← België

P. contra Invest Services Sarl

Obsah (9)Art. 61qArt. 127Art. 128Art. 130Art. 135Art. 229Art. 230Art. 231Art. 416

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 01 oktober 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:20

Art. 61q

uinquies - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek

Art. 127

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek

Art. 128

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek

Art. 130

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek

Art. 135

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek

Art. 229

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek

Art. 230

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek

Art. 231

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek

Art. 416

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: ONDERZOEK IN STRAFZAKEN - GERECHTELIJK ONDERZOEK - Onderzoeksverrichtingen Wettelijke bepalingen: Wetboek

Art. 61q

uinquies - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek

Art. 127

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek

Art. 128

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek

Art. 130

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek

Art. 135

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek

Art. 229

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek

Art. 230

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek

Art. 231

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek

Art. 416

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: ONDERZOEK IN STRAFZAKEN - GERECHTELIJK ONDERZOEK - Regeling van de rechtspleging Wettelijke bepalingen: Wetboek

Art. 61q

uinquies - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek

Art. 127

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek

Art. 128

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek

Art. 130

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek

Art. 135

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek

Art. 229

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek

Art. 230

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek

Art. 231

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek

Art. 416- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Tekst van de beslissing Nr.

P.24.0590.N J. P., burgerlijke partij, eiser, vertegenwoordigd door mr. Paul Lefebvre, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1050 Brussel, Louizalaan 251/10, waar de eiser woonplaats kiest, tegen

