id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 17 september 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240917.2N.15 Rolnummer: P.24.1306.N Zaak: M. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2024-09-23 Raadplegingen: 491 - laatst gezien 2026-06-15 07:31 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiches 1 - 3 Artikel 23, 2°, Voorlopige Hechteniswet bepaalt dat de verdachte persoonlijk of in de persoon van een raadsman verschijnt voor de raadkamer en, indien hij of zijn raadsman niet verschijnt, uitspraak wordt gedaan in hun afwezigheid; die bepaling is volgens artikel 30, § 3, derde lid, Voorlopige Hechteniswet van toepassing op de kamer van inbeschuldigingstelling; uit onder meer die bepalingen volgt dat een verdachte in de regel het recht heeft de rechtszitting van de kamer van inbeschuldigingstelling waarop de handhaving van zijn voorlopige hechtenis wordt behandeld, persoonlijk bij te wonen; artikel 30, § 3, tweede lid, Voorlopige Hechteniswet bepaalt dat de verdachte in hechtenis blijft totdat over het hoger beroep is beslist, voor zover dit geschiedt binnen vijftien dagen nadat het beroep is ingesteld, en dat de verdachte in vrijheid wordt gesteld als de beslissing niet gewezen is binnen die termijn; die termijn wordt krachtens artikel 32 Voorlopige Hechteniswet geschorst tijdens de duur van het uitstel verleend op verzoek van de verdachte of van zijn raadsman; aan het recht op persoonlijke verschijning van een verdachte kan worden voorbijgegaan in geval van overmacht of indien de verdachte te kennen heeft gegeven niet persoonlijk te willen verschijnen; dit laatste kan blijken uit een al dan niet door de verdachte ondertekend bericht van de gevangenisadministratie
(1).
(1)M.-A. BEERNAERT, H.D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale, die Keure, 2021, 1163-
- Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - HANDHAVING Wettelijke bepalingen: Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 23, 2° - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 30, § 3, tweede en derde lid - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 32 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Thesaurus CAS: ONDERZOEKSGERECHTEN Wettelijke bepalingen: Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 23, 2° - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 30, § 3, tweede en derde lid - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 32 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Thesaurus CAS: RECHT VAN VERDEDIGING - STRAFZAKEN Wettelijke bepalingen: Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 23, 2° - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 30, § 3, tweede en derde lid - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 32 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Fiches 4 - 6 Wanneer een verdachte een omstandigheid aanvoert waardoor hij stelt slechts op de rechtszitting van de kamer van inbeschuldigingstelling te kunnen of te willen verschijnen indien wordt voldaan aan een door hem gestelde voorwaarde, dan staat het aan de kamer van inbeschuldigingstelling om het bestaan en de ernst van die omstandigheid en, zo nodig daartegen afgewogen, de noodzakelijkheid en de haalbaarheid van die voorwaarde te beoordelen; de kamer van inbeschuldigingstelling die de door de verdachte aangevoerde omstandigheid of voorwaarde verwerpt, kan oordelen dat de betrokkene weigert persoonlijk ter rechtszitting te verschijnen; wanneer in dat laatste geval de advocaat van de verdachte bovendien weigert de verdachte op de rechtszitting te vertegenwoordigen, dan wel om een uitstel van de behandeling van de zaak te vragen, terwijl ingevolge het verloop van de termijn bepaald in artikel 30, § 3, tweede lid, Voorlopige Hechteniswet geen ambtshalve uitstel meer mogelijk is, kan de kamer van inbeschuldigingstelling beslissen tot de handhaving van de voorlopige hechtenis na een behandeling ter rechtszitting waarbij de verdachte en zijn advocaat niet werden gehoord; daarmee schendt noch miskent die kamer enige bepaling of enig algemeen rechtsbeginsel zoals in het middel aangevoerd en hier van toepassing. Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - HOGER BEROEP Wettelijke bepalingen: Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 23, 2° - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 30, § 3, tweede en derde lid - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 32 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Thesaurus CAS: ONDERZOEKSGERECHTEN Wettelijke bepalingen: Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 23, 2° - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 30, § 3, tweede en derde lid - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 32 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Thesaurus CAS: RECHT VAN VERDEDIGING - STRAFZAKEN Wettelijke bepalingen: Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 23, 2° - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 30, § 3, tweede en derde lid - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 32 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Tekst van de beslissing Nr. P.24.1306.N S. M., inverdenkinggestelde, aangehouden, eiseres, met als raadsman mr. Nathalie Buisseret, advocaat bij de balie Brussel. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel, kamer van inbeschuldigingstelling, van 5 september
- De eiseres voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Peter Hoet heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel
- Het middel voert schending aan van de artikelen 6.3.c en 8 EVRM, artikel 14.3.d IVBPR, artikel 41 Handvest Grondrechten EU, de artikelen 8.17 en 8.18 Burgerlijk Wetboek en de artikelen 23 en 30, § 3, Voorlopige Hechteniswet, alsmede miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging: het arrest oordeelt, onder verwijzing naar een door de eiseres niet ondertekend bericht vanuit de gevangenis en naar het e-mailverkeer van de raadsman van de eiseres, dat er een poging werd gedaan om de eiseres uit de gevangenis over te brengen maar zij weigerde te verschijnen, dat de eiseres niet in de onmogelijkheid verkeerde om te verschijnen en dat haar advocaat heeft aangekondigd haar niet te zullen vertegenwoordigen; met dit oordeel miskent het arrest de bewijskracht van de vermelde stukken, daar uit die stukken de expliciete wens van de eiseres blijkt om wel degelijk te verschijnen; de eiseres heeft nooit laten optekenen dat zij niet wilde verschijnen; zij wilde enkel dat ook haar baby werd overgebracht (eerste onderdeel); de eiseres wilde wel verschijnen en wenste met haar baby te worden overgebracht; hoewel het mogelijk is om een moeder samen met haar baby in detentie te plaatsen, houdt men voor dat het praktisch niet mogelijk is om een moeder samen met haar baby te vervoeren; op die manier worden het recht van verdediging en het recht op familie- en gezinsleven van de eiseres manifest miskend; de kamer van inbeschuldigingstelling had moeten oordelen dat zij geen uitspraak kon doen in afwezigheid van de eiseres en dat de eiseres in vrijheid moest worden gesteld gelet op het verstrijken van de termijn van vijftien dagen om in hoger beroep uitspraak te doen (tweede onderdeel).
