, hun juiste omschrijving te geven.
  17. Wanneer de feiten slechts onder één misdrijfkwalificatie worden vervolgd maar er meerdere misdrijfkwalificaties op van toepassing zijn, kan het vonnisgerecht zonder aanvullende aanhangigmaking de beklaagde niet veroordelen voor meerdere misdrijven en is het ertoe gehouden de feiten te kwalificeren volgens de misdrijfomschrijving waarop de zwaarste straf wordt gesteld.
  18. De verplichting om aan de feiten hun juiste omschrijving te geven, verhindert niet dat het vonnisgerecht een oorspronkelijk als douanemisdrijf gekwalificeerd feit heromschrijft naar een gemeenrechtelijk misdrijf. Daarvoor is niet vereist dat het openbaar ministerie dat feit gelijktijdig en gezamenlijk met de algemene administratie van de douane en accijnzen vervolgt. Artikel 4 Wet 13 mei 2003, dat slechts bepaalt dat de Koning op basis van de Wet Uitvoer verder uitvoering kan geven aan een door de Europese Unie opgelegde beperkende maatregel, laat niet toe anders te oordelen.
  19. De loutere heromschrijving van een douanemisdrijf naar een gemeenrechtelijk misdrijf houdt als dusdanig geen onwettige overschrijding in van de saisine van het vonnisgerecht.
  20. Wanneer de feiten enkel door de algemene administratie van de douane en accijnzen onder een douanerechtelijke kwalificatie worden vervolgd en het vonnisgerecht oordeelt dat die feiten moeten worden gekwalificeerd naar een gemeenrechtelijk misdrijf met een zwaardere bestraffing, treedt dat vonnisgerecht bij afwezigheid op dat ogenblik van vervolging voor die feiten door het openbaar ministerie, evenmin buiten zijn saisine. In dat geval kan het vonnisgerecht enkel vaststellen dat de aanhangige strafvordering werd ingesteld door een daarvoor niet-bevoegde instantie.
  21. In zoverre de subonderdelen uitgaan van andere rechtsopvattingen, falen zij naar recht.
  22. Het arrest dat in vermelde zin oordeelt, verantwoordt de beslissing naar recht. In zoverre kunnen de subonderdelen niet worden aangenomen.
  23. Voor het overige zijn de subonderdelen afgeleid uit die vergeefs aangevoerde onwettigheden en zijn zij niet ontvankelijk. Derde onderdeel
  24. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 41bis en 65, eerste lid, Strafwetboek, de artikelen 220, 221, § 2, en 231, § 1, AWDA, artikel 10 Wet Uitvoer, artikel 6 Wet 13 mei 2003 en artikel 1 MB 22 februari 2013: door te oordelen dat een inbreuk op artikel 15bis Verordening nr. 267/2012 zowel strafbaar wordt gesteld door artikel 10 Wet Uitvoer als door artikel 6 Wet 13 mei 2003 en dat de laatste misdrijfomschrijving daarvan de zwaarste straf bepaalt, verantwoordt het arrest de beslissing dat die misdrijfomschrijving moet voorgaan op de eerste omschrijving niet naar recht; beide verweersters zijn rechtspersonen; in dergelijk geval moet niet de maximumgevangenisstraf worden vergeleken, maar wel de maximumgeldboete na berekening volgens het conversiemechanisme van artikel 41bis Strafwetboek; artikel 6 Wet 13 mei 2003 leidt tot een maximumgeldboete van 120.000,00 euro (2.000,00 X 60 maanden); artikel 10 Wet Uitvoer verwijst voor de bestraffing naar de artikelen 221, § 2, en 231, § 1, AWDA, waardoor een maximumgeldboete kan worden bepaald van 226.286,94 euro (het dubbele van de waarde van de goederen ten bedrage van 113.143,47 euro); bijgevolg bepaalt de misdrijfomschrijving van artikel 10 Wet Uitvoer de zwaarste straf en is die kwalificatie hier van toepassing.
  25. Artikel 65, eerste lid, Strafwetboek bepaalt dat wanneer eenzelfde feit verscheidene misdrijven oplevert, alleen de zwaarste straf wordt uitgesproken. De rechter kan in dat geval voor het bestrafte feit slechts die hoofd- of bijkomende straffen opleggen waarin de strafwet die de zwaarste straf bepaalt, voorziet.
  26. Voor het bepalen van het misdrijf waarop de zwaarste straf is gesteld, wordt in het geval van wanbedrijven die strafbaar zijn met gevangenisstraf en geldboete de hoogte van de maximumgevangenisstraf vergeleken, bij gelijkheid van de maximumgevangenisstraf de maximumgeldboete en dit ongeacht de hoogte van de minimumgevangenisstraf, bij gelijkheid van de maximumgeldboete de minimumgevangenisstraf en bij gelijkheid van de minimumgevangenisstraf de minimumgeldboete.
  27. Voor die vergelijking volgt uit de loutere omstandigheid dat de zwaarste straf ten aanzien van een rechtspersoon moet worden bepaald, niet dat de voor de misdrijven bepaalde gevangenisstraffen voorafgaandelijk volgens het conversiemechanisme van artikel 41bis Strafwetboek moeten worden omgezet naar geldboeten en dat vervolgens de hoogte van de maximumgeldboete moeten worden vergeleken zonder rekening te houden met de hoogte van de maximumgevangenisstraf. Uit de wetsgeschiedenis van de wet van 4 mei 1999 tot invoering van de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van rechtspersonen volgt immers dat de wetgever een zo groot mogelijke gelijkstelling beoogde tussen een natuurlijke persoon en een rechtspersoon, ook op het vlak van de vergelijking van bestraffingen. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  28. Het arrest stelt vast dat: - artikel 6 Wet 13 mei 2003 een maximumgevangenisstraf bepaalt van vijf jaar; - artikel 221, § 1, AWDA waarnaar voor de bestraffing verwezen wordt door artikel 10 Wet Uitvoer en artikel 231, § 1, AWDA, een maximumgevangenisstraf bepaalt van een jaar; - de misdrijfomschrijving van artikel 220, § 2, AWDA, dat een bijzonder opzet vereist en een maximumgevangenisstraf van vijf jaar bepaalt, niet op het ten laste gelegde feit van toepassing is. Op grond van die vaststellingen oordeelt het arrest dat artikel 6 Wet 13 mei 2003 het misdrijf omschrijft waarop de zwaarste straf is gesteld. Die beslissing is naar recht verantwoord. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen.
  29. In zoverre het onderdeel ook schending aanvoert van artikel 1 MB 22 februari 2013, is het afgeleid uit die vergeefs aangevoerde onwettigheid en is het bijgevolg niet ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek
  30. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 49,01 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Erwin Francis, als voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Eric Van Dooren, Bruno Lietaert en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 17 september 2024 uitgesproken door sectievoorzitter Erwin Francis, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240917.2N.12 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240917.2N.12 geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2026:CONC.20260127.2N.18 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.