  1. NATIONALE BANK VAN BELGIE nv, met zetel te 1000 Brussel, de Berlaimontlaan 14, ON 0203.201.340,
  2. J. S.,
  3. T. D., inverdenkinggestelden, verweerders. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, kamer van inbeschuldigingstelling, van 20 oktober 2022 met betrekking tot artikel 61quinquies Wetboek van Strafvordering (arrest I) en tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, kamer van inbeschuldigingstelling, van 12 maart 2024 met betrekking tot de regeling van de rechtspleging (arrest II). De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Jos Decoker heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel Eerste, tweede en derde onderdeel
  4. De onderdelen voeren schending aan van artikel 6 EVRM, artikel 14 IVBPR, artikel 149 Grondwet, de artikelen 5.64, 8.17 en 8.18 Burgerlijk Wetboek en de artikelen 47, 55, 56, 59, 60, 61, 61quinquies, § 1, § 3 en § 6, 63, 64 en 70, Wetboek van Strafvordering, alsmede miskenning van de algemene rechtsbeginselen van het recht op een eerlijke behandeling van de zaak, het recht op de gelijkheid der wapens en het recht van verdediging en de bewijskracht van akten: het arrest I wijst de door de eiser gevorderde bijkomende onderzoekshandelingen ten onrechte af en steunt zich hiervoor louter op verhoren, daterend van vóór eisers klacht met burgerlijkepartijstelling op 26 maart 2020, terwijl geen enkel onderzoek meer werd gevoerd naar aanleiding van deze klacht en niettegenstaande het hof van beroep te Gent bij arrest van 25 februari 2021 besliste dat het gerechtelijk onderzoek, gevoerd door onderzoeksrechter Serlippens, niet voldoende waarborgen van onpartijdigheid vertoonde, zodat de door haar gestelde onderzoekshandelingen niet als ten ontlaste in aanmerking kunnen komen (eerste onderdeel); door enkel te oordelen dat “ook betreffende de rol van de NBB, ECB, CBFA, voluit Commissie voor het Bank-, Financie- en Assurantiewezen en zijn opvolger FSMA, voluit Financial Services and Market Authorities, B.S.T. Bedrijfsrevisoren BV, én Mazars Advisory Services (die laatste betreffende de waardering van OPFP, voluit Optima Planification Fiscal Patrimonial) (…) reeds omstandig onderzoek, m.i.v. diverse verhoren, nuttig voor de waarheidsvinding, (werd) verricht” antwoordt het arrest I niet op hetgeen de eiser in zijn appelconclusie aanvoerde, namelijk dat de stukken in de administratieve dossiers aangaande de verweerster 1 en de daarmee verbonden actoren manifest onvolledig waren en eigenhandig geselecteerd en overhandigd zijn geweest (eerste subonderdeel van het tweede onderdeel), terwijl een gerechtelijk onderzoek dat zowel ten laste als ten ontlaste moet worden gevoerd, vereist dat het volledige administratieve dossier aan het strafdossier wordt gevoegd (tweede subonderdeel van het tweede onderdeel) en terwijl het arrest I ook de bewijskracht van eisers conclusies miskent door er iets niet in te lezen dat er wel in staat, te weten dat de bijkomende onderzoekshandelingen zich opdringen aangezien de administratieve dossiers betreffende de verweerster 1 en de daaraan verbonden actoren onvolledig zijn (derde subonderdeel van het tweede onderdeel); door te oordelen dat “de onderzoekshandelingen gevraagd onder randnummer 2, nummers 11 en 12 de facto leiden tot een uitbreiding van de saisine van de onderzoeksrechter” en dat “de procedure bij toepassing van artikel 61quinquies van het Wetboek van Strafvordering (…) enkel aangewend (kan) worden met het oog op de uitvoering van bijkomende onderzoekshandelingen die binnen de saisine van de onderzoeksrechter vallen, en niet om die saisine uit te breiden tot andere feiten” en door te verwijzen naar de “saisine van de onderzoeksrechter”, zonder te specificeren over welke saisine het precies gaat, is het arrest I dubbelzinnig gemotiveerd, met name op grond van redenen die voor tweeërlei uitlegging vatbaar zijn, namelijk enerzijds, dat het gaat om de saisine van de onderzoeksrechter te Gent na uitbreiding met de feiten die het voorwerp uitmaken van de klacht met burgerlijkepartijstelling en anderzijds, dat het enkel gaat om de oorspronkelijke saisine van de onderzoeksrechter te Gent zonder deze uitbreiding; hierdoor miskent het arrest I ook het begrip saisine van de onderzoeksrechter en de bewijskracht van eisers klacht met burgerlijkepartijstelling en van het kantschrift van 8 mei 2020 van de procureur des Konings bij het parket te Brussel waarbij het dossier werd overgemaakt aan het parket van Oost-Vlaanderen, afdeling Gent (derde onderdeel).
  5. Met het geheel van redenen, ontwikkeld op pagina’s 272 tot en met 282 onder de rubriek 2.20 (“wat betreft het hoger beroep van de burgerlijke partijen tegen de buitenvervolgingstelling van de [verweerders], voor de feiten van de tenlasteleggingen XVIII.A.1, XVIII.A.2 en XVIII.B”) van het arrest II, geven de appelrechters in dat arrest te kennen dat het onderzoek naar de feiten onder telastleggingen XVIII.A.1, XVIII.A.2 en XVIII.B volledig is en dat geen bijkomend onderzoek nodig is. De eiser bekritiseert dit oordeel van het arrest II niet. De eiser heeft bijgevolg geen belang meer bij de onderdelen die louter betrekking hebben op de voorafgaande afwijzing van zijn verzoek om bijkomende onderzoekshandelingen door het arrest I. De onderdelen zijn niet ontvankelijk. Vierde onderdeel
  6. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6 EVRM, artikel 14 IVBPR en de artikelen 525, 526, 526bis, 527 en 527bis Wetboek van Strafvordering, alsmede miskenning van de algemene rechtsbeginselen van het recht van verdediging, waaronder het recht op de gelijkheid der wapens en het primaat van bepalingen met een rechtstreekse werking van het internationaal recht, inclusief het communautair recht of Unierecht, op bepalingen van nationaal recht: er werd ten onrechte nagelaten om toepassing te maken van de procedure tot regeling van rechtsgebied, minstens werd de eiser de mogelijkheid ontnomen om een procedure tot regeling van rechtsgebied in te stellen, zodat hij zich niet heeft kunnen verzetten tegen de ontlasting van de onderzoeksrechter te Brussel, minstens werd hem de mogelijkheid ontnomen om hierover tegenspraak te voeren.
  7. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat de eiser de met het onderdeel aangevoerde miskenning van zijn recht van verdediging heeft aangevoerd voor de appelrechters hoewel hij dat kon doen. Hij kan die miskenning niet voor het eerst voor het Hof aanvoeren. In zoverre is het onderdeel nieuw en bijgevolg niet ontvankelijk.
  8. Voor het overige is het onderdeel afgeleid uit die vergeefs aangevoerde onwettigheid en evenmin ontvankelijk. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 1.120,21 euro, waarvan 1.085,21 euro is verschuldigd. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Peter Hoet, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Ilse Couwenberg, Steven Van Overbeke, Bruno Lietaert en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 1 oktober 2024 uitgesproken door waarnemend voorzitter Peter Hoet, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240917.2N.16 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.