- Artikel 6 EVRM en artikel 14 IVBPR zijn in de regel niet van toepassing op de onderzoeksgerechten die over de voorlopige hechtenis uitspraak doen. Zij oordelen in dat geval immers niet over de gegrondheid van de strafvordering. Artikel 41 Handvest Grondrechten EU is alleen van toepassing op de lidstaten wanneer zij het recht van de Europese Unie ten uitvoer brengen, wat hier niet het geval is.
- Artikel 23, 2°, Voorlopige Hechteniswet bepaalt dat de verdachte persoonlijk of in de persoon van een raadsman verschijnt voor de raadkamer en, indien hij of zijn raadsman niet verschijnt, uitspraak wordt gedaan in hun afwezigheid. Die bepaling is volgens artikel 30, § 3, derde lid, Voorlopige Hechteniswet van toepassing op de kamer van inbeschuldigingstelling. Uit onder meer die bepalingen volgt dat een verdachte in de regel het recht heeft de rechtszitting van de kamer van inbeschuldigingstelling waarop de handhaving van zijn voorlopige hechtenis wordt behandeld, persoonlijk bij te wonen.
- Artikel 30, § 3, tweede lid, Voorlopige Hechteniswet bepaalt dat de verdachte in hechtenis blijft totdat over het hoger beroep is beslist, voor zover dit geschiedt binnen vijftien dagen nadat het beroep is ingesteld, en dat de verdachte in vrijheid wordt gesteld als de beslissing niet gewezen is binnen die termijn. Die termijn wordt krachtens artikel 32 Voorlopige Hechteniswet geschorst tijdens de duur van het uitstel verleend op verzoek van de verdachte of van zijn raadsman.
- Aan het recht op persoonlijke verschijning van een verdachte kan worden voorbijgegaan in geval van overmacht of indien de verdachte te kennen heeft gegeven niet persoonlijk te willen verschijnen. Dit laatste kan blijken uit een al dan niet door de verdachte ondertekend bericht van de gevangenisadministratie.
- Wanneer een verdachte een omstandigheid aanvoert waardoor hij stelt slechts op de rechtszitting van de kamer van inbeschuldigingstelling te kunnen of te willen verschijnen indien wordt voldaan aan een door hem gestelde voorwaarde, dan staat het aan de kamer van inbeschuldigingstelling om het bestaan en de ernst van die omstandigheid en, zo nodig daartegen afgewogen, de noodzakelijkheid en de haalbaarheid van die voorwaarde te beoordelen. De kamer van inbeschuldigingstelling die de door de verdachte aangevoerde omstandigheid of voorwaarde verwerpt, kan oordelen dat de betrokkene weigert persoonlijk ter rechtszitting te verschijnen.
- Wanneer in dat laatste geval de advocaat van de verdachte bovendien weigert de verdachte op de rechtszitting te vertegenwoordigen, dan wel om een uitstel van de behandeling van de zaak te vragen, terwijl ingevolge het verloop van de termijn bepaald in artikel 30, § 3, tweede lid, Voorlopige Hechteniswet geen ambtshalve uitstel meer mogelijk is, kan de kamer van inbeschuldigingstelling beslissen tot de handhaving van de voorlopige hechtenis na een behandeling ter rechtszitting waarbij de verdachte en zijn advocaat niet werden gehoord. Daarmee schendt noch miskent die kamer enige bepaling of enig algemeen rechtsbeginsel zoals in het middel aangevoerd en hier van toepassing.
- In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
- Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt, eensdeels, dat de eiseres enkel voor de kamer van inbeschuldigingstelling wilde verschijnen indien haar baby mee werd overgebracht naar de zittingszaal omdat zij borstvoeding gaf en zij tijdens haar overbrenging de baby niet in de gevangenis wilde achterlaten in de handen van derden, terwijl, anderdeels, de dienst die instaat voor de overbrenging van de gevangenen naar de gerechtsgebouwen weigerde de baby te vervoeren omwille van veiligheidsredenen. Daaruit blijkt ook dat de advocaat van de eiseres weigerde de eiseres te vertegenwoordigen, dat de kamer van inbeschuldigingstelling de zaak niet meer ambtshalve kon uitstellen en dat die kamer in de onmogelijkheid verkeerde zich naar de gevangenis te begeven.
- In die omstandigheden kon de kamer van inbeschuldigingstelling wettig oordelen dat de eiseres weigerde persoonlijk te verschijnen en, gelet op het standpunt van haar advocaat, de voorlopige hechtenis handhaven na de zaak in hun afwezigheid te hebben behandeld. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.
- In zoverre het eerste onderdeel de miskenning van de bewijskracht van de erin aangewezen stukken aanvoert, is het afgeleid uit de hiervoor vergeefs aangevoerde onwettigheid en is het bijgevolg niet ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiseres tot de kosten. Bepaalt de kosten op 57,81 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Erwin Francis, als voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Eric Van Dooren, Bruno Lietaert en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 17 september 2024 uitgesproken door sectievoorzitter Erwin Francis, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240917.2N.15 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div